ECLI:NL:RBMNE:2026:6071

ECLI:NL:RBMNE:2026:6071

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer UTR 26/618
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Pw. Het college heeft eiser een maatregel mogen opleggen, omdat hij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/618

(gemachtigde: M. Bockting),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, het college

(gemachtigde: J. Hiemstra).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel die het college eiser bij de toekenning van de bijstandsuitkering heeft opgelegd. Het college heeft deze maatregel opgelegd omdat eiser verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. Eiser is het niet eens met de maatregel. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de maatregel heeft kunnen opleggen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser de maatregel heeft kunnen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 maart 2025 heeft het college eisers aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) toegewezen en eiser daarbij een maatregel opgelegd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 15 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de maatregel gehandhaafd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Het college heeft eiser bij de toekenning van de bijstandsuitkering een maatregel opgelegd van 50% verlaging van de uitkering gedurende één maand. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser zijn vorige baan per 1 november 2024 heeft opgezegd en dat eiser dat, voor een deel, te verwijten valt. Rekening houdend met de persoonlijke situatie van eiser heeft het college afgeweken van het uitgangspunt om een maatregel van 100% op te leggen. Eiser is namelijk als nieuwkomer in de gemeente komen wonen, ervaart een taalbarrière, moet nog inburgeren en heeft vooraf geen informatie gehad over het inburgeren en de plichten van de Pw. Daarnaast heeft eiser onvoldoende financiële middelen om een maatregel van 100% te kunnen dragen en wil het college voorkomen dat er andere schulden ontstaan.

Met het bestreden besluit heeft het college de maatregel, naar advies van de commissie bezwaarschriften, gehandhaafd. De commissie heeft daarbij overwogen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden worden erkend, maar dat deze onvoldoende zijn om de verwijtbaarheid volledig weg te nemen. Van eiser kan namelijk worden verwacht dat hij bij ingrijpende beslissingen zoals ontslag tijdig advies inwint. Eiser heeft de mogelijkheid om zich te laten bijstaan niet benut en daarmee is sprake van het niet behouden van arbeid door eigen toedoen. Volgens de commissie heeft het college de maatregel terecht opgelegd en proportioneel aangepast.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 18, tweede lid, van de Pw verlaagt het college de bijstand als een belanghebbende bepaalde verplichtingen van de Pw niet nakomt of een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. De gemeente Dronten heeft in dat kader in de verordening vastgesteld dat de uitkering met 100 procent voor een maand wordt verlaagd als de betrokkene een uitkering aanvraagt, doordat hij door eigen toedoen betaalde arbeid niet heeft behouden.

Heeft het college eiser een maatregel mogen opleggen?

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft gesteld dat hij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond. Hij wijst in dat kader op de omstandigheden dat er een paar maanden tussen het stoppen met het werk en het starten van de uitkering zit, dat het niet duidelijk is of hij het flexibele werk maanden had kunnen doen, het nog de vraag was of hij vanuit Dronten naar de werkplek kon gaan en dat het vanwege moeilijke woonomstandigheden lastig is om te werken vanuit het AZC. Daarnaast is hij gestopt met werken omdat hij het werk slecht kon doen en hij zich wilde richten op het leren van de taal en de inburgering. Verder heeft eiser ter zitting aangevoerd dat hij in november 2024 nog via Whatsapp contact heeft gehad met Consulent Statushouders, mevrouw Kroezen, over dat hij was gestopt met werken. Hij stelt dat het op de weg van het college had gelegen om hem te informeren over de gevolgen van het stoppen met werken.

Het college heeft alle door eiser aangevoerde omstandigheden in de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende rekening gehouden met deze omstandigheden door de maatregel vast te stellen op 50%. Zoals de commissie bezwaarschriften heeft overwogen kan van eiser worden verwacht dat hij advies inwint alvorens ontslag te nemen en daardoor verwijtbaar werkloos te worden. Daarnaast heeft het college er in het verweerschrift terecht op gewezen dat eiser afspraken had kunnen maken met zijn werkgever over andere of flexibelere werktijden danwel had kunnen vragen of er binnen het inburgeringstraject rekening kon worden gehouden met zijn baan. Dat de inburgering niet gecombineerd kon worden met het werk is overigens ook niet gebleken omdat de inburgering pas in januari 2025 is gestart en eiser reeds in november 2024 ontslag heeft genomen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het college hem had moeten informeren over de gevolgen van het nemen van ontslag. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat eiser zijn consulent op 5 november 2024 via Whatsapp heeft bericht en daarbij heeft vermeld dat zijn contract niet is verlengd. Nu eiser niet heeft verteld dat hij zelf ontslag heeft genomen, had het college hem ook niet kunnen informeren over de gevolgen daarvan. Bovendien heeft eiser dit bericht verstuurd nadat hij reeds ontslag had genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook niet ten onrechte gesteld dat eiser hiermee een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Het college heeft daarom ook niet ten onrechte een maatregel van 50% verlaging gedurende één maand opgelegd. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college de opgelegde maatregel nader had moeten afstemmen of matigen tot een lager percentage. Evenmin is gebleken van een dringende reden op grond waarvan het college van het geheel of gedeeltelijk opleggen van een maatregel had moeten afzien.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand