RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats], verzoeker
de burgemeester van de gemeente Utrecht
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6134
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
(gemachtigde: mr. D. van Tilborg).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit om het rijbewijs van verzoeker ongeldig te verklaren. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de burgemeester die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. De burgemeester heeft met het besluit van 9 januari 2026 het rijbewijs van verzoeker per 16 januari 2026 ongeldig verklaard. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 op het bezwaar van verzoeker is de burgemeester bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Verzoeker heeft op 25 augustus 2026 nog een reactie ingediend op het verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker,
M. Abouzarad als tolk en de gemachtigde van de burgemeester. Namens de burgemeester waren aanwezig [A] en mr. [B] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het besluit
3. Op 19 februari 2024 heeft verzoeker een rijbewijs met categorieën AM en B aangevraagd, welke is verleend door de burgemeester. Op 10 maart 2025 heeft verzoeker om vervanging van dit rijbewijs gevraagd wegens verlies of diefstal. Ook dit rijbewijs is aan verzoeker afgegeven. Op een later moment is uit een controle gebleken dat verzoeker op het moment van de aanvraag van, zowel het eerste rijbewijs als het vervangende rijbewijs, geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met d en i van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit schrijft artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) wel voor. Daarom is het rijbewijs ongeldig verklaard op grond artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw. In dat artikel staat namelijk vermeld dat een rijbewijs ongeldig wordt verklaard, indien na afgifte daarvan blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven.
Geen voorlopig oordeel over de uitkomst van de procedure, maar wel een belangenafweging
4. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker niet betwist dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met d en i van de Vw. Ook betwist verzoeker niet dat de artikelen 111 en 124 van de Wvw dwingendrechtelijk zijn geformuleerd, waardoor de burgemeester geen beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van die artikelen.
5. De voorzieningenrechter constateert op basis van de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken dat verzoeker en de burgemeester wel zijn verdeeld over de vraag of artikel 111 van de Wvw in strijd komt met de Rijbewijsrichtlijn, (het nuttig effect van de) Opvangrichtlijn, artikel 21 van het Handvest én ook over de vraag of artikel 111 van de Wvw of het daarop gebaseerde besluit in strijd komt met Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De standpunten daarover zijn principieel van aard.
6. De standpunten gaan onder meer over het doel en de totstandkoming van de Rijbewijsrichtlijn en de mate waarin deze richtlijn de mogelijkheid beperkt of reguleert om voorwaarden te stellen zoals die zijn opgenomen in artikel 111 van de Wvw. Ook zijn partijen verdeeld over de vraag of het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in deze zaak een rol kunnen spelen. De burgemeester stelt zich primair op het standpunt dat dit niet het geval is, terwijl verzoeker onder verwijzing naar verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie zich op het standpunt stelt dat dit wel degelijk een rol kan spelen. In het verlengde daarvan zijn partijen in de stukken en op de zitting ook uitgebreid in gegaan op het doel van artikel 111 van de Wvw en het daarin gemaakte onderscheid tussen de verschillende verblijfsstatussen van vreemdelingen als bedoeld in artikel 8 van de Vw. Op de zitting is in dat kader ook gesproken over de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 111 van de Wvw. Bovendien heeft verzoeker opgemerkt dat de zaak mogelijk aanleiding biedt om prejudiciële vragen te stellen en daartoe voorstellen gedaan.
7. Beide partijen hebben op de zitting ook gewezen op de korte termijnen om de voor deze procedure benodigde stukken op te stellen en op de omstandigheid dat nader onderzoek naar door de andere partij opgeworpen punten mogelijk noodzakelijk zal zijn. Bovendien heeft verzoeker opgemerkt dat – mede gelet op het verweerschrift – niet is uit te sluiten dat aanvullende gronden worden opgesteld.
8. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de geschilpunten die aan de orde zijn in deze procedure zich niet lenen voor afdoening door een rechter in een voorlopige voorzieningenprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in ieder geval niet direct vanzelfsprekend dat verzoeker geen recht heeft op de afgifte van een rijbewijs. De voorzieningenrechter geeft dan ook verder geen voorlopig oordeel over de uitkomst van de procedure.
9. De voorzieningenrechter weegt wél de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de burgemeester die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af, om te bekijken of er desondanks een voorziening moet worden getroffen.
10. De burgemeester heeft voor het belang van de toepassing van artikel 111 van de Wvw en het ongeldig verklaren van het rijbewijs, gewezen op het koppelingsbeginsel dat is neergelegd in artikel 10, eerste lid, van de Vw en rechtspraak daarover van de Afdeling. Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, zoals dat uit artikel 10, eerste lid, van de Vw volgt, bestaat volgens die rechtspraak in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Met dit onderscheid wordt een legitiem doel gediend. Immers, met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.
11. Verzoeker heeft tijdens de zitting uitgelegd dat hij een groot belang heeft bij de teruggave van zijn rijbewijs, omdat hij weer aan het werk wil. Verzoeker mag in afwachting van een antwoord op zijn asielprocedure werken en deed dit al twee jaar als chauffeur. Dit werk kan hij nu niet uitvoeren. Op de zitting heeft hij naar voren gebracht dat hij van zijn werkgever weer aan het werk mag, zodra hij zijn rijbewijs terug heeft. Verzoeker heeft ook geprobeerd om elders te solliciteren, maar wordt helaas nergens anders aangenomen. Ook heeft verzoeker er op de zitting op gewezen dat hij een aantal schulden heeft. Door zijn werk als chauffeur verdiende hij geld om zijn schulden af te betalen.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester om de doelen te dienen die voortvloeien uit het koppelingsbeginsel. Daarbij hecht de rechtbank er sterk aan dat verzoeker bijna twee jaar over een rijbewijs heeft beschikt, waardoor die belangen van de burgemeester in dit concrete geval sterk genuanceerd moeten worden. De duidelijke belangen van verzoeker moeten daarom voor nu zwaarder wegen.
13. De burgemeester heeft op de zitting nog gewezen op het belang van duidelijkheid voor de uitvoeringspraktijk hoe om te gaan met artikel 111 van de Wvw. Maar dit belang aan duidelijkheid kan op zich niet met een uitspraak op het verzoek worden gediend. Ook als de voorzieningenrechter wel tot een beoordeling van de voorliggende geschilpunten was gekomen, was dit een voorlopig oordeel geweest die niet bindend is voor de beoordeling van het beroep.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt geschort tot de uitspraak op het beroep en dat verzoeker behandeld dient te worden als ware hij in het bezit van een geldig rijbewijs.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: