[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, het college.
Inleiding
Verzoekster heeft op 25 maart 2026 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juni 2026 afgewezen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Verzoekster heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 5 augustus 2026 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Verzoekster heeft niet binnen de termijn gereageerd op deze brief en heeft geen reden gegeven voor het verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat vooralsnog niet is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De griffier heeft verzoekster met de brief 5 augustus 2026, in de gelegenheid gesteld om haar gestelde spoedeisend belang te onderbouwen, maar verzoekster heeft niet op deze brief gereageerd. De conclusie is daarom dat er op dit moment geen spoedeisend belang is.
6. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: