RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/616274 / KG ZA 26-511
Vonnis in kort geding van 8 september 2026
in de zaak van
1. [eisende partij sub 1] ,
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eisende partij sub 1] ,2. [eisende partij sub 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eisende partij sub 2] ,3. [eisende partij sub 3],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eisende partij sub 3] ,4. [eisende partij sub 4],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eisende partij sub 4] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: De Ouders,
advocaat: mr. D.C.F. Verwey,
tegen
BASKER KINDEROPVANG B.V. HODN BASKER - […],
te Nieuwegein,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Basker,
advocaat mr. I.S. Oosterhoff en mr. M. Mulder.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 19
- de producties 1 t/m 33 van Basker- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van De Ouders- de pleitnota van Basker.
2. De kern
Basker is een landelijke kinderopvangorganisatie en heeft onder andere een kinderopvanglocatie in [plaats] . Zij verzorgt ten behoeve van (de kinderen van) De Ouders de kinderopvang op de locatie in [plaats] . Basker heeft op 23 juli 2026 aan De Ouders meegedeeld dat de locatie in [plaats] gaat sluiten per 1 september 2026 (hierna: het Besluit). De Ouders kunnen zich niet vinden in dat Besluit en eisen dat Basker in elk geval een opzegtermijn van 6 maanden moet hanteren of een redelijk alternatief moet bieden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisende partij sub 1] deels toe en deels af. De rechtbank wijst de vorderingen van de overige eisers af. Zij licht haar oordeel hierna toe.
3. De beoordeling
De kinderopvanglocatie in [plaats] maakt sinds 2022 onderdeel uit van Basker, doordat Basker die opvanglocatie toen heeft overgenomen van haar rechtsvoorgangster. De Ouders hebben ieder afzonderlijk met Basker een kinderopvangovereenkomst gesloten (hierna: de Overeenkomst), op grond waarvan Basker kinderopvang op de locatie in [plaats] ten behoeve van (de kinderen van) De Ouders verzorgt. Deze kinderen hebben de leeftijd van 0 tot (ongeveer) 4 jaar. Op de Overeenkomst zijn de algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang versie 2025 (hierna: de algemene voorwaarden Kinderopvang) van toepassing, alsmede de Babilou Family Aanvullende Voorwaarden (hierna: de Babilou voorwaarden). In haar brief aan De Ouders van 27 juli 2026, waarin Basker de sluiting van de locatie [plaats] per 1 september 2026 toelicht, gaat zij in op de achtergrond van het Besluit. Basker legt uit dat het Besluit een gevolg is van een aanhoudend personeelstekort. Zij zegt er alles aan gedaan te hebben om het personeelstekort op te lossen, maar dat is desondanks niet gelukt. Het komt erop neer dat er te weinig gekwalificeerde collega’s zijn om de opvang op een wettelijk verantwoorde manier open te houden.
De Ouders hebben dit kort geding aangespannen omdat ze zich niet kunnen verenigen met het Besluit. De Ouders stellen voorop dat – voor zover de aangekondigde sluiting als opzegging moet worden gezien – een opzegtermijn van 5 weken onredelijk kort is. De gemiddelde wachttijd voor het kunnen plaatsen van een kind bij een andere opvang (in [plaats] ) is ongeveer 6 maanden, zo stellen De Ouders. Het is voor De Ouders dan ook onmogelijk om binnen 5 weken vervangende opvang te regelen. De Ouders vorderen te verklaren voor recht dat Basker een minimale opzegtermijn van 6 maanden hanteert. Omdat in de kortgedingprocedure geen plaats is voor een verklaring voor recht, begrijpt de voorzieningenrechter de vordering van De Ouders zo dat zij primair bij wijze van voorlopige voorziening een (aan Basker op te leggen) verbod vorderen om de kinderopvangovereenkomsten op te zeggen, tenzij Basker een opzegtermijn van 6 maanden (of van een – door de voorzieningenrechter vast te stellen – andere duur) hanteert. In de tweede plaats (naar de voorzieningenrechter begrijpt: voor het geval er een kortere opzegtermijn dan 6 maanden wordt bepaald) vorderen De Ouders dat Basker wordt verplicht een redelijk (op maximaal 10 kilometer van [plaats] gelegen) alternatief aan te bieden. Tenslotte vorderen De Ouders een dwangsom op te leggen, in het geval Basker de met deze vorderingen gewenste veroordelingen niet nakomt.
Voordat de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke behandeling van de zaak toekomt, moet eerst het verweer van Basker worden beoordeeld dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.
[eisende partij sub 1] is niet-ontvankelijk ten aanzien van de primaire en subsidiaire vordering, [eisende partij sub 2] is ontvankelijk in al haar vorderingen.
Volgens Basker zijn [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen, omdat zij het geschil met Basker al hebben voorgelegd aan de Geschillencommissie Kinderopvang. Door zich te wenden tot de Geschillencommissie Kinderopvang, hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] afstand gedaan van de mogelijkheid om het geschil voor te leggen aan de bevoegde rechter. Dat volgt volgens Basker uit de overeenkomst tot bindend advies die met hen is gesloten. In de akkoordverklaring staat uitdrukkelijk: “Ik vraag de Geschillencommissie Kinderopvang mijn klacht in behandeling te nemen. Ik begrijp dat ik de klacht ook kan voorleggen aan de bevoegde rechter, maar in plaats daarvan wil ik mijn klacht voorleggen aan de Geschillencommissie Kinderopvang. Ik aanvaard de uitspraak als bindend. Met de uitspraak wordt het geschil beslecht.”
Op 24 augustus 2026 heeft de Geschillencommissie Kinderopvang uitspraak gedaan in de zaak tussen Basker en de heer [A] , de partner van [eisende partij sub 1] . In de procedure die [eisende partij sub 2] harerzijds heeft aangespannen bij de genoemde geschillencommissie, is nog niet beslist. Dat komt doordat op het geschil dat door [A] is aangespannen, een versneld regiem is toegepast en op het geschil dat door [eisende partij sub 2] is aangespannen niet. Dat betekent dat [eisende partij sub 2] de mogelijkheid heeft om zich (in afwachting van de uitspraak van de geschillencommissie in haar zaak) tot de kortgedingrechter te wenden om een spoedeisende voorziening te vragen, zoals hiervoor omschreven.
Voor [eisende partij sub 1] ligt dat (deels) anders. De voorzieningenrechter stelt voorop dat als een partij een geschil bij de gewone rechter start, terwijl er over hetzelfde geschil een uitspraak van een bindend-adviesorgaan is geweest, de rechter de eisende partij niet-ontvankelijk moet verklaren. De voorzieningenrechter stelt vast dat het geschil bij de Geschillencommissie Kinderopvang over hetzelfde gaat als het geschil dat in deze kortgedingprocedure aan de orde is, namelijk – kort gezegd – de vraag of Basker de Overeenkomst met [eisende partij sub 1] en [A] mocht opzeggen met een opzegtermijn van 5 weken. De Geschillencommissie heeft zich daarover in haar uitspraak uitgelaten en zelfs méér toegewezen dan is deze procedure is gevorderd. Zij heeft namelijk geoordeeld dat er geen gegronde reden voor opzegging van de Overeenkomst was en bepaald dat Basker ook na 1 september 2026 de Overeenkomst moet nakomen. Het geschil dat [eisende partij sub 1] met haar eerste twee vorderingen aan de voorzieningenrechter voorlegt, is daarmee al door de geschillencommissie ten gronde beoordeeld. [eisende partij sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk ten aanzien van de eerste twee vorderingen (primaire en subsidiaire vordering). Dat de bedoelde bindend-adviesprocedure is gevoerd op naam van [A] en dat niet hij, maar zijn partner [eisende partij sub 1] in dit kort geding als eiseres optreedt, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat namelijk in beide gevallen om één Overeenkomst, door hen gezamenlijk met Basker gesloten ten aanzien van hun gezamenlijke dochter Isa. Waar het gaat om de vraag op wiens naam welke vordering is ingesteld, mogen zij daarom met elkaar worden vereenzelvigd.
[eisende partij sub 1] is ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde dwangsom en die wordt toegewezen
Ten aanzien van de derde vordering is [eisende partij sub 1] wel ontvankelijk. Als derde eis vordert zij dat Basker wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom in het geval Basker haar verplichtingen uit de Overeenkomst niet nakomt. De oplegging van een dwangsom was geen onderdeel van het geschil bij de Geschillencommissie Kinderopvang. Dat maakt dat [eisende partij sub 1] het recht heeft in kort geding te vorderen dat de nakoming van het oordeel van de Geschillencommissie door Basker door een (als voorlopige voorziening op te leggen) dwangsom wordt verzekerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eisende partij sub 1] ook belang heeft bij oplegging van een dwangsom. Basker heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij het oordeel van de Geschillencommissie - dat Basker de Overeenkomst moet nakomen - zo begrijpt dat een correcte wijze van nakoming ook kan zijn gelegen in het aanbieden van een alternatieve locatie buiten [plaats] . Dat is bepaald in artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden, die onderdeel vormen van de Overeenkomst, zo stelt Basker. Die uitlegkwestie ziet de voorzieningenrechter anders.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beslissing van de Geschillencommissie Kinderopvang zo moet worden begrepen dat nakoming van de Overeenkomst inhoudt dat Basker kinderopvang moet blijven aanbieden op de locatie in [plaats] . Dat volgt uit de overwegingen in die uitspraak. De Geschillencommissie Kinderopvang heeft immers geoordeeld dat uit de Overeenkomst volgt dat Basker de kinderopvang moet verzorgen op de locatie in [plaats] , dat de aangezegde beëindiging van de kinderopvang op die locatie geen rechtsgeldige opzegging van de overeenkomst behelst en dat de Overeenkomst daarom na 1 september 2026 voortduurt. Daarbij heeft de Geschillencommissie overwogen dat de door Basker gebezigde gronden voor de aangezegde sluiting van de locatie in [plaats] , niet kwalificeren als grond die tot een rechtsgeldige opzegging kunnen leiden, juist gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 3 sub b, onder v van de algemene voorwaarden Kinderopvang. Personeelstekort op de locatie in [plaats] , aldus overweegt de Geschillencommissie in dit verband, is niet een – ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst met [A] op 5 maart 2026 – voor Basker onvoorziene omstandigheid en komt bovendien voor haar ondernemersrisico. Nakoming van de Overeenkomst houdt ingevolge de uitspraak van de Geschillencommissie dan ook in dat Basker aan [eisende partij sub 1] / [A] op de locatie in [plaats] kinderopvang moet blijven aanbieden. Gelet op het ter zitting aangevoerde standpunt van Basker – dat hiervan afwijkt – bestaat er dan ook bij [eisende partij sub 1] gegronde vrees dat Basker de Overeenkomst niet nakomt, door niet langer kinderopvang op de locatie in [plaats] aan te bieden, maar door een alternatieve opvanglocatie (buiten [plaats] ) aan te bieden. Dat betekent dat [eisende partij sub 1] belang heeft bij oplegging van een dwangsom, ter verzekering van de naleving van de uitspraak van de Geschillencommissie. De voorzieningenrechter wijst de gevorderde dwangsom dan ook toe, waarbij de dwangsom wordt beperkt tot (€ 500,- / 4 ouders) € 125,- per dag met een maximum van € 12.500, -.
Voor zover de voorzieningenrechter het in het vervolg van het vonnis heeft over De Ouders, worden daaronder nog slechts begrepen [eisende partij sub 2] , [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] .
De vorderingen van De Ouders worden afgewezen
De Ouders stellen dat Basker de Overeenkomst onrechtmatig heeft opgezegd, door op te zeggen met inachtneming van een te korte opzegtermijn. Zij baseren zich op de algemene voorwaarden Kinderopvang. Artikel 6 lid 3, sub b bepaalt dat Basker alleen bevoegd is de Overeenkomst op te zeggen als er sprake is van een gegronde reden. Artikel 6 lid 3 sub b noemt als gegronde reden onder andere de omstandigheid dat Basker (v) vanwege een onvoorziene omstandigheid of een niet aan haar toerekenbare oorzaak niet meer in staat is de Overeenkomst uit te voeren of als er sprake is van (vi) een bedrijfseconomische noodzaak die de continuïteit in gevaar brengt. Als daarvan sprake is, dan moet Basker minimaal een opzegtermijn van één maand in acht nemen.
Basker bestrijdt dat sprake is van opzegging. Zij stelt enkel de sluiting van de locatie te hebben aangekondigd. De hiervoor aangehaalde bepaling over opzegging in de algemene voorwaarden Kinderopvang is volgens Basker dan ook niet van toepassing. In dit geval moet – zoals Basker stelt – worden aangesloten bij de Babilou-voorwaarden. Artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden bepaalt dat:
“2.3 Babilou Family NL kan de Locatie wijzigen als de Locatie niet meer kan voldoen/voldoet aan de door Babilou Family gestelde veiligheidsnormen of als er bedrijfseconomische redenen zijn voor ene wijziging. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er op de Locatie te weinig kinderen zijn aangemeld, de Locatie te klein is/wordt voor de aangemelde kinderen, er onvoldoende personeel beschikbaar is, en/of de Locatie niet (langer) voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld door Babilou Family NL en/of wet- en regelgeving. Babilou zal zich in dit geval inspannen een redelijke alternatieve Locatie aan te bieden. Als dat redelijke alternatief niet kan worden geboden, de oorzaak van de wijziging niet aan Babilou Family NL is te wijten en/of bij ongewijzigde voortzetting de kans bestaat dat de Locatie in het geheel moet sluiten, dan zijn beide Partijen gerechtigd de Plaatsingsovereenkomst en dus de Opvang op te zeggen per datum dat de originele Locatie niet meer beschikbaar is.”
Basker stelt in dit verband dat er al sedert haar overname van de locatie in 2022 (deels ook uit die overname voortvloeiende) personeelsproblemen bestaan, die zich gaandeweg hebben verergerd. Er is sprake van structurele tekortkomingen in de naleving van de geldende regelgeving, in de aansturing van het personeel en in de werkcultuur van de locatie. Mede daardoor zijn er niet voldoende werknemers voor de locatie te vinden en haken nieuwe werknemers weer af. Zo is er een nijpend gebrek aan PP’ers (gekwalificeerde Pedagogische Professionals), dat niet verholpen kan worden, ondanks herhaalde (advertentie)pogingen en ophoging van salaris, voor zover de toepasselijke cao daartoe ruimte laat. De gebrekkige situatie, aldus nog steeds Basker, heeft ertoe geleid dat de GGD, als orgaan van de gemeente Stichtse Vecht, in een controlerapport van 16 december 2025 en een controlerapport van 29 juni 2026 die problemen heeft geconstateerd. Met name dat laatste rapport heeft ertoe geleid dat de gemeente heeft aangekondigd dat het herhaaldelijk indelen van een kind in een groep op de locatie waartoe dat kind niet vast behoort en het tijdelijke aantrekken van werknemers van Basker van haar andere locaties, niet langer acceptabel is omdat dat afdoet aan de stabiliteit van de opvang. De gemeente heeft Basker naar haar zeggen in het vooruitzicht gesteld dat zij de opvanglocatie in [plaats] daarom zal sluiten.
Op voorhand niet aannemelijk dat artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden oneerlijk is
Om vast te kunnen stellen of Basker zich op het bedoelde artikel kan beroepen, dient het eerst, nu de Overeenkomst met een consument is gesloten, ambtshalve te worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voorzieningenrechter moet aldus ambtshalve toetsen of het aannemelijk is dat de rechter in de bodemzaak zal oordelen dat artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden oneerlijk is.
Artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden is een eenzijdig wijzigingsbeding, op grond waarvan Basker de kinderopvanglocatie mag wijzigen als Basker niet meer kan voldoen aan de gestelde veiligheidsnormen of als er bedrijfseconomische redenen aanwezig zijn. Het wijzigingsbeding is duidelijk en begrijpelijk (transparant) opgesteld. Het wijzigingsbeding benoemt de gronden die een geldige reden voor wijziging kunnen vormen. Een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument wordt bij het sluiten van de overeenkomst in staat gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen en de consequenties ervan te beoordelen. Als (wordt aangekondigd dat) de locatie wordt gewijzigd, moet Basker zich bovendien inspannen om een redelijk alternatief te bieden. Daarbij is van belang dat op voorhand voldoende kenbaar voor de consument moet zijn geweest dat als zich een dergelijke situatie voordeed, het zou gaan om een buiten [plaats] gelegen alternatieve locatie, omdat Basker slechts de ene, in geding zijnde, kinderopvanglocatie in [plaats] exploiteerde. Daarnaast heeft de consument een reële mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen, voordat de wijziging van kracht wordt. Tenslotte wordt meegewogen dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk vindt dat als de consument bij het aangaan van de Overeenkomst uitdrukkelijk was gewezen op dit beding, de consument had afgezien van het sluiten van de Overeenkomst. Eén en ander maakt dat er niet voldoende grond bestaat voor het oordeel dat het wijzigingsbeding oneerlijk is. Het beding is daarom in beginsel geldig.
Waar leiden de hier toepasselijke bepalingen uit de twee sets algemene voorwaarden toe?
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de genoemde artikelen uit de twee soorten algemene voorwaarden, zeer wel onderling verenigbaar. Artikel 6 lid 3 sub onder v van de algemene voorwaarden Kinderopvang bepaalt (voor zover hier van belang) wanneer een Overeenkomst door Basker kan worden opgezegd en eist daarvoor een onvoorziene omstandigheid of een niet aan Basker toerekenbare oorzaak. Artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden bepaalt wanneer Basker – onder aanbieding van een redelijk alternatief – de locatie van de opvang mag wijzigen en eist daarvoor (voor zover hier van belang) personeelsgebrek als oorzaak of het schenden van (wettelijke) veiligheidsnormen. Laatstgenoemd artikel eist (anders dan de algemene voorwaarden Kinderopvang voor opzegging wel eisen) niet dat de reden voor de verplaatsing van de locatie onvoorzienbaar moet zijn of buiten Baskers ondernemersrisico moet zijn gelegen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de voorzieningenrechter dan ook het standpunt van Basker volgt dat het besluit om de locatie [plaats] te sluiten geen kwestie van opzegging is, maar een kwestie van wijziging van locatie in de zin van artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden. Omdat alle vorderingen van De Ouders uitgaan van de vooronderstelling dat er sprake is van een onrechtmatige opzegging, zijn zij dus op een onjuist uitgangspunt gebaseerd. Dat op zich is al een reden waarom tot afwijzing van die vorderingen moet worden gekomen. Maar ook als de stellingen van De Ouders zo zouden moeten worden verstaan dat zij zich wel op dat artikel 2.3 beroepen, dan nog helpt hen dat niet. Dat artikel bepaalt immers ook dat in een geval als daar bedoeld Basker zich moet inspannen een redelijke alternatieve opvanglocatie te bieden. Het gaat daarbij, naar een redelijke uitleg van die bepaling meebrengt, om een andere opvanglocatie die door Basker wordt geëxploiteerd. Voor De Ouders was bij aanvang van hun Overeenkomst kenbaar dat het een locatie buiten [plaats] zou betreffen, omdat Basker in [plaats] geen andere opvanglocatie exploiteert (of heeft geëxploiteerd) dan de in geding zijnde locatie. Ook was toen kenbaar waar de andere door Basker geëxploiteerde locaties zijn gelegen. Gelet daarop kan niet op voorhand worden gezegd dat het aanbod van Basker aan De Ouders om te overleggen over opvang van hun kind op één van die andere locaties, onredelijk is. Niet voldoende gronden zijn gesteld of gebleken voor de slotsom dat Basker gehouden is zich ervoor in te spannen dat zij een alternatieve locatie aanbiedt in een door haarzelf (nieuw) in [plaats] (of de nabije omgeving daarvan) in te richten locatie of dat zij een dergelijke inspanningsplicht heeft veronachtzaamd. Voor dat laatste is al redengevend dat de personeelsgebreken op de huidige locatie zich naar verwachting op die nieuwe locatie zouden voortzetten, omdat zij naar hun aard niet aan de concrete locatie maar aan de personele situatie binnen die locatie gebonden zijn. Van die situatie kan Basker zich niet zomaar bevrijden gezien de arbeidsrechtelijke regels waaraan zij jegens haar personeel - ook bij verplaatsing van een locatie - is gebonden. Zelfs als geoordeeld zou moeten worden dat Basker zich op grond van dat artikel 2.3 moet inspannen om een opvangplek aan te bieden bij een kinderopvang die door een andere ondernemer wordt geëxploiteerd, helpt dat De Ouders niet. Er zijn immers geen feiten gesteld of gebleken die tot de slotsom leiden dat Basker in dat geval haar inspanningsplicht heeft veronachtzaamd, gelet op het feit dat die andere exploitanten (naar De Ouders zelf stellen) een minimale wachtlijst van zes maanden hanteren. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van De Ouders dan ook af. Hij begrijpt dat het voor De Ouders een netelige situatie is met de sluiting van de in geding zijnde locatie te worden geconfronteerd zonder dat een alternatieve opvang voor hun kind is geregeld. Naar ook hij, met De Ouders en Basker, ten zeerste hoopt, zal de onderneming waaraan Basker de locatie heeft overgedaan of zal overdoen, ervoor kunnen zorgdragen dat de bedoelde kinderen aldaar kunnen worden blijven opgevangen.
In dit geding wordt ten aanzien van [eisende partij sub 2] , [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] op andere wijze geoordeeld dan de Geschillencommissie heeft gedaan in de bindend-adviesprocedure tegen [A] en (in feitelijke zin) [eisende partij sub 1] . Dat is op zichzelf bezien ongewenst, maar helaas onvermijdelijk. Het gaat nu eenmaal om onderling te onderscheiden procedures met verschillende eisers, waarin weliswaar deels dezelfde rechtsvragen spelen, maar waarin ook feiten en omstandigheden bij de beoordeling meespelen die niet in beide zaken gelijkluidend zijn, zoals de ingangsdatum van de respectieve Overeenkomsten die met De Ouders zijn gesloten (die ingangsdatum lag bij [eisende partij sub 2] in of omstreeks maart 2024, bij [eisende partij sub 3] in of omstreeks april 2025 en bij [eisende partij sub 4] in of omstreeks februari 2025). Bovendien is hier van doorslaggevend belang dat (voor zover aan de voorzieningenrechter kenbaar is uit de uitspraak van de Geschillencommissie en de ten overstaan van die commissie gewisselde stukken) dat de rechtsstrijd zich bij die commissie heeft beperkt tot de betekenis en de werking van artikel 6 lid 3 sub b van de algemene voorwaarden Kinderopvang. Oftewel: omdat niet anders is gesteld of gebleken, moet ervan worden uitgegaan dat artikel 2.3 van de Babilou-voorwaarden daarbij in het geheel niet aan de orde geweest is.
Proceskosten
De voorzieningenrechter compenseert de proceskosten tussen [eisende partij sub 1] en Basker, omdat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.
[eisende partij sub 2] , [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Basker betalen. De proceskosten van Basker worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart dat [eisende partij sub 1] niet ontvankelijk is in haar vorderingen 1 en 2, zoals in het petitum van haar dagvaarding omschreven,
veroordeelt Basker om aan [eisende partij sub 1] een dwangsom te betalen van € 125,00 per dag voor iedere dag dat Basker niet voldoet aan het bindend advies van de Geschillencommissie, op grond waarvan Basker ook na 1 september 2026 kinderopvang moet aanbieden op de locatie in [plaats] , met een maximum van € 12.500,00,
wijst de vorderingen van [eisende partij sub 2] , [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] af,
compenseert de proceskosten tussen [eisende partij sub 1] en Basker, aldus dat zij elk de eigen kosten dragen,
veroordeelt [eisende partij sub 2] , [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Basker bedragende € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als De Ouders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
WD 5648