ECLI:NL:RBMNE:2026:6064

ECLI:NL:RBMNE:2026:6064

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer UTR 25/360
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Wht. Private schulden ten onrechte niet overgenomen. De wet biedt geen grondslag voor het weigeren van overname van schulden die voorkomen hadden kunnen worden. Ook geen sprake van nalatigheid. Beroep gegrond. Zelf voorzien.

Uitspraak

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.L. Mens),

en

de minister van Financiën

(gemachtigde: mr. M.S. Polat).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor de overname van haar schulden. Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag met het besluit van 31 juli 2024 deels afgewezen.

Met het bestreden besluit van 3 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om na te gaan of de minister de uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen en om hem in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen.

Op 12 maart 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat hij de uitnodiging voor de zitting niet had ontvangen en hij niet op de hoogte was van de zitting.

De rechtbank heeft op 25 maart 2026 aan de minister nadere vragen gesteld en hem in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen.

De minister heeft op 14 april 2026 een verweerschrift ingediend en daarbij de gestelde vragen van de rechtbank beantwoord. Eiseres heeft op 1 juni 2026 hierop een reactie gegeven.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten en op 4 augustus 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. Eiseres is een gedupeerde van de toeslagaffaire. Hiervoor heeft zij compensatie gekregen. In dat kader heeft zij een schuldenlijst toegezonden aan SBN met het verzoek om haar schulden over te nemen. Op de schuldenlijst staan diverse schulden, waaronder een schuld aan Woningstichting Lieven De Key ten bedrage van € 5.515,93.

3. De minister heeft de schuld van eiseres aan de Woningstichting voor zover die ziet op achterstallige huursommen van € 3.258,94 overgenomen. Het verzoek tot overname van de mutatiekosten van € 1.075 en de daarmee samenhangende loonkosten van € 1.181,99, in totaal € 2.256,99, heeft de minister afgewezen. Dit zijn kosten voor herstelwerkzaamheden die de aannemer heeft verricht om de woning, van waaruit eiseres is verhuisd, weer in de oorspronkelijke (verhuurbare) staat te krijgen. Volgens de minister had eiseres deze kosten kunnen voorkomen als zij vóór de ontruiming van haar huurwoning de opgedragen herstelwerkzaamheden had uitgevoerd. Dat sprake was van een plotselinge en noodgedwongen ontruiming is volgens de minister niet aannemelijk gemaakt.

4. De vereisten waaraan een schuld moet voldoen om voor overname in aanmerking te komen staan artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Uit dit artikel blijkt dat de schulden worden overgenomen die:

Op grond van het derde lid van artikel 4.1. van de Wht -voor zo ver hier van belang- zijn geldschulden en kosten die worden overgenomen:

a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;

(…)

d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten.

Op grond van het vierde lid van artikel 4.1 van de Wht worden de volgende geldsommen en kosten niet overgenomen:

a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;

b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;

c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;

d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming;

e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend; of

f. een geldschuld die al is overgenomen van een aanvrager of diens partner of van een ex-partner.

De gronden van beroep

5. Eiseres is het niet eens met de weigering om de mutatiekosten en loonkosten niet over te nemen. Volgens eiseres voldoen deze schulden aan de voorwaarden van de Wht en staan ze nog steeds open. Eiseres bestrijdt dat deze schulden zijn ontstaan door aantoonbaar verwijtbaar gedrag. De huurachterstand is ontstaan door het onterecht terugvorderen van kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst/Toeslagen, waardoor sprake is geweest van dwanginvordering. Hierdoor kon eiseres de huur niet meer betalen. Om een ontruimingsprocedure te voorkomen heeft eiseres noodgedwongen de huurovereenkomst beëindigd. Eiseres stond toen in een overlevingsstand: zij moest in korte tijd een nieuwe woning vinden, de huurwoning leegmaken en verhuizen, anders zouden zij en haar kinderen dakloos raken. Daarbij had eiseres geen geld en geen tijd om de gebreken in de huurwoning te herstellen. Het is daarom niet redelijk dat de minister de hierdoor ontstane mutatie- en loonkosten als ‘nalatig of verwijtbaar’ kwalificeert.

Het standpunt van de minister

6. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres niet is gebaseerd op de letterlijke tekst van artikel 4.1. van de Wht, maar vooral steunt op de toelichting daarop in de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van de Wht. Daarin is namelijk opgenomen dat schulden die voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten, niet worden kwijtgescholden of overgenomen. Volgens de minister moet artikel 4.1, derde lid, en onder d, van de Wht aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde overname van bijkomende kosten slechts ziet op schulden die naar zijn aard binnen het bereik van de regeling vallen.

Het oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank stelt vast dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor de overname van privaatrechtelijke schulden die staan in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. De minister stelt zich in dit geval op het standpunt dat de schuld niet valt binnen het bereik van bijkomende kosten als bedoeld in artikel 4.1, derde lid en onder d, van de Wht.

8. De rechtbank stelt voorop dat de vordering van de verhuurder tot betaling van mutatie- en loonkosten een vordering is die valt onder artikel 4.1, derde lid van de Wht. Het gaat namelijk om een geldschuld die is ontstaan in de normale uitoefening van het bedrijf van de verhuurder. Verder valt de vordering niet onder de in het vierde lid van artikel 4.1 van de Wht genoemde privaatrechtelijke schulden die niet worden overgenomen. De omstandigheid dat deze kosten zijn ontstaan doordat eiseres de woning niet had opgeleverd zoals de verhuurder had bepaald, maakt niet dat de vordering niet zou vallen onder artikel 4.1, derde lid, van de Wht.

9. In de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming Wht is onder het kopje ‘Aanpak voor bestuursrechtelijke schulden’ ook iets opgenomen over privaatrechtelijke schulden. Daarin wordt genoemd dat schulden niet worden overgenomen die voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten. Dit is voor de overname van bestuursrechtelijke schulden ook expliciet opgenomen in artikel 3.1, vijfde lid van de Wht. Voor privaatrechtelijke schulden is hierover echter niets in de wetstekst zelf opgenomen. Blijkbaar heeft de wetgever in dit verband een onderscheid willen maken tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke schulden. Dit onderscheid is in de Memorie van Toelichting niet nader toegelicht. In ieder geval strookt wat in de Memorie van Toelichting in generieke zin is opgemerkt over het overnemen van privaatrechtelijke schulden en het kwijtschelden van publiekrechtelijke schulden niet met de wetstekst over het overnemen van privaatrechtelijke schulden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet enkel op basis van wat hierover is opgenomen in de Memorie van Toelichting worden geconcludeerd dat de minister deze privaatrechtelijke schuld niet zou hoeven overnemen.

10. Overigens overweegt de rechtbank dat de minister de schuld ook zou moeten overnemen als hetgeen hierover in de Memorie van Toelichting is opgenomen wel van toepassing zou zijn op privaatrechtelijke schulden. In de Memorie van Toelichting is namelijk bepaald dat schulden niet zullen worden overgenomen als deze voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake. Uit de gehanteerde woorden volgt namelijk dat het moet gaan om situaties waarin aan de schuldenaar een duidelijk verwijt te maken valt. Daarvan is in dit geval geen sprake. De in rekening gebrachte kosten zien namelijk op het in de oude staat terugbrengen van het gehuurde. Het komt wel vaker voor dat dergelijke kosten in rekening gebracht worden aan het einde van een huurovereenkomst. Weliswaar had eiseres het in rekening brengen van die kosten kunnen voorkomen door de werkzaamheden zelf te verrichten maar daartoe was zij zijn gezien de omstandigheden nu juist niet zelf in staat. Daaruit volgt echter nog niet dat eiseres een dermate sterk verwijt te maken valt voor het ontstaan van deze kosten dat gesteld kan worden dat deze vallen onder het ‘ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten’ zoals genoemd in de Memorie van Toelichting.

11. Nu er in de wet geen grondslag bestaat voor het weigeren van de overname van de privaatrechtelijke schulden die door de aanvrager voorkomen hadden kunnen worden, had de minister de aanvraag van eiseres niet kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 4.1 van de Wht. Omdat aan alle voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht wordt voldaan, zal de rechtbank met het oog op finale geschilbeslechting zelf in de zaak voorzien. De rechtbank geeft toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.

12. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De rechtbank bepaalt dat de minister de schuld van eiseres van € 2.256,99 moet overnemen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit. Dus de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen. De minister moet alleen feitelijk uitvoering aan deze uitspraak geven.

12. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

12. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt voor de beroepsprocedure € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Voor de bezwaarprocedure bedraagt de vergoeding € 1.332,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-, en een wegingsfactor 1). De proceskostenveroordeling bedraagt in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 december 2024;

- herroept het besluit van 31 juli 2024, voor zover daarin is geweigerd de mutatiekosten en de loonkosten ten bedrage van € 2.256,99 over te nemen;

- bepaalt dat de minister deze schuld van € 2.256,99 overneemt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.W. Wagenaar

Griffier

  • mr. L.E. Mollerus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand