ECLI:NL:RBMNE:2026:6198

ECLI:NL:RBMNE:2026:6198

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 25/2868
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Wet hersteloperatie toeslagen - op de zaak betrekking hebbende stukken

Uitspraak

[eiseres] , uit [plaats] Antwerpen, eiseres

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),

en

Dienst Toeslagen,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag.

In het besluit van 22 april 2022 staat dat Dienst Toeslagen fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de situatie van eiseres over de toeslagjaren 2008 en 2011. Dienst Toeslagen heeft aan eiseres een compensatiebedrag van € 38.915,- toegekend.

Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres, in lijn met het advies van de Bezwaren Adviescommissie (BAC), gedeeltelijk gegrond verklaard. Dienst Toeslagen heeft het compensatiebedrag verhoogd naar € 42.435,- omdat de immateriële schadevergoeding en de rente verkeerd zijn berekend.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag juist heeft uitgevoerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres zoals die zijn besproken op de zitting. De rechtbank stelt vast dat het geschil nog gaat over de door Dienst Toeslagen overgelegde stukken en over de afgewezen compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2010.

Standpunt eiseres

Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft toegezonden. Allereerst wijst eiseres op het nieuws dat er 64 miljoen documenten zijn opgeslagen in een datakluis, waarvan de inhoud nog niet bekend is. Eiseres vindt dat Dienst Toeslagen van deze 64 miljoen documenten alle (werk)instructies, (beleids)documenten, verslagen van overleggen, interne mailwisselingen etc. die haar op welke wijze dan ook raken, in het geding moet brengen. Ook had Dienst Toeslagen volgens eiseres alle stukken die ten grondslag liggen aan het onderzoek naar opzet/grove schuld (O/GS) en het onderzoek naar de plaatsing op een FSV-lijst (Fraude Signalering Voorziening) in het geding moeten brengen. In dit verband wordt gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2026.Eiseres heeft ook aangevoerd dat alle hiervoor genoemde stukken in het kader van emotioneel herstel aan het dossier moeten worden toegevoegd.

Eiseres voert verder aan dat zij mogelijk gedupeerd is in de toeslagjaren 2009 en 2010 vanwege vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. In deze jaren is haar kinderopvangtoeslag namelijk ook naar beneden bijgesteld.

Oordeel van de rechtbank

De op de zaak betrekking hebbende stukken

De rechtbank is van oordeel dat de stukken in de digitale kluis, de O/GS- en de FSV-stukken in dit geval niet zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in de artikelen 7:4, tweede lid, en 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het beroep op dit punt gegrond te verklaren of de behandeling verder aan te houden totdat de stukken alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Daarvoor is het volgende van belang.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt, voor zover hier van belang, dat tot de op de zaak betrekking hebbende stukken ten minste die stukken behoren waarop het bestuursorgaan zijn besluit heeft doen steunen. Stukken waarover het bestuursorgaan de beschikking heeft in verband met de besluitvorming, maar waarop het besluit niet rechtstreeks steunt, hebben als op de zaak betrekking hebbende stukken te gelden als deze stukken gelet op de omvang van het geschil relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het besluit.Niet ter discussie staat dat de stukken waar eiseres om vraagt door Dient Toeslagen niet zijn betrokken in de besluitvorming. Daarom moet beoordeeld worden of de genoemde stukken relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. Alleen dan is Dienst Toeslagen op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht om die stukken alsnog te overleggen.

Het is de rechtbank niet gebleken dat er stukken in de digitale kluis aanwezig zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. Het ligt op de weg van eiseres om in eerste instantie aannemelijk te maken dat er relevante stukken in de datakluis aanwezig kunnen zijn. Daarvoor heeft eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten geboden. Dat de gemachtigde van eiseres op zitting heeft gezegd dat er mogelijk contactmomenten zijn geweest waar verslagen van zijn gemaakt die dan mogelijk in de datakluis zitten, is onvoldoende. Daaruit volgt immers niet waarom die stukken dan relevant zouden kunnen zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit.

De rechtbank ziet in dit geval ook geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen stukken over een eventueel onderzoek naar de kwalificatie O/GS in het geding had moeten brengen. Uit artikel 2.6 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt – kort gezegd – dat een O/GS-tegemoetkoming wordt toegekend als er sprake is geweest van onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan diegene geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. Eiseres heeft geen betalings- of schuldregeling aangevraagd en er is in ieder geval geen sprake geweest van een weigering daarvan. Dat is door eiseres ook niet gesteld. Bij die stand van zaken is het daarom niet aannemelijk dat, als er al stukken zouden zijn, deze stukken relevant zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit.

Voor de FSV-stukken geldt naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde. Het kan in deze niet gaan om stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit, omdat het voor de compensatietoekenning bij de integrale herbeoordeling niet van belang is of eiseres geregistreerd stond in de FSV.

De rechtbank begrijpt de wens van eiseres om, in het kader van haar emotioneel herstel, een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van stukken die op haar betrekking hebben. Dat is echter niet het kader waarin de rechtbank moet beoordelen of Dienst Toeslagen verplicht is stukken in het geding te brengen.

Toeslagjaren 2009 en 2010

De rechtbank stelt het volgende voorop. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Uit de Wht volgt ook wat de kenmerken van vooringenomen handelen zijn, namelijk (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (zachte stop); (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren; (3) het zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken, en (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen met betrekking tot toeslagjaar 2009 en 2010. In het dossier heeft de rechtbank daarvoor geen aanwijzingen gevonden. Uit het dossier blijkt namelijk het volgende. De neerwaartse correctie in toeslagjaar 2009 is het gevolg geweest van een verhuizing van eiseres naar [land] . Eiseres en haar kinderen stonden vanaf 4 september 2009 daar ingeschreven. Dit komt ook overeen met wat eiseres op zitting daarover heeft gezegd. Ook voor toeslagjaar 2010 zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is geweest van vooringenomen handelen. Dienst Toeslagen heeft het voorschot kinderopvangtoeslag aangepast naar nihil omdat er geen kinderopvang is genoten. Eiseres heeft in ieder geval tot september 2010 op [land] verbleven met haar kinderen. Vervolgens heeft eiseres driemaal kinderopvangtoeslag aangevraagd voor twee van haar kinderen per 1 januari 2010 bij [opvang 1] , [opvang 2] en per 1 februari 2010 [opvang 3] . Uit het dossier blijkt dat Dienst Toeslagen met de kinderopvanginstellingen (telefonisch) contact heeft opgenomen en is gebleken dat er geen kinderopvang is afgenomen bij deze kinderopvanginstellingen. Vanaf 1 oktober 2010 heeft eiseres haar kinderen voor opvang naar haar ex-schoonmoeder gebracht. Niet is gebleken dat eiseres voor deze opvang bij haar ex-schoonmoeder als gastouder een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Dienst Toeslagen heeft kunnen oordelen dat eiseres voor 2009 en 2010 niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dus niet voor compensatie in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.E. Pruntel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Schnitzler

Griffier

  • mr. K.E. Pruntel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand