ECLI:NL:RBMNE:2026:6125

ECLI:NL:RBMNE:2026:6125

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer UTR 25/3410
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Verkeersbeluit voor reserveren van parkeerplaatsen voor opladen van elektrische auto's. Het beroep is gegrond vanwege motiveringsgebreken maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat de gebreken in beroep zijn hersteld.

Uitspraak

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.A. de Boer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Espeldoorn).

Waar gaat deze zaak over?

Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit van 19 september 2024 van het college voor het reserveren van twee parkeerplaatsen ten behoeve van het opladen van elektrische auto’s nabij de [adres] te [plaats] . Met de beslissing op bezwaar is het college bij het verkeersbesluit gebleven.

Eiseres is het niet eens met het verkeersbesluit en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

De rechter die de zaak op zitting heeft behandeld is niet in staat om binnen de verlengde termijn uitspraak te doen. Het beroep wordt daarom nu behandeld door mr. G. Schnitzler. De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij toestemming geven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Eiseres heeft daar toestemming voor gegeven en het college heeft niet gereageerd. De rechtbank sluit daarom nu het onderzoek en doet uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft dit gebrek in beroep hersteld door alsnog een toereikende motivering te geven. Dit betekent dat eiseres gedeeltelijk gelijk krijgt en dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Bestreden besluitvorming

2. Het college heeft op 19 september 2024 het verkeersbesluit bekendgemaakt in het Gemeenteblad waarbij twee parkeerplaatsen zijn gereserveerd voor het opladen van elektrische auto’s nabij [adres] te [plaats] (de locatie) door het plaatsen van het bord E8c, volgens bijlage I van het RVV 1990. Dit is gebeurd op verzoek van (toekoemstige) ‘e-rijders’.

3. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard en is het verkeersbesluit in stand gelaten.

Toetsingskader

4. Het bestreden besluit is een verkeersbesluit. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De bestuursrechter beoordeelt dus niet of het college de best mogelijke beslissing heeft genomen en of hij zelf tot eenzelfde besluit was gekomen.

5. Het college heeft invulling gegeven aan de beleidsruimte door het maken van beleidsregels. Voor het plaatsen van laadpalen heeft het college ‘Uitgangspunten en werkwijze laadpalen gemeente Gooise Meren 2024 (de Beleidsregels)’ vastgesteld. Het college heeft het verkeersbesluit op de Beleidsregels gebaseerd.

Voorwaarden uitbreiding laadnetwerk

6. Eiseres is het niet eens met het verkeersbesluit en voert daartoe een aantal gronden aan. Als eerste grond voert eiseres aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan de criteria voor uitbreiding van het laadnetwerk, zoals opgenomen in paragraaf 5.1.3 van de Beleidsregels, is voldaan. Volgens eiseres is niet inzichtelijk gemaakt wat de afstand is tot bestaande laadpalen en evenmin of de bezettingsgraad en het afzetvolume van nabijgelegen laadpalen de in de Beleidsregels genoemde normen overschrijden. Eiseres stelt dat zich in en rond de Papaverstraat al meerdere laadpalen bevinden en dat niet is aangetoond dat de afstandsnorm van 200 meter voor de verzoeker wordt overschreden. Ook is volgens haar niet inzichtelijk gemaakt dat de bezettingsgraad en het afzetvolume van bestaande laadpalen boven de norm liggen. Het besluit bevat geen concrete gebruiksgegevens.

7. De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. In het bestreden besluit is weliswaar verwezen naar de Beleidsregels, maar het college heeft niet concreet inzichtelijk gemaakt wat de afstand voor de verzoeker is tot bestaande laadpalen en evenmin of de bezettingsgraad en het afzetvolume van nabijgelegen laadpalen de in de Beleidsregels genoemde normen overschrijden. Daarmee is niet controleerbaar of is voldaan aan de voorwaarden voor uitbreiding van het laadnetwerk. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en zal het bestreden besluit vernietigen.

8. Op basis van wat in het verweerschrift is toegelicht en de nadere informatie die na de zitting is overgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Het college heeft daarmee het geconstateerde motiveringsgebrek namelijk hersteld. De rechtbank legt het oordeel hierna uit.

9. Het college heeft toegelicht dat zich binnen een straal van 200 meter van de woning van de verzoeker acht laadpalen bevinden en dat bij al deze laadpalen zowel de bezettingsgraad (gemiddeld meer dan 40% in de avondperiode) als het afzetvolume (meer dan 1.000 kWh per maand) gedurende ten minste drie maanden boven de norm ligt. Daarnaast heeft het college aangegeven dat een hercontrole over de periode maart tot en met mei 2025 eveneens heeft bevestigd dat deze normen worden overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze gegevens te twijfelen. Daarmee heeft het college in beroep alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt dat aan de voorwaarden uit de Beleidsregels voor uitbreiding van het laadnetwerk is voldaan. Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit is hiermee hersteld.

Spreiding laadpalen

10. Eiseres voert als tweede grond aan dat de plaatsing van de laadpaal in strijd is met paragraaf 5.5 van de Beleidsregels, waarin spreiding van laadpalen als uitgangspunt is opgenomen. Volgens eiseres bevinden zich in de Papaverstraat en directe omgeving al zes laadpalen, terwijl de straat minder dan 300 meter lang is. Door plaatsing van een zevende laadpaal wordt volgens haar afgeweken van het uitgangspunt van spreiding.

11. Uit paragraaf 5.5. van de Beleidsregels volgt dat spreiding van laadpalen het uitgangspunt is, maar dat dit geen harde norm betreft. In dezelfde paragraaf staat namelijk dat clustering mogelijk is en dat in dat geval het maximale aantal laadpalen zoals door de MRA-E voorgeschreven naast elkaar worden geplaatst. Het college heeft bij de keuze van de locatie beoordelingsruimte, waardoor de rechtbank terughoudend toetst of het college in redelijkheid tot deze keuze heeft kunnen komen.

12. Het bestreden besluit zelf bevat geen expliciete en concrete afweging over de spreiding van laadpalen op de locatie. Ook daarom is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Hierin ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand te laten. Het college heeft namelijk in het verweerschrift ook de locatiekeuze voldoende toegelicht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

13. In het verweerschrift heeft het college erkend dat het aantal laadpalen binnen een straal van 300 meter relatief hoog is. Het college heeft uitgelegd dat dit komt door het hoge aantal aanvragen en het intensieve gebruik van bestaande laadpalen in het betreffende deel van Bussum. Ook heeft het college toegelicht dat laadpalen veelal op hoeken van straten worden geplaatst, waardoor deze ook voor omliggende straten beschikbaar zijn. De rechtbank vindt deze uitleg navolgbaar. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat uit de stukken blijkt dat de bestaande laadpalen intensief worden gebruikt en dat aan de voorwaarden voor uitbreiding van het laadnetwerk is voldaan. Onder deze omstandigheden is het niet onredelijk dat in een gebied met een relatief hoge vraag meerdere laadvoorzieningen dicht bij elkaar worden gerealiseerd. Dat mogelijk ook andere locaties denkbaar zijn of dat in andere straten minder laadpalen aanwezig zijn, maakt dit niet anders.

Alternatieve locaties

14. Eiseres voert aan dat in nabijgelegen straten, waaronder de [straat] , [straat] en [straat] , geschiktere en minder belastende locaties beschikbaar zijn voor de plaatsing van de laadpaal.

15. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft toegelicht dat de gekozen locatie voldoet aan de voorwaarden uit de Beleidsregels, waaronder de maximale loopafstand van 200 meter tot de woning van de verzoeker. Het college heeft aangegeven dat verplaatsing naar de door eiseres genoemde alternatieven in strijd kan zijn met deze afstandsnorm. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar stelling dat de genoemde alternatieven geschikter en minder belastend zijn, onvoldoende concreet en objectief heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat sprake is van een evident beter en gelijkwaardig alternatief binnen de geldende beleidskaders. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen volstaan met de keuze voor de voorliggende locatie. Dat de laadpaal mogelijk ook op een andere plek had kunnen worden gerealiseerd, is onvoldoende om te oordelen dat het college deze alternatieven nader had moeten onderzoeken.

Alle informatie betrokken

16. Eiseres voert aan dat de door haar op 2 maart 2025 aangeleverde informatie over bestaande laadpalen en de concentratie daarvan niet is betrokken bij de besluitvorming. Dat is in strijd met artikel 3:2 en 7:11 van de Awb.

17. Het college heeft erkend dat de door eiseres aangeleverde informatie niet (meer) in het dossier aanwezig is en dat dit als onzorgvuldig kan worden aangemerkt. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand te laten. Daarbij is van belang dat de door eiseres aangeleverde informatie, zoals door partijen is toegelicht op zitting, grotendeels een herhaling vormt van reeds aangevoerde standpunten over de aanwezigheid en concentratie van laadpalen in de omgeving. Niet is gebleken dat deze informatie nieuwe of wezenlijk andere feiten bevat die tot een andere beoordeling hadden kunnen leiden. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat eiseres door het ontbreken van deze informatie in het dossier is benadeeld of dat het college, indien deze informatie wel kenbaar was betrokken, tot een ander besluit zou zijn gekomen.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebreken. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat het college de gebreken in beroep heeft hersteld. Dat betekent dat de gevolgen van het verkeersbesluit, het reserveren van twee parkeerplekken voor het opladen van elektrische auto’s bij de locatie, in stand blijven.

19. Omdat het beroep gegrond is, moet het college wel het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college daarnaast in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. Daarbij is uitgegaan van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Schnitzler

Griffier

  • mr. A. Wilpstra-Foppen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand