RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/615833 / FZ RK 26-658
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
aanvankelijk verblijvend bij Stichting OLVG, locatie [locatie 1] in [plaats] ,
nu verblijvend bij GGz Centraal, locatie [locatie 2] in [plaats] ,
advocaat: mr. T. Geerdink.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank Amsterdam heeft op 3 augustus 2026 het verzoekschrift met bijlagen ontvangen.
De rechtbank Amsterdam bij beschikking van 5 augustus 2026 de behandeling van het onderhavige verzoek verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.
De rechtbank heeft daarna geen verdere stukken meer ontvangen.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
[A] , psychiater.
Verder was een begeleider van de afdeling bij de zitting aanwezig,
2. Wat vaststaat
Betrokkene verblijft met een crisismaatregel bij GGz Centraal, locatie [locatie 2] in [plaats] . De burgemeester van de gemeente Amsterdam heeft de crisismaatregel op 3 augustus 2026 afgegeven.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.
4. De beoordeling
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Er is namelijk niet voldaan alle voorwaarden voor de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
De advocaat heeft verzocht het verzoek af te wijzen. Er is al eerder verplichte zorg ingezet voor betrokkene, telkens op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd). Ook op dit moment heeft de psychische stoornis niet de overhand, waardoor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel niet het juiste middel is om verplichte zorg aan betrokkene te verlenen. De advocaat erkent de zorgen die er zijn rondom betrokkene en realiseert zich dat betrokkene zonder de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel op straat zal komen te staan, maar de juridische grondslag voor het verlenen van verplichte zorg moet wel juist zijn. Eventueel zou er tijdelijke verplichte zorg ingezet kunnen worden, zodat een opname op grond van de Wzd voorbereid en gerealiseerd kan worden.
Volgens de psychiater is er bij betrokkene sprake van een mengbeeld in de problematiek. De verstandelijke beperking is voorliggend, maar er zijn wel degelijk signalen van een psychiatrische stoornis. Voor deze stoornis wordt betrokkene ook ingesteld op medicatie. De psychiater is van mening dat het voor betrokkene beter is om op een instelling voor verstandelijk gehandicapten (hierna: VG-instelling) te verblijven. Echter, er zijn inmiddels al meer dan vijftig VG-instellingen gevraagd om zorg voor betrokkene te verlenen, waaruit tot op heden geen positief resultaat is voortgekomen. Hoewel betrokkene bij een afwijzing van het verzoek op korte termijn nog vrijwillig bij [locatie 2] kan verblijven (onder meer voor het afronden van de antibioticakuur voor zijn dubbele longontsteking), zal hij dus daarna op straat komen te staan. Gezien zijn zorgbehoefte en zijn stoornis(sen) is een afwijzing van het verzoek dus niet in zijn belang.
Wanneer er sprake is van een samenloop tussen psychische stoornis en een verstandelijke beperking, moet de rechtbank toetsen welke problematiek op dit moment ‘voorliggend’ is. De onafhankelijk psychiater is in de medische verklaring van 3 augustus 2026 tot de (voorlopige) diagnose van een psychotische stoornis gekomen. Desondanks heeft de behandelend psychiater op de zitting verklaard dat er bij betrokkene weliswaar psychotische kenmerken zichtbaar zijn, maar dat er (vermoedelijk) geen sprake is van een psychose in engere zin. Bovendien is de verstandelijke beperking voorliggend. Dit betekent dat niet de Wvggz maar de Wzd de juiste juridische route voor het verlenen van verplichte zorg voor betrokkene is.
De rechtbank is niet blind voor de zorgen rondom betrokkene en ziet in dat betrokkene een grote zorgbehoefte heeft door zijn kwetsbare lichamelijk gezondheid vanwege de longontsteking, zijn verstandelijke beperking en zijn psychotische kenmerken. Bovendien is er een grote kans dat betrokkene bij een afwijzing van het verzoek op straat zal komen te staan. Desondanks zal de rechtbank het verzoek voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel afwijzen. De rechtbank is immers gebonden aan de wet en de wet geeft in deze situatie geen ruimte voor een belangenafweging. In dit geval is er daarom geen mogelijkheid om anders te beslissen.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026 door mr. M. Weistra, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather, griffier en op schrift gesteld op 11 augustus 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.