[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort
(gemachtigde: J.H. de Vos).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift van 27 mei 2026 aan dat sprake is van een acute financiële noodsituatie omdat elke vorm van inkomen ontbreekt.
5. Verzoeker heeft bij het verzoekschrift geen stukken overgelegd ter onderbouwing van het spoedeisend belang. Bij brief van 27 mei 2026 is daarom door de griffier gevraagd om nadere onderbouwing van de financiële situatie van verzoeker, waarbij is verzocht om kopieën van bankafschriften, kopieën van aanmaningen indien sprake is van schulden en eventuele stukken met betrekking tot huisuitzetting. De gemachtigde van verzoeker heeft op 12 juni 2026 laten weten dat zij de gevraagde stukken niet kan overleggen, omdat zij deze niet in haar bezit heeft. Er is dus geen enkele onderbouwing van de gestelde financiële noodsituatie. Daar komt bij dat het college in de brief van 5 juni 2026 stelt dat er geen spoedeisend belang is, omdat op 4 mei 2026 een nieuwe aanvraag om bijstand is ingediend die nog in behandeling is en er in de periode februari tot juni van 2026 voorschotten zijn verstrekt tot een totaalbedrag van € 4.484,53. Verzoeker heeft dat niet betwist. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is.
Evident onrechtmatig
6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van het college niet klopt en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen van de zaak. De voorzieningenrechter is van (voorlopig) oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
7. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: