[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Waar gaat deze zaak over?
Eiser heeft op 12 februari 2020 een verzoek ingediend voor herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag (KOT) voor de jaren 2013 tot en met 2020. Dienst Toeslagen heeft in 2021 en 2022 zes verschillende besluiten genomen over de compensatie. In totaal heeft Dienst Toeslagen een compensatie van € 29.093,-. toegekend voor de jaren 2016 en 2017. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft Dienst Toeslagen het compensatiebedrag opnieuw berekend op € 32.483,-.
Eiser is het niet eens met de hoogte van de compensatie en heeft beroep ingesteld.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
De rechter die de zaak op zitting heeft behandeld is niet in staat om binnen de verlengde termijn uitspraak te doen. Het beroep wordt daarom nu behandeld door mr. G. Schnitzler. De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij toestemming geven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Eiseres heeft daarvoor toestemming gegeven. Dienst Toeslagen heeft daar niet op gereageerd, waardoor automatisch toestemming is gegeven. De rechtbank sluit daarom nu het onderzoek en doet uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De beroepsgronden slagen niet. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bestreden besluitvorming
2. Eiser heeft zich op 12 februari 2020 gemeld bij Dienst Toeslagen en een verzoek ingediend voor herbeoordeling van zijn KOT.
3. Bij besluit van 30 april 2021 is aan eiser een bedrag van € 30.000,- toegekend. Bij de integrale herbeoordeling is het bedrag aan compensatie berekend op € 29.093,-, waardoor de totale vergoeding € 30.000,- blijft. Bij het bestreden besluit is het totale compensatiebedrag vastgesteld op € 32.483,-, waardoor er een nabetaling van € 2.483,- heeft plaatsgevonden.
Procedure
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiser is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dienst Toeslagen heeft enkel verwezen naar het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) en niet voldaan aan de vergewisplicht. Ook is geen sprake van een heroverweging in bezwaar zoals bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgens eiser. Verder voert eiser aan dat Dienst Toeslagen niet heeft voldaan aan zijn begeleidingsplicht en dat hij in zijn bewijspositie is geschaad.
5. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen bij de motivering van de beslissing op bezwaar mocht verwijzen naar een advies van een adviescommissie. Dit kan als Dienst Toeslagen zich ervan heeft vergewist dat dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen en de motivering kan dragen. Het BAC-advies is voldoende inzichtelijk en concludent en bevat geen tegenstrijdigheden. Eiser heeft niet nader onderbouwd, waarom het advies niet gevolgd mocht worden.
6. De rechtbank is ook van oordeel dat Dienst Toeslagen wel een heroverweging heeft gemaakt van de primaire besluiten. Uit het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende dossier blijkt dat een inhoudelijke (her)beoordeling heeft plaatsgevonden van alle relevante feiten en omstandigheden. Dat blijkt ook uit het feit dat in bezwaar tot een andere, hogere, vergoeding is gekomen. Daarbij heeft Dienst Toeslagen ook de belangen van eiser betrokken.
7. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet heeft geconcretiseerd in welke zin Dienst Toeslagen niet heeft voldaan aan haar begeleidingsplicht bij zijn aanvraag om compensatie. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat een persoonlijk zaakbehandelaar betrokken is geweest bij het opbouwen van het dossier en dat eiser werd bijgestaan door een professionele gemachtigde. De rechtbank is niet gebleken dat eiser in zijn bewijspositie is geschaad. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
Toeslagjaren 2014, 2015 en 2018
8. Eiser is het niet eens met de hoogte van de compensatie. Dienst Toeslagen heeft onvoldoende gemotiveerd dat hij voor de jaren 2014, 2015 en 2018 niet in aanmerking komt voor compensatie. Er was sprake van een structureel toezichtspatroon dat zich heeft uitgestrekt over meerdere toeslagjaren. Het CAF-onderzoek 1513 Tyndrum kan niet kunstmatig per toeslagjaar worden opgeknipt. Ook is de stopzetting van de kinderopvangtoeslag in 2014 mogelijk beïnvloed door het toezicht. Eiser voert verder aan dat sprake is geweest van een brede uitvraag van bewijsstukken in 2018. Ten aanzien van het jaar 2018 stelt eiser dat het ontbreken van geregistreerde opvang het gevolg kan zijn geweest van ontmoediging en verlies van vertrouwen als gevolg van eerder toezicht.
Toetsingskader
9. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres heeft geleden als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt.
Oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat per toeslagjaar afzonderlijk wordt beoordeeld of recht bestaat op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Dat volgens eiser ook recht op compensatie bestaat over andere jaren dan 2016 en 2017 omdat sprake was van een structureel toezicht patroon volgt de rechtbank niet. Hierna gaat de rechtbank in op de afzonderlijke toeslagjaren.
11. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen duidelijk heeft gemotiveerd waarom voor het toeslagjaar 2014 geen sprake is van institutionele vooringenomenheid. Uit het dossier volgt dat de neerwaartse bijstelling in 2014 het gevolg was van een door eiser zelf doorgegeven stopzetting per 24 juni 2014, voorafgaand aan de aanvang van het CAF-onderzoek. De bijstelling kan daar dus niet het gevolg van zijn geweest.
12. Ook heeft Dienst Toeslagen duidelijk aangegeven waarom voor het toeslagjaar 2015 geen sprake is van institutionele vooringenomenheid. Over dit jaar is namelijk geen sprake van het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag. Daarom is er over dit jaar ook geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, van de Wht.
13. Dienst Toeslagen heeft over het toeslagjaar 2018 ook voldoende uitgelegd waarom er geen reden is voor compensatie over dat jaar. Uit het dossier volgt namelijk dat in 2018 geen sprake was van geregistreerde kinderopvang. De reden waarom geen gebruik is gemaakt van een geregistreerde kinderopvang is in dit kader niet van belang. Daarom komt eiser voor het toeslagjaar 2018 al niet in aanmerking voor compensatie. Verder blijkt uit het dossier dat geen sprake is geweest van een zogeheten brede uitvraag. Er is namelijk één keer een informatieverzoek gestuurd, waarna een rappelbrief is gestuurd. Dienst Toeslagen heeft hierover terecht gesteld dat dit niet valt aan te merken als een brede uitvraag.
14. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Dienst Toeslagen zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2018 geen sprake is van institutionele vooringenomenheid. Dienst Toeslagen heeft dit in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
15. Eiser voert verder aan dat Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen. In dit verband voert eiser aan dat hij zijn woning moest verkopen en ernstige financiële en psychische schade heeft ondervonden.
16. De rechtbank stelt voorop dat de hardheidsclausule alleen kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven.
16. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen terecht geen reden heeft gezien om de hardheidsclausule toe te passen. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, kunnen worden betrokken bij een verzoek tot aanvullende schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 2.1., derde lid, van de Wht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Redelijke termijn
18. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn.
19. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
20. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door Dienst Toeslagen is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
21. De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 3 maart 2022 tot deze uitspraak vier jaar en ruim vijf maanden. Dit is een overschrijding van twee jaar en ruim vijf maanden en twee dagen. Dienst Toeslagen heeft op 18 maart 2025 een beslissing op bezwaar genomen, vervolgens heeft eiser op 29 april 2025 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het beroep van eiser. Dit betekent dat de overschrijding van twee jaar en ruim vijf maanden volledig voor rekening van Dienst Toeslagen komt.
22. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiser toe te kennen vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade € 2.500,-.
Conclusie en gevolgen
23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.
24. De overschrijding van de redelijke termijn is aan Dienst Toeslagen toe te rekenen. Dienst Toeslagen moet daarom het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Ook moet Dienst Toeslagen de proceskosten vergoeden die eiser heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze proceskosten bedragen met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 467,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt, met een wegingsfactor van 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen van € 2.500,- aan schadevergoeding aan eiser;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen aan eiser een bedrag van € 53,- aan griffierecht vergoedt;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.