RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16-242708-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2007] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 augustus 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen gepoogd heeft om [slachtoffer ] van het leven te beroven;
subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen [slachtoffer ] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;
meer subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen gepoogd heeft om [slachtoffer ] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
feit 2
primair: op 14 september 2025 in Amsterdam openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer ] , terwijl dit geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;
subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer ] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de poging tot doodslag van [slachtoffer ] (verder: [slachtoffer ] ) (feit 1 primair) en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, met enig letsel tot gevolg (feit 2 primair).
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte geheel vrij te spreken van feit 1. Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair) en openlijke geweldpleging met letsel tot gevolg (feit 2 primair). De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De rechtbank komt tot een vrijspraak van het medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen zware mishandeling (feit 1 primair en subsidiair). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 14 september 2025 gaan verschillende leden van de familie [familie] een avond uit in Amsterdam. De groep heeft een leuke avond gehad, maar wanneer ze onderweg naar huis in de Halvemaansteeg lopen, gaat het volledig mis.
[medeverdachte 3] , de minderjarige broer van de verdachte, ziet [getuige 1] lopen. Omdat zij een bekende Nederlander is besluit hij haar aan te spreken om een foto te vragen. Terwijl [medeverdachte 3] [getuige 1] aanspreekt krijgt hij uit het niets van een onbekende man een vuistslag in zijn gezicht. Deze vuistslag is het begin van een heftig gevecht. De onbekende man blijkt later [slachtoffer ] te zijn.
Wie waren erbij betrokken?
Niet alleen [medeverdachte 3] was bij het gevecht betrokken, maar ook zijn medeverdachten met wie hij die avond uit was. Naast de verdachte waren dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] .
De verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hebben gezegd dat zij bij het gevecht betrokken waren. Ook zijn zij te zien op de camerabeelden die van het gevecht zijn gemaakt. Daarop is te zien dat zij geweld tegen [slachtoffer ] hebben gebruikt.
Hoewel [medeverdachte 2] ontkent dat hij bij het gevecht was, is de rechtbank van oordeel dat ook [medeverdachte 2] bij het gevecht betrokken was.
Welke geweldshandelingen staan vast?
Uit het dossier blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten, nadat [medeverdachte 3] eerst een klap van [slachtoffer ] had gekregen, vervolgens in gevecht zijn gegaan met [slachtoffer ] en daarbij fors geweld hebben gebruikt.
Op grond van de camerabeelden en de getuigenverklaringen is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden welk geweld precies is toegepast. Op de beelden is wel te zien dat de verdachten meerdere klappen uitdelen, waarna [slachtoffer ] op de grond terechtkomt en vervolgens, terwijl hij op de grond blijft liggen, meerdere klappen en trappen krijgt.
Hoewel zichtbaar is dat ook getrapt wordt richting het hoofd van [slachtoffer ] , is in de meeste gevallen op de beelden niet te zien of en waar deze trappen [slachtoffer ] raken. Verschillende getuigen hebben verklaard dat zij niet de hele tijd hebben kunnen zien wat er precies gebeurde, wat begrijpelijk is in de hectiek. Ook kan aan de hand van de beelden niet worden vastgesteld met welke kracht tegen [slachtoffer ] is getrapt.
Van één trap vindt de rechtbank wel bewezen dat deze [slachtoffer ] op het hoofd heeft geraakt. Dat volgt zowel uit de camerabeelden als uit de verklaring van [getuige 1] , die naast het gevecht stond. Zij heeft verklaard dat zij zag dat [slachtoffer ] op een bepaald moment met zijn hoofd in haar richting lag en een trap tegen zijn hoofd kreeg.
Vrijspraak medeplegen poging doodslag – geen aanmerkelijke kans
De verdachte wordt verweten dat hij samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer ] te doden. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachten met hun handelen vol opzet hadden op de dood van [slachtoffer ] .
De rechtbank is ook van oordeel dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat bewezen kan worden dat [slachtoffer ] één keer tegen zijn hoofd is getrapt. Niet duidelijk is met welke kracht dit is gebeurd. Bovendien ontbreekt een letselbeschrijving waardoor niet duidelijk is wat het gevolg is geweest van deze trap. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de trap tegen het hoofd een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer ] met zich mee heeft gebracht. Ook van het overige geweld tegen [slachtoffer ] kan dit niet worden vastgesteld. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het medeplegen van poging tot doodslag.
Vrijspraak medeplegen zware mishandeling – zwaar lichamelijk letsel?
Onder feit 1 is subsidiair ten laste gelegd dat de verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte en zijn medeverdachten aan [slachtoffer ] zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht.
De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer ] later op de dag van het geweldsincident verklaart pijn te hebben aan zijn hoofd, nek en rug. En dat zijn gezicht pijn doet en blauw/ paars is, hetgeen ondersteund wordt met foto’s. Uit deze verklaring en foto’s kan echter niet worden opgemaakt dat deze pijn wordt veroorzaakt door toegebracht zwaar lichamelijk letsel.
[slachtoffer ] verklaart verder dat een arts hem heeft verteld dat zijn zicht in beide ogen met 20 procent is achteruitgegaan, en dat hij de volgende maand weer terug moest komen voor controle. De achteruitgang van zijn gezichtsvermogen zou een indicatie kunnen zijn voor zwaar lichamelijk letsel, maar omdat verdere (medische) onderbouwing ontbreekt kan de rechtbank niet vaststellen of dat het geval is. Zo is niet duidelijk of een arts daadwerkelijk achteruitgang van gezichtsvermogen heeft vastgesteld, wat de mate van achteruitgang is en of deze achteruitgang het gevolg is van het geweldsincident. Evenmin is duidelijk of medisch ingrijpen nodig is geweest.
[slachtoffer ] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en in de stukken die hij daarvoor heeft overgelegd ontbreekt nadere onderbouwing eveneens.
De officier van justitie heeft tijdens de zitting een voorwaardelijk verzoek gedaan om, als de rechtbank tot de conclusie zou komen dat medische informatie noodzakelijk is voor de beoordeling, deze informatie alsnog te geven. De officier van justitie vond deze informatie niet noodzakelijk, omdat [slachtoffer ] een verklaring heeft afgelegd over het letsel en er foto’s in het dossier zitten van zijn gezicht direct na het gevecht. [slachtoffer ] is naar het ziekenhuis gebracht, maar is daar diezelfde avond weer weggegaan. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak medische informatie nodig is bij de beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie deze informatie eerder in het dossier had moeten voegen. De ten laste gelegde feiten zijn namelijk van bijna een jaar geleden en het dossier is daarna bijna niet gewijzigd. Dat het hier gaat om relevante informatie is duidelijk, en [slachtoffer ] heeft toestemming gegeven om die informatie op te vragen. Daar komt bij dat niet alleen informatie over het letsel na de mishandeling, maar ook informatie over de huidige situatie van [slachtoffer ] , ontbreekt. Het Openbaar Ministerie heeft de dagvaarding uitgebracht en geoordeeld dat het dossier in deze zaak compleet was. Een heropening zou tot aanzienlijke vertraging leiden. De rechtbank zal het verzoek om het onderzoek te heropenen afwijzen. Toewijzing van het verzoek acht de rechtbank niet opportuun. De rechtbank heeft daarbij de omstandigheid meegewogen dat ook [slachtoffer ] als benadeelde partij geen medische informatie heeft ingebracht, ook niet nadat hem daar meerdere keren om is verzocht. Het voorwaardelijke verzoek wordt dan ook afgewezen.
Medeplegen poging zware mishandeling
De rechtbank is wel van oordeel dat er sprake is van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, zoals onder feit 1 meer subsidiair ten laste is gelegd.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking sprake is, kan de rechtbank onder meer acht slaan op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het strafbare feit, hoe belangrijk de bijdrage van de verdachte was, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen, en vooral uit het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden, blijkt van zo’n nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, dat sprake is van medeplegen. Hoewel er van tevoren geen concreet plan was, zijn de verdachten als groep te werk gegaan en zijn ze als groep om [slachtoffer ] heen gaan staan. Iedere verdachte heeft een aandeel gehad in het geweld. Ze hebben allemaal geweld gebruikt tegen [slachtoffer ] . Ook heeft niemand zich uit de situatie teruggetrokken of geprobeerd de situatie te sussen. Dit betekent dat zowel de verdachte als zijn medeverdachten samen verantwoordelijk zijn voor het geweld.
De rechtbank is van oordeel dat het door meerdere personen met kracht slaan, stompen, schoppen en trappen tegen het lichaam van [slachtoffer ] en de trap tegen zijn hoofd een poging tot zware mishandeling opleveren. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de mogelijke ernstige gevolgen van dit geweld. Ook neemt de rechtbank in haar beslissing mee dat het geweld plaatsvond onder invloed van alcohol en dat de trappen en slagen niet steeds onder controle waren. De verdachten slaan en schoppen terwijl [slachtoffer ] onvoorspelbare bewegingen maakt. De verdachten hebben hiermee het risico genomen dat hun slagen en schoppen ook op meer kwetsbare plekken van het lichaam, zoals het hoofd, terecht hadden kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten dat zij allemaal opzet hadden op het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot een bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair).
Openlijke geweldpleging met enig letsel ten gevolge
De verdachte wordt ook verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer ] , waarbij dit geweld enig letsel ten gevolge heeft gehad (feit 2 primair). De rechtbank oordeelt dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is.
Bij het openlijk in vereniging geweld plegen gaat het er in de kern om dat het geweld op zo’n manier en op zo’n plaats is gepleegd, dat de openbare orde is verstoord. Van het in vereniging plegen van geweld is sprake wanneer degene die betrokken is, een voldoende duidelijke (significante) of belangrijke (wezenlijke) bijdrage aan het geweld levert.
Het is in ieder geval duidelijk dat het hiervoor beschreven geweld op een openbare plek is gepleegd, namelijk in het centrum van Amsterdam, waar veel mensen getuige van zijn geweest. Hierdoor is de openbare orde verstoord. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een voldoende duidelijke en belangrijk bijdrage heeft geleverd. De verdachte en zijn medeverdachten hebben namelijk allemaal geweld gebruikt en niemand heeft zich onttrokken aan het gevecht.
Hoewel het dossier weinig informatie bevat over het soort letsel, volgt uit de aangifte van [slachtoffer ] en wat de politie later beschrijft, dat hij veel pijn heeft gehad. Dat [slachtoffer ] letsel heeft opgelopen, blijkt ook uit de letselfoto’s die in het dossier zitten en die kort na het gevecht zijn gemaakt.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 meer subsidiair
op 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer ]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer ] met kracht op het lichaam heeft gestampt
- die [slachtoffer ] met kracht meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft getrapt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen tegen het hoofd, en tegen het lichaam heeft (met de vuist) geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2 primair
op 14 september 2025 te Amsterdam
openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer ]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer ] met kracht op het lichaam stampen
- die [slachtoffer ] met kracht meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam trappen
- die [slachtoffer ] met kracht meermalen tegen het hoofd en het lichaam (met de vuist) slaan
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 meer subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;
Feit 2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid feiten en verdachte
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. [slachtoffer ] haalt uit het niets met een vuistslag uit naar [medeverdachte 3] , het minderjarige broertje van de verdachte, neemt een vechthouding aan en deelt nog een vuistslag uit richting één van de groepsleden. Dit zorgt voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De noodzakelijke verdediging eindigde op het moment dat [slachtoffer ] op de grond belandde. De daarna verrichte (extensieve) gedragingen waren het onmiddellijke gevolg van de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding was veroorzaakt. De verdachte moet daarom van alle rechtsvervolging worden ontslagen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan de verdachte voor een gedeelte van de gedragingen een geslaagd beroep doen op noodweer en noodweerexces.
Er was sprake van een noodweersituatie op het moment dat [medeverdachte 3] van [slachtoffer ] een vuistslag in zijn gezicht krijgt, [slachtoffer ] een gevechtshouding aanneemt en blijft vechten. De verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] mochten zich hiertegen verdedigen. De slagen die vervolgens onder andere door de verdachte worden uitgedeeld zijn proportioneel en een alternatief was er niet.
De noodweersituatie eindigt op het moment dat [slachtoffer ] op de grond komt te liggen. Door de plotselinge aanval van [slachtoffer ] en het doorgaande geweld van ook [slachtoffer ] is het voorstelbaar dat er sprake is van hevige emoties bij de verdachte en zijn medeverdachten en dus van noodweerexces. Het meerdere malen trappen en slaan tegen [slachtoffer ] gaat echter de grenzen van noodweerexces te buiten, voor die handelingen kan de verdachte geen geslaagd beroep doen op noodweerexces en is de verdachte dan ook strafbaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt op het moment dat [medeverdachte 3] uit het niets van [slachtoffer ] een vuistslag in zijn gezicht krijgt. Vanwege deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte 3] mocht de verdachte overgaan tot noodzakelijke verdediging toen hij zag hoe zijn minderjarige broertje door een onbekende, grote man uit het niets werd geslagen. [medeverdachte 3] probeert [slachtoffer ] ook terug te slaan, maar slaat mis. De noodweersituatie blijft hierna doorgaan omdat [slachtoffer ] in een gevechtshouding gaat staan en nog een tweede klap uitdeelt. De klappen die de verdachte en zijn medeverdachten vervolgens uitdelen staan in verhouding tot de vuistslag en tweede klap van [slachtoffer ] en de dreigende houding die hij aanneemt (proportionaliteit). Ook was er geen andere optie om te reageren (subsidiariteit). Voor deze gedragingen is de verdachte dus niet strafbaar.
De noodweersituatie verandert snel naar noodweerexces nadat [slachtoffer ] de tweede klap heeft gegeven. De verdachte en zijn medeverdachten gaan dan door met vechten terwijl het niet meer nodig was om [medeverdachte 3] te verdedigen. [slachtoffer ] gebruikte toen geen geweld meer. Ook zijn zij in de meerderheid waardoor [slachtoffer ] geen gevaar meer vormde. Dat de verdachte op dat moment toch doorgaat met vechten, is te begrijpen door de heftige emoties die zijn ontstaan door de plotselinge en acute dreiging die van [slachtoffer ] uitging .
De rechtbank is van oordeel dat dat anders wordt op het moment dat [slachtoffer ] op de grond valt en daar blijft liggen. Er ontstaat dan een nieuwe situatie waarbij het voor de verdachte in ieder geval duidelijk had moeten zijn dat [slachtoffer ] geen gevaar meer vormde omdat hij op de grond lag en de verdachte met de medeverdachten in de meerderheid was. Het geweld dat de verdachte en zijn medeverdachten vervolgens gebruiken komt niet door heftige emoties die het directe gevolg zijn van het geweld van [slachtoffer ] . De rechtbank weegt daarin ook mee dat er inmiddels enige tijd is verstreken tussen de eerder uitgedeelde vuistslag en de tweede klap van [slachtoffer ] en het doorgaande geweld dat nu door onder andere de verdachte wordt gebruikt. Als er uit hevige emoties is gereageerd, dan zijn deze emoties door andere omstandigheden veroorzaakt zoals het ongeremde effect van alcohol en het handelen in groepsverband. Naar oordeel van de rechtbank is het geweld tegen [slachtoffer ] vanaf dat moment dat hij op de grond viel bedoeld om [slachtoffer ] een lesje te leren. De verdachte kan voor dat geweld geen geslaagd beroep doen op noodweerexces en daarvoor strafbaar.
Ook voor feit 2 geldt dat dit een strafbaar feit is en dat de verdachte daarvoor ook strafbaar is.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan een gedeelte van 12 dagen onvoorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, en het overige gedeelte voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
Subsidiair verzoekt de verdediging om rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en de verminderde mate waarvoor hij verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn handelen.
De verdediging verzoekt om in elk geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waardoor de verdachte weer vast komt te zitten, omdat dit gelet op zijn werk en pasgeboren kind onevenredige gevolgen met zich meebrengt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 18 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 80 uur op, te vervangen door 40 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte de feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Volwassenenstrafrecht
De rechtbank gaat bij de strafoplegging uit van toepassing van het volwassenenstrafrecht, zoals ook de reclassering heeft geadviseerd. De reclassering ziet bij de verdachte vrijwel geen pedagogische mogelijkheden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte zijn leven inmiddels op de rit lijkt te hebben. Hij heeft een vaste baan en eigen inkomen, een partner en is sinds kort vader geworden. Gelet hierop en op het advies van de reclassering ziet de rechtbank, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan fors geweld. Dit is een ernstig strafbaar feit. Hoewel [slachtoffer ] als eerste geweld heeft gebruikt, zijn de verdachte en zijn medeverdachten bij hun reactie de grenzen van noodzakelijke verdediging ruimschoots te buiten gegaan.
De verdachte heeft zowel bij de politie als tijdens de zitting verklaard dat hij spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij aanvankelijk zijn minderjarige broertje wilde beschermen. Die omstandigheid neemt echter niet weg dat het toegepaste geweld, bestaande uit het slaan en schoppen tegen het lichaam en hoofd, ernstig van aard is geweest, en zeer ernstige gevolgen had kunnen hebben. Er mag van geluk worden gesproken dat dat niet is gebeurd. Over de aard van het letsel is weliswaar beperkte informatie beschikbaar, maar [slachtoffer ] heeft verklaard veel pijn te hebben gehad. Die verklaring vindt steun in de letselfoto’s die zich in het dossier bevinden. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Dit soort geweld heeft niet alleen grote impact op het slachtoffer, maar veroorzaakt ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Meerdere omstanders hebben het incident op straat zien gebeuren, wat ook voor hen een bedreigende en ingrijpende ervaring moet zijn geweest. Ook dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van de verdachte van 6 juli 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Verder houdt de rechtbank rekening met een rapportage van Reclassering Nederland van 6 augustus 2026. Uit dit rapport blijkt dat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden door de reclassering als laag worden ingeschat. In het rapport wordt naar voren gebracht dat de verdachte zijn praktische leefgebieden op orde heeft. Verder volgt uit het rapport dat hij gedurende het schorsingstoezicht een meewerkende en open houding heeft laten zien, en dat er gedurende het toezicht geen risico's naar voren zijn gekomen die het opstellen van een plan van aanpak noodzakelijk maken. De reclassering adviseert dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Strafkader
De rechtbank acht de gedragingen van de verdachte ernstig. Een straf is hiervoor dan ook op zijn plaats.
Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte en zijn groep niet met het geweld zijn begonnen en dat het minderjarige broertje van de verdachte als eerste uit het niets werd aangevallen door een onbekende, grote man. Ook neemt de rechtbank mee dat het aandeel van de verdachte in het gevecht beperkt is geweest. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte al enkele dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarmee de gevolgen van het strafbare feit al heeft ervaren. Daarnaast heeft de verdachte zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis goed aan de voorwaarden gehouden. Zo heeft hij onder meer een COVA+-training positief afgerond. Tot slot weegt de rechtbank de jonge leeftijd van de verdachte mee.
De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte de gevolgen van het strafbare feit ervaart. Daarom legt de rechtbank een taakstraf van 80 uur op, te vervangen door 40 dagen hechtenis als hij deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. Om duidelijk te maken dat dit gedrag niet wordt geaccepteerd en ook als stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte zoiets nog een keer doet, legt de rechtbank daarnaast een gevangenisstraf op van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 18 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit betekent dat de verdachte in principe niet opnieuw de gevangenis in moet.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer ] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,- voor de feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bij de vordering rekening dient te worden gehouden met een mate van eigen schuld van de benadeelde en acht een bedrag van € 1.000,- billijk. De officier van justitie heeft gevorderd om dit bedrag bij iedere verdachte voor een eigen deel toe te wijzen, tot een bedrag van € 200,-, zonder toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, primair gelet op het verzoek tot ontslag van alle rechtsvervolging en subsidiair omdat de vordering niet is onderbouwd. Meer subsidiair verzoekt de verdediging om het gevorderde bedrag fors te matigen, en ook rekening te houden met een mate van eigen schuld van de benadeelde.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schadevergoeding
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De vordering is grotendeels gebaseerd op het oogletsel dat de benadeelde partij zou hebben opgelopen. De vordering is echter niet onderbouwd met medische stukken waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake is van het letsel zoals is gesteld. De vordering tot schadevergoeding zal daarom grotendeels worden afgewezen. Wel is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij enig lichamelijk letsel van tijdelijke aard heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Hiervoor is een vergoeding op zijn plaats.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 13c van de Rotterdamse schaal (licht letsel, herstelperiode van ongeveer twee maanden). De rechtbank neemt het in die categorie genoemde bedrag van € 1.100,- tot uitgangspunt.
Gelet op artikel 6:101 BW kan de schadevergoedingsverplichting van de verdachte worden verminderd als sprake is van medeschuld (of eigen schuld) van de benadeelde partij. Als sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, kan de schade worden verdeeld over de benadeelde partij en de verdachte, evenredig aan de mate waarin zij hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De rechtbank gaat in dit geval uit van een percentage eigen schuld van 50%.
Gelet op de Rotterdamse Schaal, de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, en de eigen schuld van de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 14 september 2025, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een pondspondsgewijze verdeling van de schade toe te wijzen. De verdachte en zijn mededaders zijn voor het gehele bedrag aansprakelijk, en zij dienen onderling regres te nemen. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Veroordeling in kosten (nihil)
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2025 tot de dag dat het volledige bedrag is betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 55, 141, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 18 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uur;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding [slachtoffer ] (feit 1 en 2)
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. S.M. van Meer en mr. F.D.M. Osinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer ]
van het leven te beroven, die [slachtoffer ]
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan een ander, te weten [slachtoffer ]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht van 20% bij beide ogen heeft
toegebracht, door
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer ]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer ]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer ]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer ] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een beschrijving van camerabeelden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op de camerabeelden is te zien dat de aangeefsters [getuige 1] en [getuige 2] omstreeks op 14 september 2025 om 05:11:34 uur samen met een voor mij, verbalisant, onbekende vrouw vanuit de richting van het Rembrandtplein aan komen lopen over de Halve Maansteeg in Amsterdam. De aangever [slachtoffer ] loopt, in het bijzijn van een voor mij onbekende man, aan de linkerzijde (in beeld) gelijk met de aangeefsters [getuige 1] en [getuige 2] op. Achter de aangeefster loopt, naar wat uit later camerabeelden blijkt, een groep van vijf (5) personen, waaronder de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .
De aangeefsters worden vermoedelijk aangesproken door [medeverdachte 3] . Deze gaat voor de aangeefsters staan. De overig genoemde verdachten voegen zich bij hem en gaan eveneens voor de aangeefsters staan, waardoor zij niet verder kunnen lopen. De aangever [slachtoffer ] loopt op dat moment nog aan de linkerzijde van de Halve Maansteeg en is gesprek met een voor mij onbekende man.
De later aangever [slachtoffer ] loopt vervolgens naar de groep toe en strekt zijn rechterarm en geeft de verdachte [medeverdachte 3] met zijn rechterhand/ vuist een vermoedelijk een duw of stoot op zijn hoofd en/of duwt hem bij het hoofd weg. Op de bewegende beelden is te zien dat het hoofd van de verdachte [medeverdachte 3] naar achteren beweegt.
[slachtoffer ] beweegt daarna naar achteren en neemt een gevechtshouding aan. [medeverdachte 3] beweegt naar [slachtoffer ] toe, waarbij het erop lijkt dat hij hem met zijn rechterarm/vuist een klap wil geven. [slachtoffer ] beweegt zijn lichaam naar achteren en wordt op dat moment niet door [medeverdachte 3] geraakt. [medeverdachte 3] raakt hierop uit balans.
De aangever [slachtoffer ] komt hierop tegenover de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en een derde onbekend gebleven verdachte te staan. De aangever [slachtoffer ] raakt in eerste instantie in gevecht met de verdachte NN1, waarbij beide elkaar een stoot in het gezicht lijken te geven om vervolgens met elkaar in een worsteling terecht te komen. Tijdens de worsteling tussen de aangever [slachtoffer ] en de verdachte NN1 is te zien dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] beide met hun rechterarm en gebalde rechter- vuist naar de aangever [slachtoffer ] toe bewegen. De verdachte [verdachte] lijkt vervolgens met zijn rechterarm en gebalde rechtervuist een slaande beweging naar het hoofd van de aangever [slachtoffer ] .
Tegelijkertijd is te zien dat de verdachte [medeverdachte 1] zijn rechterarm met gebalde rechtervuist naar achteren beweegt om deze vervolgens met kracht naar het hoofd van de aangever [slachtoffer ] brengt en hem een slag/ stoot tegen het hoofd geeft. De aangever [slachtoffer ] komt vervolgens tegenover, danwel wordt min of meer omsingeld door de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en NN1. Voor zover vast te stellen maken al deze verdachten slaande bewegingen naar het hoofd en lichaam van de aangever [slachtoffer ] . De verdachte [medeverdachte 4] (rechts in beeld) is op dat moment nog niet actief betrokken bij het incident.
Nadat de aangever [slachtoffer ] op de grond terecht is gekomen, wordt hij direct omsingeld door alle verdachten. De verdachte [medeverdachte 4] geeft vervolgens met zijn linkerbeen een tweetal trappen tegen het lichaam van de aangever [slachtoffer ] . Gezien de positie van de aangever [slachtoffer ] lijkt hij hem op diens rug te raken. Hij beweegt hierbij zijn rechterarm naar achteren, waardoor het vermoeden ontstaat dat hij dit met kracht doet.
Vervolgens zet de verdachte NN1 enkele passen naar voren, brengt zijn rechterbeen naar achteren en schopt de aangever [slachtoffer ] gezien diens positie, met kracht, vermoedelijk tegen het hoofd. Doordat er een persoon tussen de camera en de aangever [slachtoffer ] staat is dit echter niet duidelijk te zien.
De verdachte [medeverdachte 1] loopt naar de aangever [slachtoffer ] toe, heft zijn linkerbeen op en trapt de aangever [slachtoffer ] , waarbij hij hem aan de bovenzijde van de rug, ter hoogte van de nek/ het hoofd raakt.
De aangever [slachtoffer ] probeert overeind te komen, waarop de verdachte [medeverdachte 1] hem opnieuw met zijn linkerbeen een trap geeft. Vermoedelijk raakt hij de aangever [slachtoffer ] op het hoofd, al is dit op beeld is niet duidelijk te zien. Ondertussen staat de verdachte [medeverdachte 3] over de aangever [slachtoffer ] . Doordat er meerdere personen tussen hem en de camera staan is niet duidelijk zichtbaar welke handelingen hij op dat moment uitvoert.
Wel is zichtbaar dat de verdachte NN1 weer naar aangever [slachtoffer ] toeloopt, die half overeind is gekomen, en hem een opnieuw, met zijn rechterbeen, een trap geeft. Doordat er een persoon tussen de camera en de aangever [slachtoffer ] staat is niet duidelijk waar deze precies geraakt wordt.
De aangever [slachtoffer ] komt daarop half overeind. Terwijl hij dit doet wil de verdachte NN1 hem opnieuw een trap geven. Daarna is te zien dat de verdachte [verdachte] de aangever [slachtoffer ] een trap met zijn rechterbeen geeft. Doordat er personen tussen de camera en de aangever [slachtoffer ] staan is niet duidelijk te zien waar hij door de verdachte [verdachte] geraakt wordt.
Ondertussen staat de verdachte [medeverdachte 3] nog steeds over de aangever [slachtoffer ] gebogen. Doordat er personen tussen de camera en de aangever [slachtoffer ] staan is niet te zien welke handelingen hij precies uit- voert. Wel is zichtbaar dat de verdachte [medeverdachte 3] zowel zijn linker- als rechterarm omhoog brengt om deze daarna in de richting van de aangever van [slachtoffer ] te bewegen.
Vervolgens is te zien dat de verdachte [medeverdachte 1] met zijn linkerbeen opnieuw een trappende beweging naar de aangever [slachtoffer ] maakt, waarbij hij deze op het hoofd/ in het gezicht raakt. De aangever [slachtoffer ] valt na de trap van de verdachte [medeverdachte 1] terug op de grond, waar hij enige tijd roerloos blijft liggen.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer ] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ze vielen mijn vriendin lastig. Ik heb hun geslagen en toen gingen ze allemaal op mij. Iemand zei dat ik op de grond beland ben en geschopt ben tegen mijn hoofd. Ik heb een snee in mijn hoofd en een klein beetje druk aan de linkerzijde van mijn hoofd. Ik kijk ook een beetje wazig.
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer ] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik kom net uit het ziekenhuis. Ik heb nu pijn aan mijn hoofd, nek, rug. Mijn gezicht doet vooral heel erg pijn en is paars/blauw. Ik zie ook wazig.
Een proces-verbaal van aangifte door [getuige 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 september 2025, omstreeks 05.15 uur, was ik in Amsterdam met een groep collega's. Ik liep in de Halvemaansteeg toen ik plotseling een gevecht zag op het einde van die straat. Ik zag dat er een hele groep, ik denk ongeveer 5 personen, één persoon helemaal in elkaar aan het trappen was. Ze waren aan het schoppen en slaan tegen zijn hoofd terwijl hij op de grond lag.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Op een gegeven moment kregen zij ruzie met [slachtoffer ] , dat ging allemaal heel snel. Op
een gegeven moment sloeg een van hen [slachtoffer ] op de grond. Ik weet natuurlijk niet precies
wie. Daarna gingen ze met z’n allen op hem. Hij lag op de grond en ik zag dat. Ik had niet verwacht dat ze met z’n allen erop zouden gaan. Ik dacht dat ze zouden stoppen toen hij op de grond lag. Op een gegeven moment lag hij met zijn hoofd richting mij en werd hij tegen zijn hoofd geschopt.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Mijn broertje werd uit het niks geslagen. Ik wilde hem beschermen en ben in gevecht geraakt met die man. Ik heb hem geslagen, en een keer geschopt tegen het lichaam.