[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de voorzieningenrechter moet regelen dat verzoekster direct voorrang krijgt op de wachtlijst voor een sociale huurwoning, zodat zij op korte termijn naar een andere woning kan verhuizen.
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een woningurgentie wegens medische gronden. Verzoekster voert aan dat uit het onderzoeksrapport van het laboratorium van de KU in Leuven blijkt dat in haar woning aan de [adres] in [plaats] chemische stoffen zijn aangetroffen, waaronder cyclopentaan en 2-methhylbutaan. Verzoekster kan daarom vanwege ernstige gezondheidsklachten niet terugkeren naar deze woning en verblijft noodgedwongen op een vakantiepark. Verzoekster stelt dat zij niet langer de financiële middelen heeft om haar tijdelijke verblijf op het vakantiepark te kunnen betalen. Omdat verzoekster geen alternatieve opvang heeft en zij geen recht heeft op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijk van de gemeente, dreigt zij op korte termijn dakloos te raken.
Het college heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 24 juni 2026 (het bestreden besluit). Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het bestreden besluit te schorsen, dan wel het college op te dragen haar tijdelijke opvang te verlenen om te voorkomen dat zij tijdens de behandeling van haar bezwaar dakloos zal raken. Subsidiair heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van verdere gezondheidsschade en feitelijke dakloosheid.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter legt dat hierna uit.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Zij beschikt weliswaar over een woning, waardoor in het algemeen spoedeisend belang ontbreekt, maar zij stelt dat zij daar niet kan wonen omdat de woning chemische stoffen bevat waardoor zij ziek wordt. Voor de aanwezigheid van de betreffende stoffen is een onderzoeksrapport aanwezig. Eiseres heeft haar woning verlaten en woont op een vakantiepark en stelt de huur daarvan niet meer te kunnen betalen. Onder deze omstandigheden neem de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan.
4. Het verzoek is voor een deel kennelijk ongegrond en voor een ander deel kennelijk niet-ontvankelijk.
Kennelijk ongegrond
5. Verzoekster vraag om schorsing van het bestreden besluit. Met dat verzoek kan zij niet bereiken wat zij wil omdat het bestreden besluit een weigering van de gevraagde urgentieverklaring bevat. Een schorsing van dat besluit leidt niet tot een verlening van een urgentieverklaring.
6. Als de voorzieningenrechter het verzoek zo opvat dat gevraagd wordt de voorziening te treffen dat het college verzoekster moet behandelen als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning, dan is de gevraagde voorziening naar zijn aard niet voorlopig. Een dergelijke voorziening kan worden toegewezen als het bezwaar niet alleen een redelijke kans van slagen heeft maar zonder meer zou moeten leiden tot toekenning van deze voorziening. Daarvan is geen sprake.
7. Eén van de afwijzingsgronden is dat verzoekster niet kan aantonen dat er geen, al dan niet tijdelijke, alternatieve oplossing is voor haar woonprobleem. Uit de toelichting op deze afwijzingsgrond volgt dat verzoekster voor haar woonprobleem, de aanwezigheid van chemische stoffen in haar woning waardoor zij stelt gezondheidsproblemen te hebben, bij de verhuurder moet zijn om dat probleem op te lossen. De voorzieningenrechter is het daarmee eens. Gebreken aan de woning behoren tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder en als de verhuurder te weinig doet om de gebreken te herstellen is het aan verzoekster om een civiele procedure hierover te starten. Uit het verzoekschrift en de overgelegde stukken blijkt niet dat en op welke wijze verzoekster zich ingespannen heeft om de problemen met de gebrekkige woonruimte met haar verhuurder op te lossen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen grond is om te beslissen dat het college verzoekster moet behandelen als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning.
Kennelijk niet-ontvankelijk
8. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (de formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat bestreden besluit (de materiële connexiteit).
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van formele connexiteit nu er bezwaarprocedure loopt tegen het bestreden besluit.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoen de overige verzoeken niet aan het vereiste van materiële connexiteit. Het gaat dan om de verzoeken om het college op te dragen verzoekster tijdelijke opvang te verlenen om te voorkomen dat zij tijdens de behandeling van haar bezwaar dakloos zal raken en om een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van verdere gezondheidsschade en feitelijke dakloosheid.
11. Deze gevraagde voorzieningen, voor zover zij niet samenvallen met de voorzieningen die besproken zijn onder de punten 5, 6 en 7, gaan verder dan de bestuursrechter in de bodemprocedure over het bezwaar kan treffen omdat zij buiten de reikwijdte van het bestreden besluit vallen. Daarom kan verzoekster met deze verzoeken niet bereiken wat zij vraagt.
Vrijstelling griffierecht
12. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Zij heeft met de overgelegde inkomensinformatie niet aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent verzoekster daarom geen vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
13. Verzoekster heeft het verschuldigde griffierecht voldaan. Omdat de vrijstelling niet wordt verleend, krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.
Conclusie en gevolgen
14. Het verzoek is deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorzieningen daarom niet toewijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: