RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 12044983 UM VERZ 26-102
CJIB-nummer: 273446512
beslissing van de kantonrechter van 7 september 2026 en proces-verbaal van de zitting van 24 augustus 2026
inzake
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.
PROCESVERLOOP
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 66,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 23 april 2025 om 15:31 uur te A12 (Utrecht) met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om de gedraging: overschrijding van de maximum snelheid op een autosnelweg, met 7 km/u.
Beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep
Betrokkene stelt eerst administratief beroep in bij het Openbaar Ministerie. De officier van justitie verklaart dat beroep ongegrond en laat de bekeuring staan. Tegen die beslissing van de officier van justitie gaat de betrokkene vervolgens in beroep bij de kantonrechter.
Beroep bij de kantonrechter
De kantonrechter nodigt de betrokkene en het Openbaar Ministerie uit om hun standpunten toe te lichten op de zitting van 24 augustus 2026.
De rechtsbijstandverlener van de betrokkene is als gemachtigde bij de zitting verschenen. Namens het Openbaar Ministerie is een zittingsvertegenwoordiger aanwezig.
De kantonrechter doet binnen 14 dagen na zitting uitspraak.
STANDPUNTEN
Betrokkene
Betrokkene voert aan dat het boetebedrag onevenredig hoog is en dat de overheid de zogenoemde Mulderboetes gebruikt om het gat in de begroting te dichten.
Officier van Justitie
De zittingsvertegenwoordiger neemt tijdens de zitting het standpunt in dat het beroep van betrokkene ongegrond is.
OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER
De kantonrechter beschrijft eerst kort welke feiten vaststaan en hoe een situatie als deze juridisch moet worden beoordeeld. Daarna geeft de kantonrechter het oordeel en een uitleg bij dat oordeel.
De feiten en regels
Als een betrokkene verzoekt om matiging van de bekeuring, beoordeelt de kantonrechter of hiertoe bijzondere redenen zijn aangevoerd. De hoogte van de bekeuringen zijn in de wet vastgesteld door de wetgever. Een betrokkene moet daarom aannemelijk maken dat er redenen bestaan om de bekeuring te matigen.
Evenredigheidsbeginsel: Algemene Maatregelen van Bestuur 1 maart 2024 en 1 februari 2025 onverbindend
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag onevenredig hoog is en dat de overheid de zogenoemde Mulderboetes gebruikt om het gat in de begroting te dichten. De Wahv is in het leven geroepen ter handhaving van de verkeersveiligheid en de verkeersvoorschriften, maar schiet het doel inmiddels voorbij.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. Met ingang van 1 februari 2025 zijn de boetebedragen verder verhoogd met (afgerond) 3,2%. De Algemene Maatregelen van Bestuur die aan deze verhogingen ten grondslag liggen, zijn door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraken van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708). In deze uitspraken is geoordeeld dat de verhogingen onverbindend zijn, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Deze kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel uit de uitspraak van 30 juni 2026 en verwijst naar de overwegingen uit die uitspraak. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. De kantonrechter zal de boete daarom vaststellen op € 58,-.
Proceskostenvergoeding
De betrokkene heeft een rechtsbijstandverlener ingeschakeld om het beroep namens hem te voeren. Omdat betrokkene (voor een deel) gelijk krijgt in zijn beroep, bestaat er aanleiding de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Daarom veroordeelt de kantonrechter de officier van justitie in de proceskosten die de betrokkene heeft gemaakt. De kantonrechter berekent de vergoeding met het puntensysteem uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat gaat als volgt.
Voor elke proceshandeling staat een vast aantal punten. Voor de rechtsbijstand in de kantonfase is elk punt € 934,00 waard. De gemachtigde van de betrokkene heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en de zitting bijgewoond (1 punt). Het gaat hier om een lichte zaak met een wegingsfactor van 0,5.
De hoogte van de uiteindelijke vergoeding in de kantonfase wordt daarnaast vermenigvuldigd met de wegingsfactor 0,25, omdat de bekeuring wordt vernietigd of het bedrag wordt gewijzigd en geen sprake is van de bijzondere omstandigheden uit artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Betrokkene krijgt dus initieel een proceskostenvergoeding van € 233,50 (2 * € 934,00 * 0,5 * 0,25)
Naar het oordeel van de kantonrechter wordt in de fase van het beroep bij de kantonrechter ten aanzien van de volgende vier zaken ook nog voldaan aan de criteria omschreven in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Het gaat bij deze zaken om door een gemachtigde ingestelde beroepen, die door de kantonrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De hoogte van de door de officier van justitie te vergoeden proceskostenvergoeding per zaak wordt vervolgens bepaald door het toe te kennen bedrag te delen door het aantal samenhangende zaken.
Gezien het gaat om samenhang tussen vier of meer zaken, wordt de initiële proceskostenvergoeding eerst nog vermenigvuldigd met factor 1,5. Aldus bedraagt de totale proceskostenvergoeding uiteindelijk per zaak € 87,56 ((€ 233,50 * 1,5) / 4).
BESLISSING
De kantonrechter:
Deze beslissing is genomen door mr. S. Ourahma, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 september 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. S. Ourahma
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: