RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12103125 \ LC EXPL 26-289 BJvd/61169
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] ,
wonend in [plaats 1] ,2. [eiser sub 2],
wonend in [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 2] c.s.,
gemachtigde: mr. T. Kahya-Ekinci,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5.
Op 14 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen mevrouw [eiseres sub 1] en de heer [eiser sub 2] met hun gemachtigde mr. T. Kahya-Ekinci. Aan de zijde van [gedaagde] is niemand verschenen.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] en [eiser sub 2] c.s. hebben een overeenkomst voor aanneming van werk gesloten. Volgens [eiser sub 2] c.s. heeft [gedaagde] het werk deels niet goed uitgevoerd en deels helemaal niet uitgevoerd. [eiser sub 2] c.s. vordert in deze procedure onder andere betaling van een vervangende schadevergoeding van € 15.742,80. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser sub 2] c.s. toe, na verrekening met het bedrag dat [eiser sub 2] c.s. op grond van de overeenkomst nog aan [gedaagde] moest betalen.
3. De beoordeling
De overeengekomen werkzaamheden en de prijs
In juli 2024 hebben partijen een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Volgens [eiser sub 2] c.s. is afgesproken dat [gedaagde] nieuwe ramen, kozijnen en een nieuwe voordeur zou leveren en installeren. Vaststaat dat partijen in ieder geval afspraken dat [eiser sub 2] c.s. [gedaagde] zou helpen bij de installatie. [eiser sub 2] c.s. stelt dat partijen hiervoor een prijs van € 11.417,00 zijn overeengekomen. Dit bedrag heeft [eiser sub 2] c.s. in augustus 2024 aan [gedaagde] betaald. Volgens [gedaagde] ziet de overeenkomst alleen op de levering en is daarvoor een prijs van € 15.221,80 overeengekomen. [gedaagde] stelt dat [eiser sub 2] c.s. hem daarom nog € 3.804,00 moet betalen.
De kantonrechter stelt vast dat partijen een prijs van € 15.221,80 zijn overeengekomen inclusief levering en montage. Dat staat namelijk zo op de offerte vermeld. [eiser sub 2] c.s. mocht er dus vanuit gaan dat deze prijs inclusief installatie was. Dat er een prijs van € 11.417,00 is overeengekomen is niet komen vast te staan. Bovendien is op de mondelinge behandeling namens [eiser sub 2] c.s. verteld dat partijen uiteindelijk afspraken dat [eiser sub 2] c.s. een bedrag van € 15.221,80 aan [gedaagde] zou betalen voor de werkzaamheden.
De kantonrechter wijst de vordering tot vervangende schadevergoeding toe
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser sub 2] c.s. tot betaling van een vervangende schadevergoeding toe. [gedaagde] is namelijk tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en in verzuim met het herstel hiervan. [gedaagde] moet ook de gevorderde wettelijke rente over het bedrag betalen.
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
Op 9 april 2025 heeft [onderneming] te [plaats 3] in opdracht van [eiser sub 2] c.s. een deskundigenrapport opgesteld over de werkzaamheden van [gedaagde] . Daarin staat dat er onder meer sprake is van een gebrekkige montage van de kozijnen (niet waterpas, onvoldoende verankering, geen isolatie en afwerking), dat de buitendeur niet is geleverd of gemonteerd en dat er beschadigingen zijn ontstaan aan het gebouw tijdens de montage. [gedaagde] heeft deze bevindingen van de deskundige niet betwist. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat herstelwerkzaamheden of andere werkzaamheden nog moeten plaatsvinden. De kantonrechter gaat daarom uit van de bevindingen van de deskundige en neemt deze over. Dat betekent dat de kantonrechter vaststelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
[gedaagde] is in verzuim geraakt met de (herstel)werkzaamheden
In oktober 2024 zijn de ramen geleverd en is [gedaagde] begonnen met de werkzaamheden. Op enig moment is [gedaagde] gestopt met de werkzaamheden. Uit de berichten tussen partijen op Whatsapp blijkt dat dit in ieder geval in februari 2025 is geweest, omdat [eiser sub 2] c.s. [gedaagde] vanaf dat moment regelmatig vraagt wanneer hij de werkzaamheden komt afmaken. Op 5 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eiser sub 2] c.s. een ingebrekestelling gestuurd aan [gedaagde] met een termijn om binnen tien dagen de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren en de gebreken te herstellen. Daarop heeft [gedaagde] geantwoord dat hij alleen het werk wil komen afronden als de eindafrekening wordt voldaan. Vervolgens heeft [eiser sub 2] c.s. op 28 november 2025 de vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
[gedaagde] stelt dat hij de werkzaamheden heeft opgeschort, totdat [eiser sub 2] c.s. de rest van het overeengekomen bedrag zou betalen. [gedaagde] was echter niet bevoegd om tot opschorting over te gaan. Partijen hadden niet afgesproken dat [eiser sub 2] c.s. vooraf zou betalen, dus de vordering van [gedaagde] op [eiser sub 2] c.s. was nog niet opeisbaar. [gedaagde] heeft de (herstel)werkzaamheden niet binnen de gestelde termijn uitgevoerd en daarom is hij in verzuim geraakt. Dat betekent dat [eiser sub 2] c.s. de vordering tot nakoming rechtsgeldig heeft omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
De hoogte van de vervangende schadevergoeding is na verrekening € 11.938,80
[eiser sub 2] c.s. vordert betaling van vervangende schadevergoeding van € 15.742,80. Dit bedrag is gebaseerd op de berekening van de herstelkosten zoals opgenomen in het deskundigenrapport.
De kantonrechter gaat voor de hoogte van de herstelkosten uit van de offerte van [onderneming] . [gedaagde] stelt dat deze begroting van de herstelkosten onzorgvuldig en niet representatief is, omdat [onderneming] ten onrechte zou zijn uitgegaan van volledige vervanging van een aantal ramen en kozijnen. [gedaagde] heeft echter geen stukken overgelegd om te onderbouwen dat de wijze van begroting of berekening van herstelkosten door [onderneming] onjuist is. Hij heeft geen aanknopingspunten gegeven op grond waarvan de kantonrechter de begroting van de deskundige zou kunnen verwerpen. De kantonrechter neemt daarom ook de begroting van de herstelkosten van de deskundige over.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op verrekening. [gedaagde] stelt namelijk dat hij op grond van de overeenkomst nog recht heeft op betaling van € 3.804,00 van [eiser sub 2] c.s., plus een bedrag van € 1.200,00 aan geleverde materialen en dat dit bedrag voldoende is om de werkzaamheden te herstellen en af te ronden.
Het beroep op verrekening slaagt. [eiser sub 2] c.s. heeft er niet voor gekozen om de overeenkomst te ontbinden. Dat betekent dat hij zijn verplichting op grond van de overeenkomst nog steeds moet nakomen. Die overeenkomst houdt in dat [eiser sub 2] c.s. nog de betaling van de factuur van € 3.804,00 verschuldigd is. De kantonrechter zal het bedrag van € 3.804,00 daarom verrekenen met het bedrag aan vervangende schadevergoeding. Dat [gedaagde] materialen voor € 1.200,00 aan [eiser sub 2] c.s. heeft geleverd en dat partijen hebben afgesproken dat [eiser sub 2] c.s. dit bedrag nog extra aan [gedaagde] zou betalen, dat blijkt nergens uit.
Gelet op het bovenstaande wordt een bedrag van (€ 15.742,80 - € 3.804,00 =) € 11.938,80 aan vervangende schadevergoeding toegewezen. [gedaagde] is op 28 november 2025 aangemaand om binnen zeven dagen over te gaan tot betaling van de vervangende schadevergoeding. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Omdat [gedaagde] vanaf 12 december 2025 in verzuim is met de betaling van dit bedrag wordt vanaf die datum de gevorderde wettelijke rente over € 11.938,80 toegewezen.
[gedaagde] moet de expertisekosten betalen
[eiser sub 2] c.s. vordert een bedrag van € 300,00 aan expertisekosten en heeft dit onderbouwd met de factuur van de deskundige. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en zal dit bedrag toewijzen.
[eiser sub 2] c.s. vordert hierover ook de wettelijke rente. Omdat [eiser sub 2] c.s. [gedaagde] niet eerder dan bij het uitbrengen van de dagvaarding heeft aangemaand tot betaling van dit bedrag wordt de wettelijke rente hierover toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 2] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
753,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.912,94
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 2] c.s. te betalen een bedrag van € 11.938,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 12 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 2] c.s. te betalen een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 11 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.912,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.