[verzoekster] B.V., uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: [A] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (het college).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [onderneming] B.V uit [vestigingsplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. M.A. Grapperhaus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen vier besluiten van het college van 16 juni 2026, onderscheidenlijk 15 juni 2026, 15 juni 2026 en 4 juni 2026. Bij deze besluiten heeft het college omgevingsvergunningen verleend voor het bouwen van (vier) bouwblokken die deel uitmaken van nieuwbouwproject Geuzenpark in Hilversum. Bouwblok 6 wordt gerealiseerd aan de [straat] [nummeraanduiding 1] en betreft 18 woningen met kelder, bouwblok 5 aan de [straat] [nummeraanduiding 2] betreft 12 woningen, bouwblok 4 aan de [straat] [nummeraanduiding 1] betreft 28 woningen en bouwblok 3 aan de [straat] [nummeraanduiding 3] betreft 37 appartementen met kelder. Verzoekster is het niet eens met de verleende omgevingsvergunningen en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Omdat de verzoeken kennelijk niet-ontvankelijk zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een (eventueel) bodemgeding.
3. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Ook moet wat verzoekster met haar verzoeken wil bereiken betrekking hebben op de inhoud van het besluit en ook via dat besluit kunnen worden bereikt (materiële connexiteit).
4. In haar verzoeken om voorlopige voorzieningen vraagt verzoekster om schorsing van de verleende omgevingsvergunningen voor zover daarbij graaf-, sloop-, sanerings-, bouwput-, kelder-, funderings-, sonderings-, bemalings- of andere bodemverstorende werkzaamheden mogelijk worden gemaakt. Dergelijke werkzaamheden kunnen er volgens verzoekster namelijk toe leiden dat bodemkundig - en bewijsrechtelijk relevant materiaal verloren gaat in het bodemkundig geschil waarin zij met de gemeente is verwikkeld, vóórdat volledige bewijsborging en brononderzoek heeft plaatsgevonden.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzoeken niet voldoen aan het onder 3 genoemde vereiste van materiële connexiteit. Wat verzoekster wil bereiken heeft geen betrekking op de inhoud van de verleende omgevingsvergunningen. De omgevingsvergunningen zijn (uitsluitend) verleend voor de bouwactiviteit technisch en de bouwactiviteit omgevingsplan. Dat betekent dat schorsing van de verleende omgevingsvergunningen niet voorkomt dat de door verzoekster genoemde bodemverstorende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Uit de verleende omgevingsvergunningen blijkt weliswaar dat de vergunninghouder nog meldingen moet doen van het saneren van de bodem, graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie, maar die meldingsplichten maken geen onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunningen. De verzoeken om voorlopige voorziening kunnen dus niet tot het door verzoekster beoogde doel leiden. De verzoeken zijn daarom niet-ontvankelijk.
6. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat, voor zover verzoekster ook heeft beoogd op te komen tegen het bouwen van de vergunde woningen en appartementen, er geen sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. Uit brieven van de vergunninghouder van 16 juli 2026 en van het door de vergunninghouder ingeschakelde sloopbedrijf van 9 juli 2026 blijkt dat de vergunde activiteiten niet eerder starten dan maart/april/mei 2027. Verder is uit telefonisch contact met een medewerker van het college gebleken dat de bezwaarschriften naar verwachting op 29 oktober 2026 door de commissie bezwaarschriften zullen worden behandeld. Tegen de tijd dat wordt gestart met de vergunde activiteiten in het voorjaar van 2027 zal het college al beslissingen op de bezwaren hebben genomen.
Conclusie en gevolgen
7. De verzoeken zijn kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de verzoeken niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: