[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser, ontvangen door de rechtbank Amsterdam op 9 april 2026 en doorgezonden naar deze rechtbank op 17 april 2026.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen kopie van het bestreden besluit heeft bijgevoegd en dat verzuim niet (tijdig) heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Iemand die beroep instelt, moet bij zijn beroepschrift zo mogelijk een kopie van het bestreden besluit bijvoegen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
4. Eiser heeft geen kopie van het bestreden besluit bijgevoegd. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 30 april 2026 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Eiser heeft binnen die termijn geen kopie van het bestreden besluit aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft eiser op 1 juni 2026 nogmaals verzocht om een kopie van het bestreden besluit op te sturen. Deze brief is aangetekend verzonden. Eiser heeft ook op deze brief niet gereageerd. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.