ECLI:NL:RBMNE:2026:6195

ECLI:NL:RBMNE:2026:6195

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer UTR 25/6272
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Volgt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/6272

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats 2] , vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. ing. A. ten Dam).

1. Vergunninghoudster is eigenaar van het voormalige postkantoor aan de [adres 1] in [plaats 1] . Zij wil het gebouw dat is aangewezen als gemeentelijk monument transformeren naar appartementen en heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor woongebruik, in afwijking van het bestemmingsplan. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend, met daaraan verbonden het voorschrift dat bij de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit (bouwactiviteit) moet worden aangetoond dat het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de ontwikkeling aanwezig is. Eiseres woont in de straat achter het postkantoor en vreest voor een tekort aan parkeerplaatsen met parkeeroverlast in haar directe woon- en leefomgeving tot gevolg. Volgens eiseres schuift het college de beoordeling van het aspect parkeren ten onrechte door, terwijl de parkeerbehoefte een gevolg is van de beoogde functiewijziging. Daarnaast voert eiseres aan dat het bouwplan onuitvoerbaar is, omdat het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning met het daaraan verbonden voorschrift heeft kunnen verlenen, omdat zij geen beletsel ziet in de wijze waarop de beoordeling of in de parkeerbehoefte wordt voorzien is doorgeschoven naar de nog vereiste omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen. Ook is de rechtbank niet gebleken van onuitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning, omdat de afdeling erfgoed op voorhand geen onoverkomelijke belemmeringen ziet voor het verlenen van de nog benodigde omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het wijzigingen van het gemeentelijk monument. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

3. Vergunninghoudster heeft op 22 december 2023 een aanvraag ingediend voor het

transformeren van de bedrijfsbestemming van het voormalige postkantoor aan de [adres 1] in [plaats 1] naar wonen/woonzorg. Het aantal appartementen ligt nog niet vast, maar de schatting ligt op 23. De aanvraag is ingediend voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, waardoor het college de aanvraag heeft opgevat als een verzoek om een omgevingsvergunning te verlenen om in afwijking van het bestemmingsplan het voormalig postkantoor te gebruiken als woongebouw. De omgevingsvergunning is met het besluit van 12 december 2024 (het primaire besluit) verleend, waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt. Eiseres woont aan de [adres 2] in [plaats 1] (achter het voormalige postkantoor). Eiseres is niet tegen bewoning van het gebouw, maar wil dat de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkeling zorgvuldig beoordeeld wordt om parkeeroverlast in haar woonomgeving te voorkomen. Met het besluit van 24 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college onder toevoeging van een voorschrift met de voorwaarde over parkeren bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.

4. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft schriftelijk gereageerd en verklaard dat zij zich aansluit bij het verweerschrift van het college.

5. De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en namens vergunninghoudster de gemachtigde, vergezeld door [A] (projectontwikkelaar) en [B] (eigenaar) die digitaal aan de zitting heeft deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht

6. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing. De Wabo bepaalt dat de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor draagt dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking hiervan kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan is voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend. Dat heeft vergunninghoudster gedaan.

De beoordeling van de aanvraag door het college

7. Het voormalige postkantoor is gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Oudere Dorp’, op grond waarvan op de locatie de bestemming ‘Bedrijf-2’ rust. De voor ‘Bedrijf-2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’. Omdat woongebruik in strijd is met de bij de bestemming behorende planregels, heeft het college beoordeeld of hij daarvan wil afwijken. Het college heeft besloten een omgevingsvergunning te verlenen voor het woongebruik met toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling, omdat woongebruik volgens het college in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

8. Op de locatie is ook het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeernormen Gooise Meren’ (paraplubestemmingsplan) van toepassing. Daarin is bepaald dat een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet mag worden gebouwd wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Bij een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in het parkeerbeleid van de gemeente Gooise Meren. De werkwijze en uitgangspunten die de gemeente toepast om te kunnen bepalen of aan de parkeereis wordt voldaan, volgen uit de beleidsregels ‘Uitgangspunten en werkwijze parkeereis Gooise Meren 2023’ (hierna: de beleidsregels). Bij een omgevingsvergunning kan, indien nodig, worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid (binnenplanse afwijking).

9. Niet in geschil is dat als gevolg van de transformatie van het gebouw naar wonen de vraag naar het aantal parkeerplaatsen toeneemt. Bij de berekening van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling is vooralsnog uitgegaan van het conceptontwerp met 23 appartementen, waarvoor in totaal 25 parkeerplaatsen nodig zijn. De beleidsregels bieden de mogelijkheid om geen parkeervergunningen meer af te geven, waardoor gerekend mag worden met een reductie in de parkeervraag. Als er geen parkeervergunningen worden verstrekt, dan zijn er volgens het college op grond van de beleidsregels in totaal 10 parkeerplaatsen nodig. Omdat binnen de omgeving genoeg ruimte is voor dit aantal parkeerplaatsen, heeft het college de aanvraag in het primaire besluit in overeenstemming geacht met de parkeereis uit het paraplubestemmingsplan. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres zijn nadere parkeermetingen verricht. Die metingen hebben geleid tot het verbinden van het volgende voorschrift aan de omgevingsvergunning:

Nadere metingen hebben uitgewezen dat het project in ongewijzigde vorm zal leiden tot een te hoge bezettingsgraad in de maatgevende periode koopavond. Daardoor is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Er dient te worden voorkomen dat de vraag naar parkeerplaatsen in de openbare ruimte, als gevolg van deze ontwikkeling, stijgt. Dit kan bijvoorbeeld door private parkeerplaatsen bij derden aan te bieden binnen de maximale loopafstand (300 meter). Het gaat hier om het volledige aantal parkeerplaatsen nodig voor de ontwikkeling en dit zal bij de aanvraag omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ moeten worden aangetoond. In die aanvraagprocedure zal de ontwikkelaar aan moeten tonen dat het bouwplan voldoet aan het paraplubestemmingsplan ‘Parkeernormen Gooise Meren’ en de daarbij behorende uitvoeringsregels. De passage ‘niet verstrekken parkeervergunningen’ (p. 5/6) in het primaire besluit, waarin wordt vermeld over het niet verlenen van parkeervergunningen aan toekomstige bewoners van het voormalige postkantoor, is niet meer van toepassing en wordt geschrapt.

10. Vergunninghoudster heeft zich neergelegd bij deze voorwaarde, omdat zij geen bezwaren heeft tegen het realiseren van parkeerplaatsen elders in de omgeving en daartoe op dit moment voldoende mogelijkheden ziet. Zoals vergunninghoudster tijdens de zitting ook heeft bevestigd, berust zij er dus in dat zij in die zin minder vergund heeft gekregen dan waar zij strikt genomen om heeft gevraagd.

Beroepsgrond 1: de aanvraag is in strijd met het paraplubestemmingsplan

11. Eiseres voert aan dat het college met het bestreden besluit een niet alles omvattende beoordeling heeft gemaakt, omdat de vraag of voldaan wordt aan de eis uit het paraplubestemmingsplan dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, is doorgeschoven naar de nog in te dienen aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen (bouwactiviteit). De parkeerbehoefte is volgens eiseres echter een gevolg van de gebruikswijziging naar wonen, waardoor het college dit aspect niet mag doorschuiven. Omdat de aanvraag in strijd is met het paraplubestemmingsplan, en het college dat ook erkent, moet de omgevingsvergunning volgens eiseres alsnog geweigerd worden.

12. De rechtbank gaat er van uit dat partijen er niet over van mening verschillen dat de parkeereis uit het paraplubestemmingsplan ook van toepassing is op de verbouwing en transformatie van het gebouw naar appartementen. De verleende omgevingsvergunning ziet enkel op het toestaan van de voorgenomen gebruikswijziging van het gebouw en niet op de bouwkundige aanpassingen die hiervoor nodig zijn. Het precieze bouwplan voor de aanpassingen van het gebouw is nog in ontwikkeling en de vraag hoeveel parkeerplaatsen exact nodig zijn, hangt af van het aantal appartementen dat uiteindelijk in het definitieve bouwontwerp zal worden opgenomen. Op de omgevingsvergunning die in deze procedure ter beoordeling voorligt is de Wabo nog van toepassing. Op de door vergunninghoudster nog in te dienen aanvraag of aanvragen is echter de Omgevingswet van toepassing. De rechtbank zal hier in haar beoordeling rekening mee houden. De activiteiten waarvoor vergunninghoudster (in ieder geval) nog een omgevingsvergunning nodig heeft, zijn volgens partijen de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen, de omgevingsplanactiviteit voor het veranderen van het gemeentelijk monument en de technische bouwactiviteit.

13. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit een vorm van fasering heeft gekozen waarbij het niet gaat om twee verschillende activiteiten (zoals strijdig planologisch gebruik en bouwen) die gefaseerd (na elkaar) op basis van verschillende aanvragen om omgevingsvergunning worden beoordeeld, maar om één activiteit (strijdig planologisch gebruik) waarvan de beoordeling wordt opgesplitst over twee verschillende aanvragen. Op één aspect (facet, element, onderwerp, etc.), in dit geval neergelegd in een regel van het paraplubestemmingsplan, waarvan de activiteit naar het oordeel van het college op dit moment nog afwijkt (de parkeereis), wordt de beoordeling verlegd naar een volgende omgevingsvergunning die nodig is om de activiteit te verrichten. Het college laat dat aspect dus buiten de besluitvorming, wat betekent dat er op dat punt dus nog geen inhoudelijke beslissing over de toelaatbaarheid van de afwijking is genomen in de vorm van een verlening of weigering. Op zichzelf ziet de rechtbank geen concrete wettelijke belemmering voor het ‘doorschuiven’ van te beoordelen aspecten van één activiteit naar een volgende aanvraag, waarin de betrokken activiteit nader is geconcretiseerd. Als voor een dergelijke knip in de beoordeling van de activiteit strijdig planologisch gebruik al beperkingen in de Wabo zouden hebben bestaan, zijn die naar het oordeel van de rechtbank weggenomen door het feit dat de Omgevingswet inmiddels (op 1 januari 2024) in werking is getreden. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat in samenhang moet worden gelezen met de beoordelingsregels voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit uit paragraaf 8.1.1 van dat besluit.

14. In de nota van toelichting behorend bij artikel 12.27a van het Bkl is vermeld dat met deze bepaling een tekortkoming in het overgangsrecht wordt ondervangen. Dat artikel luidt: bij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Deze bepaling zorgt ervoor dat een onder oud recht (Wabo) verleende omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan, die de planologische basis biedt voor een later nader uit te werken bouwplan, ook onder nieuw recht (de Omgevingswet) een grondslag blijft bieden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor dat nader uitgewerkte bouwplan. Artikel 12.27a van het Bkl bewerkstelligt dat als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in strijd is met de beoordelingsregels uit een omgevingsplan, de gevraagde vergunning op grondslag van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, toch wordt verleend, voor zover vanwege de strijd met die regels al eerder in het kader van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (dus het onder oud recht vastgestelde besluit dat daarmee is gelijkgesteld) is afgewogen dat de betrokken afwijking aanvaardbaar is. Die afweging hoeft dus niet opnieuw te worden gemaakt. Uit de nota van toelichting blijkt verder dat artikel 12.27a van het Bkl ook uitdrukkelijk bedoeld is om onder nieuw recht de mogelijkheid te bieden om een fasering te kunnen aanbrengen in de vergunningverlening voor omgevingsplanactiviteiten. De nota van toelichting vermeldt hierover onder meer het volgende: “De in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een locatieontwikkeling kan bijvoorbeeld al toestemming geven voor bouwrijp maken, kappen van bomen, grondverzet, het aanbrengen van verhardingen en het tot stand brengen van een verkaveling. Ook kan als onderdeel van de vergunning de precieze locatie worden aangewezen waar bouwwerken (bijvoorbeeld woningen) mogen worden gebouwd. Daarbij kan ook al worden aangegeven welke maximale maatvoering de woningen hebben. Naarmate de eerste omgevingsvergunning verder is uitgewerkt, vormt deze nadere uitwerking de basis voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. Voor zover bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk toegestaan, regelt artikel 12.27a, zoals hiervoor al toegelicht, dat voor de betrokken onderdelen van een bouwplan (zoals bijvoorbeeld de plaatsing in een bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) niet opnieuw een afweging hoeft plaats te vinden of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van de tweede vergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin de eerdere vergunning niet voorziet, zoals de beoordeling van de stedenbouwkundige-architectonische detaillering en de toets aan redelijke eisen van welstand.”

15. De rechtbank stelt vast dat artikel 12.27a van het Bkl niet voorziet in een afbakening van aspecten die bij een eerste dan wel een volgende omgevingsvergunning beoordeeld en vergund moeten worden. Het is dus aan de aanvrager en het bevoegd gezag overgelaten om hierin een keuze te maken. Voor een goede toepassing van de faseringsmogelijkheid die artikel 12.27a van het Bkl mogelijk maakt, is het naar het oordeel van de rechtbank wel noodzakelijk dat de aspecten die niet in de beoordeling van de eerste aanvraag worden betrokken, maar pas bij een latere aanvraag worden beoordeeld, daadwerkelijk los van de andere aspecten te beoordelen zijn. Verder is het uit een oogpunt van rechtszekerheid vereist dat er geen onduidelijkheid over bestaat waar de eerst verleende omgevingsvergunning op ziet en vooral waar die niet op ziet. Met het oog op het scheppen van die duidelijkheid kan het noodzakelijk zijn dat met het verbinden van een voorschrift wordt verduidelijkt welke onderdelen van een activiteit (welke fysieke handelingen) nog niet mogen worden verricht (en welke wel) totdat hiervoor een volgende omgevingsvergunning is verleend. Van belang is dus dat het helder is dat er voor het kunnen verrichten van de activiteit (of van onderdelen daarvan) nog een omgevingsvergunning nodig is, waarbij de overige aspecten worden beoordeeld.

16. Als de rechtbank in deze zaak, met inachtneming van de toepassingsmogelijkheden van artikel 12.27a van het Bkl, de blik vooruit werpt zal er (bij het ongewijzigd blijven van de op de locatie geldende regels in het omgevingsplan) voor de verbouw van het voormalige postkantoor in ieder geval nog een omgevingsvergunning nodig zijn op grond van artikel 22.26 van de bruidsschat voor de bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (de omgevingsplanactiviteit). Die omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Het voorgenomen woongebruik van het voormalige postkantoor zal in het kader van die omgevingsplanactiviteit dus opnieuw beoordeeld moeten worden. Daarbij zal het woongebruik wederom in strijd worden geacht met de regels uit het van het omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan ‘Oudere Dorp’. De bouwactiviteiten die ten dienste staan van het met dat bestemmingsplan strijdige gebruik, zullen daardoor eveneens in strijd moeten worden geacht met de planregels, waardoor er ook voor de bouwactiviteit sprake zal zijn van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De omgevingsvergunning hiervoor zal op grond van afdeling 8.1.1 van het Bkl alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en als er (onder meer) geen sprake is van strijd met rijks- en provinciale instructieregels en instructies. De werking van artikel 12.27a van het Bkl leidt er toe dat evenwel het beoogde woongebruik van het gebouw, in overeenstemming wordt geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat hier immers al eerder (de in deze beroepsprocedure ter beoordeling staande, onder de Wabo verleende) omgevingsvergunning voor is verleend. Bij de beoordeling van de aanvraag komt ook de toetsing aan de parkeereis uit het paraplubestemmingsplan (opnieuw) aan de orde. Als het vergunninghoudster niet is gelukt om de beschikking te krijgen over de benodigde extra parkeerplaatsen, zal moeten worden vastgesteld dat ook op dit punt niet wordt voldaan aan de planregels en zal het college moeten afwegen of de vergunning voor deze afwijking met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden verleend. Vergunninghoudster kan het voormalig postkantoor in ieder geval niet voor het beoogde gebruik inrichten en bouwkundige aanpassingen verrichten zolang de volgende omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit hiervoor niet is verleend. Dit is voor alle partijen helder en deze verschillen hierover ook niet van mening.

17. Omdat de omgevingsvergunning die in deze beroepsprocedure voorligt duidelijk aangeeft waar deze op ziet (het woongebruik) en het mede dankzij het aan de vergunning verbonden voorschrift duidelijk is dat nog een beoordeling moet plaatsvinden aan het parkeervereiste, ziet de rechtbank met inachtneming van wat eerder is overwogen, geen belemmeringen voor het doorschuiven van dit aspect van beoordeling naar de volgende aanvraag, op de wijze zoals het college dat heeft gedaan. Mede omdat artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving juist in het leven is geroepen om een dergelijke fasering mogelijk te maken, slaagt de beroepsgrond van eiseres dan ook niet. Bovendien wordt eiseres niet beperkt in haar mogelijkheden om rechtsbescherming aan te wenden doordat de parkeertoets in een latere fase plaatsvindt en zij in rechte tegen de omgevingsvergunning kan opkomen waarin daarover een besluit is genomen. Uiteraard kan de rechtbank zich voorstellen dat het voor een rechtzoekende handiger is als alle activiteiten volledig in één alles omvattende vergunning worden beoordeeld. Behoudens voor wateractiviteiten biedt de Omgevingswet deze mogelijkheid ook. Maar er kunnen voor een aanvrager om een omgevingsvergunning vele redenen zijn waarom dat niet mogelijk of onwenselijk is. De wetgever heeft dit uitgangspunt daarom ook losgelaten in de Omgevingswet.

Beroepsgrond 2: de activiteit is onuitvoerbaar

18. Eiseres voert aan dat het college ook de beoordeling in hoeverre het gemeentelijk monument wordt gewijzigd ten onrechte heeft doorgeschoven naar de nog in te dienen aanvraag voor het wijzigen van het gemeentelijk monument, terwijl het er alle schijn van heeft dat de verleende omgevingsvergunning (de transformatie naar wonen) niet kan worden uitgevoerd, omdat het belang van monumentenzorg zich daartegen verzet.

19. Naar de rechtbank begrijpt erkent eiseres dat voor de monumentenactiviteit nog een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd en dat de aanvraag hiertoe op grond van artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, van de Wabo geen onderdeel hoefde te zijn van de aanvraag voor de omgevingsvergunning die in deze beroepsprocedure voorligt. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiseres dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het belang van de monumentenzorg aan de uitvoerbaarheid in de weg staat en de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan om die reden geweigerd had moeten worden.

20. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Zoals uit het verweerschrift blijkt heeft het college de afwijking van het bestemmingsplan voorgelegd aan de afdeling erfgoed. Vanuit het oogpunt van erfgoed is aangegeven dat het realiseren van woningen in het oude postkantoor mogelijk is. Er is wel nog onvoldoende inzichtelijk wat voor wijzigingen er in het casco aangebracht moeten worden voor de realisatie van de appartementen (qua leidingwerk, rioleringen, brand scheidende voorzieningen, vluchtwegen, detaillering van nieuwe afwerkvloeren en dergelijke). Tevens wordt er in de redengevende omschrijving van het monument gesproken over een grote waarde van de interne ruimtestructuur in de bouwdelen A en C. Uit het voorliggende ontwerp is niet op te maken in hoeverre deze bestaande structuur herkenbaar blijft. Ook is niet inzichtelijk welke wijzigingen er in de buitengevels plaats zullen vinden. Bij het beoordelen van de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen en het wijzigen van het gemeentelijk monument zullen deze aspecten onderdeel zijn van de toetsing, aldus het college. De rechtbank is met deze toelichting niet gebleken dat op voorhand in redelijkheid sprake is van een evident onuitvoerbaar bouwplan. De transformatie is in principe mogelijk, maar afhankelijk van het bouwplan dat vergunninghoudster op een later moment bij het college zal indienen. De beroepsgrond dat de transformatie op voorhand onuitvoerbaar is slaagt derhalve niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor het gebruik van het postkantoor als appartementengebouw in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand