RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5830
(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college,
(gemachtigde: mr. D.M.J.S.J. Siebert).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) van alle documenten die betrekking hebben op het rapport dat door PwC in opdracht van de gemeente Almere is opgesteld in de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 juli 2022.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het college informatie uit vier documenten geweigerd heeft zonder toereikende motivering (punt 31 en 36 van deze uitspraak). Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 juli 2022 een verzoek op grond van de Woo ingediend. Het verzoek ziet op openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op het rapport dat door PwC in opdracht van de gemeente Almere is opgesteld in de periode van 1 januari 2017 tot en met heden (14 juli 2022).
Het college heeft op 30 november 2022 op het Woo-verzoek beslist. Bij de zoekslagen heeft het college 177 documenten gevonden. Een deel van deze documenten zijn reeds openbaar, het college heeft een aantal documenten openbaar gemaakt en het college heeft het openbaar maken van een deel van deze documenten geweigerd met een beroep op de weigeringsgronden uit de Woo.
Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 heeft het college het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit gedeeltelijk herzien. Het college heeft daarbij een nadere motivering gegeven, documenten alsnog openbaar gemaakt, een nadere zoekslag gedaan en naar aanleiding daarvan nieuwe documenten (deels gelakt) openbaar gemaakt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden. De rechtbank geeft hieronder eerst de achtergrond van het Woo-verzoek, de inhoud van het Woo-verzoek en de inhoud van het bestreden besluit weer. Daarna beoordeelt de rechtbank of het college een juiste en zorgvuldige zoekslag heeft gemaakt. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of het college de openbaarmaking van documenten (gedeeltelijk) heeft mogen weigeren op grond van de weigeringsgronden uit de Woo.
De achtergrond van het Woo-verzoek
3. Eiser is de voormalig directeur van het [naam 1] . Eiser stelt dat hij in 2017 negatief in de publiciteit geweest, omdat hij financiële voordelen zou hebben genoten vanuit deze functie. Het college heeft vervolgens PwC gevraagd om een onderzoek in te stellen naar de feiten en omstandigheden over de (financiële) relatie tussen [naam 1] en [naam 2] en (de ondernemingen van) eiser en de rol daarbij van het bestuur van deze […] . Dit heeft geleid tot het rapport ‘Onderzoek [naam 1] ’ van 3 december 2018 dat ziet op de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Het college heeft aan dit rapport op grond van de Gemeentewet geheimhouding opgelegd. Eiser heeft het college verzocht om het rapport van PwC op grond van de Wet openbaarheid bestuur openbaar te maken. Hij wil de inhoud van het rapport gebruiken om zijn naam te zuiveren. De rechtbank heeft in deze zaak het beroep van eiser gegrond verklaard en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
Het Woo-verzoek
4. Eiser heeft op 14 juli 2022 een nieuw Woo-verzoek ingediend. Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op het rapport dat door PwC in opdracht van gemeente Almere is gemaakt. Dit is een forensisch onderzoek dat door PwC is verricht naar [naam 2] . Het verzoek van eiser ziet op de documenten vanaf januari 2017 tot en met 14 juli 2022. Meer specifiek heeft eiser gevraagd om:
Het bestreden besluit
5. Met het primaire besluit van 30 november 2022 heeft het college (delen van) documenten openbaar gemaakt en daarnaast (delen van) documenten geweigerd openbaar te maken. De weigering tot openbaarmaking is gebaseerd op de volgende gronden:
Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 heeft het college het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en het volgende heroverwogen:
de weigering van document 016 berust op artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo;
de documenten 008 en 116 worden alsnog openbaar gemaakt;
delen van document 001 zijn terecht geweigerd;
document 035, bijlage 2, wordt alsnog openbaar gemaakt;
in een nadere zoekslag is document 030b is gevonden en dit document wordt openbaar gemaakt;
documenten 129 en de bijlagen 1 tot en met 5 worden deels openbaar gemaakt waarbij openbaarmaking van passages worden geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo.
De zoekslag
Is zoekslag voldoende zorgvuldig en inzichtelijk verricht?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de zoekopdracht te restrictief is uitgevoerd. Eiser vindt het ongeloofwaardig dat de zoekslag niet tot meer documenten heeft geleid. Eiser denkt dat er op basis van de openbaar gemaakte documenten meer moet zijn. Het college heeft bij een nadere zoekslag nog documenten openbaar gemaakt, en daarom vindt eiser het waarschijnlijk dat met een adequatere zoekterminologie of uitbreiding van zoekwoorden meer zou kunnen worden gevonden. Het college maakt niet duidelijk hoe de nadere zoekslag is verlopen en met welke zoekwoorden. Het college heeft onzorgvuldig en onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom in het ene geval de zoekslag wel tot nadere documenten heeft geleid en in het andere geval niet.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat in het primaire besluit uiteen is gezet op welke wijze is gezocht. Namelijk met de zoektermen ‘PWC’, ‘Onderzoek’, ‘Rapport’, ‘Geheimhouding’ en ‘kosten’. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat aan alle bij het onderzoek betrokken ambtenaren is verzocht om hun systemen te doorzoeken. Zij hebben gezocht in de gebruikelijke gemeentelijke archiveringsstructuur, waaronder netwerkschijven, digitale archiefsystemen en e-mailboxen. Dit is de standaardmethode hoe naar documenten wordt gezocht. Het college heeft bovendien naar aanleiding van het bezwaar een nadere zoekslag gedaan, omdat deze bezwaren concreet genoeg waren. De gerichte zoekacties hebben geleid tot de vondst van document 030b. Volgens het college is de zoekslag volledig geweest en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk meer documenten bij het college berusten. Het college stelt dat ook tijdens de procedure bij de rechtbank kan worden toegelicht op welke wijze er naar documenten is gezocht. Ook heeft eiser in een eerder stadium geen bezwaar gemaakt tegen het ontbreken van een toelichting op de zoekmethode, maar pas in beroep voor het eerst geklaagd.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en deze mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de rechtbank niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht. Het bestuursorgaan moet inzichtelijk maken dat voldoende zorgvuldig onderzoek is gedaan en hoe er naar documenten is gezocht. Hierbij hoort ook dat het bestuursorgaan moet onderzoeken of de gevraagde documenten (hebben) bestaan en bij hem hadden behoren te berusten. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
9. De rechtbank is het met eiser eens dat in het bestreden besluit niet inzichtelijk is gemaakt hoe de zoekslag heeft plaatsgevonden. Daarmee is het besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb genomen. Het college heeft echter in het verweerschrift en op de zitting een nadere toelichting op de zoekslag gegeven, waarmee de zoekslag voldoende inzichtelijk is toegelicht.
10. Het college heeft in het besluit van 30 november 2022 toegelicht dat gezocht is op de zoektermen ‘PWC’, ‘Onderzoek’, ‘Rapport’, ‘ Geheimhouding’ en ‘kosten’. Deze zoektermen zijn adequaat gelet op het verzoek van eiser. Eisers heeft op de zitting gesteld dat het college ook bijvoorbeeld had moeten zoeken op ‘ [naam 2] ’. De rechtbank volgt die stelling niet omdat, zoals het college terecht opmerkt, zich onder de openbaar gemaakte stukken ook documenten bevinden waarin alleen ‘ [naam 2] ’ voorkomt. Het dan ook niet aannemelijk dat relevante documenten niet zijn aangetroffen op grond van de gebruikte zoektermen. In het besluit is ook toegelicht dat informatie die buiten de reikwijdte van het verzoek viel buiten beschouwing is gelaten en dat geprobeerd is om dubbele documenten en documenten die al openbaar zijn uit het resultaat van de zoekslag te halen. In het verweerschrift heeft het college nader toegelicht waaruit de zoekslag heeft bestaan, namelijk een intern onderzoek in de gemeentelijke archiveringsstructuur, waaronder netwerkschijven, digitale archiefsystemen en e-mailboxen. Verweerder heeft dit gevraagd aan alle bij het onderzoek betrokken ambtenaren. Over de aanvullende zoekslag in de bezwaarprocedure heeft het college toegelicht dat er aan de hand van de concrete punten die eiser heeft genoemd per punt gericht is gezocht naar ontbrekende documenten. De rechtbank is van oordeel dat het college dit met de nadere toelichting voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
Is er meer correspondentie of ontbreekt er verslaglegging?
11. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat de mail van 22 februari 2017 (document 012) in een lijn van correspondentie lijkt te zitten. Ook de mail van 3 april 2017 (document 021) lijkt te wijzen op een correspondentielijn, omdat er wordt gerefereerd aan een gesprek naar aanleiding waarvan een schriftelijke opzet zou zijn opgesteld. Verder ontbreekt de coherente mailconversatie bij document 023. De follow up mails lijken bij document 100 en bij document 107 te ontbreken. Verder kan eiser het bericht van 2 augustus 2017 waar in document 130 aan wordt gerefereerd niet vinden in het dossier.
12. De rechtbank ziet ten aanzien van document 012 geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van het college dat uit de onderwerpsregel blijkt dat dit de eerste en enige e-mail in de correspondentie is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er op basis van de tekst in de e-mail meer correspondentie is. Ook ten aanzien van document 021 (Fwd-bericht, doorsturen van een e-mail) blijkt niet dat er sprake is van een verdere correspondentielijn. Uit het advies van de bezwaarcommissie volgt dat de bijlage (de schriftelijke voorzet) bij deze e-mail openbaar is gemaakt. Dat is niet in geschil. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er op basis van de tekst in de e-mail meer correspondentie is. Het argument dat coherente mailconversatie betreft document 023 ontbreekt slaagt ook niet. Document 023 is een door eiser geschreven e-mail aan PwC. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daaraan andere aan hem gerichte documenten vooraf zijn gegaan en/of zijn gevolgd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor eisers stelling dat er nog andere mails of documenten zouden moeten zijn. De toelichting van het college dat er geen nadere correspondentie is gevonden komt de rechtbank ook niet ongeloofwaardig voor. Ten aanzien van document 107 heeft het college in bezwaar toegelicht welke documenten onder de follow up vallen. Eiser heeft hier geen nadere opmerkingen over gemaakt. In de e-mail staat ‘ik probeer je morgen (vrijdag) even te bellen’. De rechtbank overweegt dat deze zin niet betekent dat dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van het college dat betwijfeld kan worden of het telefoongesprek waar in deze mailwisseling over wordt gesproken heeft plaatsgevonden. Het college heeft bij nazoeking in juni 2023 ook geen documenten hierover gevonden. Ten aanzien van document 100 heeft het college voldoende toegelicht dat er geen nadere stukken zijn. Verder heeft het college ten aanzien van document 130 toegelicht dat bij een nadere zoekslag is gezocht naar het bericht van 2 augustus 2017, maar dat niet is gebleken dat PwC dit bericht heeft doorgestuurd naar het college. De rechtbank acht deze toelichting van het college niet ongeloofwaardig. De opmerking die in de e-mail wordt gemaakt bewijst niet dat dit document wel bij het college aanwezig is. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert ook geen aanleiding om te veronderstellen dat deze documenten er wel zijn.
13. Eiser stelt verder dat het antwoord op de mail van 7 juni 2017 ontbrak (document 030), waarna het college nog een document (met een antwoord op dit e-mailbericht) heeft gevonden en openbaar heeft gemaakt. Het is eiser daarom onvoldoende duidelijk hoeveel eerdere of latere e-mailberichten er nog ontbreken ten aanzien van een wel of niet openbaar gemaakt document. Eiser stelt verder dat de stukken waar in document 129 naar wordt gerefereerd ontbreken en dat er een open einde in de mailstring is. Dit heeft geleid tot nadere openbaarmaking van de WeTransfer bestanden, zodat voor eiser niet valt in te zien waarom andere verwijzingen ook niet documenten zouden moeten opleveren.
14. Uit het dossier volgt dat het college in juni 2023 ten aanzien van document 030 opnieuw heeft gezocht en nog een document heeft gevonden met het antwoord op de e-mail. Het college stelt dat in dit ene geval een document over het hoofd is gezien, omdat het college zoveel mogelijk heeft geprobeerd om dubbele documenten uit het dossier te halen. Ten aanzien van document 129 heeft het college toegelicht dat er buiten de gedeeltelijk openbaar gemaakt e-mailreeks in document 129 geen aanvullende documenten zijn aangetroffen. De rechtbank oordeelt dat het argument van eiser dat er nog meer documenten zouden moeten zijn niet slaagt. Dit argument is gebaseerd op het feit dat er bij de nadere zoekslag nog documenten zijn gevonden. De rechtbank overweegt dat uit de enkele omstandigheid dat het college bij een nadere zoekslag nog documenten heeft gevonden, niet volgt dat er nog meer documenten zouden moeten zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer stukken zijn en de rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van het college.
15. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat in de documenten 032, 062, 065 en 016 wordt gerefereerd aan overleg dan wel aan telefonische gesprekken, maar dat de verslaglegging hiervan ontbreekt.
16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat de enkele suggestie van een overleg of telefonisch gesprek in een e-mail inhoudt dat een overleg of gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of dat daarvan een verslag is. Het college heeft daarnaast toegelicht dat het telefoongesprek waar in document 062 over wordt gesproken, is verslagen in document 032 en dat het vervolg van een volgend telefoongesprek in document 065 staat en het vervolg daarop weer in document 131. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat niet geloofwaardig te vinden. Verder volgt uit document 016 de verslaglegging van een telefoongesprek en volgt uit document 102 dat er een gesprek heeft plaatsgevonden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nog meer stukken zijn.
Documenten niet op de website
17. Eiser stelt dat document 001 (opzet voor een brief van de stakeholders van [naam 2] ) ten onrechte weggelakte passages bevat omdat het document al openbaar zou zijn. De hoorcommissie heeft het college geadviseerd om te onderzoeken of het document al openbaar is gemaakt en als dat het geval is, om te onderzoeken of het document in zijn geheel openbaar kan worden gemaakt. Eiser constateert dat het college dat niet heeft gedaan, omdat het college dit document niet op de website van het [naam 2] heeft aangetroffen. Het is eiser onbekend of dit op een andere manier openbaar is gemaakt.
18. De rechtbank is van oordeel dat het college er redelijkerwijs van uit mag gaan dat de documenten niet openbaar zijn. Uit het bestreden besluit volgt dat het college is nagegaan of de documenten te vinden zijn op de website van [naam 2] . Dat bleek niet het geval. De rechtbank volgt deze toelichting van het college. Eiser heeft niet gesteld en ook is niet gebleken dat deze documenten elders wel openbaar zijn te raadplegen. Eisers argument treft daarom geen doel.
Conceptversies
19. Eiser voert aan dat het mailbericht van 17 april 2017 (document 035) gaat over gewisselde concepten. Eiser stelt dat ten onrechte het eerdere concept is verstrekt. Het is onduidelijk of er ook andere concepten zijn, die niet zijn verstrekt.
20. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft toegelicht dat er niet meer concepten zijn. Uit het dossier volgt dat het college een concept openbaar heeft gemaakt. Na advies van de commissie heeft het college ook de eerdere versie van dit concept (document 035a) openbaar gemaakt. Het college heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn dat er nog meer concepten zijn. Op de zitting heeft eiser nog toegelicht dat het een gebruikelijke gang van zaken is dat er nog meer concepten worden gemaakt. De rechtbank vindt, wat daar ook van zij, dat dit niet wil zeggen dat er in dit geval ook meer concepten zijn. De enkele stelling van eiser dat de zoekslag op dit punt niet volledig is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende en doet niet af aan de voorgaande conclusie. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er meer documenten moeten zijn, en daar is hij niet in geslaagd.
Managementovereenkomst
21. Eiser stelt dat in de mailwisseling in document 018 wordt gerefereerd aan het opvragen van de managementovereenkomst van [naam 1] . De opvolgende e-mail met daarin de overeenkomst ontbreekt. Eiser vindt het onlogisch dat er geen managementovereenkomst van [naam 1] is.
22. De rechtbank is van oordeel dat het college toereikend heeft gemotiveerd dat de managementovereenkomst niet is aangetroffen en ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. Het college heeft in zijn reactie na de bezwaarzitting toegelicht dat de opvolgende e-mail niet ontbreekt. In de mailwisseling van 21 augustus 2017 in document 018 staat ‘In de bijlage vinden we echter alleen de managementovereenkomst van [naam 2] en niet van [naam 1] , deze vraag ik nog even op’. Vervolgens wordt ook in de mailwisseling van 24 augustus 2017 in document 102 gevraagd naar de managementovereenkomst van [naam 1] . Het college wijst op de mailwisselingen in de documenten 103 en 104 van 24 augustus 2017, waaruit valt op te maken dat er geen managementovereenkomst voor [naam 1] is. De rechtbank vindt dat er op grond van deze stukken geen indicatie is dat deze managementovereenkomst er wel moet zijn, omdat uit de eigen correspondentie van het college ook blijkt dat deze overeenkomst niet boven water is gekomen. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat dit document bij het college berust.
Conclusie zoekslag
23. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat eiser met zijn argumenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zoekslag onvoldoende is geweest.
De weigeringsgronden
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Woo; bedrijfs- en fabricagegegevens
24. Eiser vindt dat deze weigeringsgrond onjuist is toegepast. Het gaat hier om een […] dat wordt gefinancierd door giften en subsidies. Deze geldstromen en financiële gegevens zijn al openbaar. Door het openbaar maken van documenten waar misschien financiële gegevens in staan zullen dan ook geen nieuwe gevoelige financiële gegevens openbaar worden gemaakt. Ook heeft een groot gedeelte van die gegevens betrekking op eiser, daarom kan dit geen weigeringsgrond zijn. Eiser ziet niet in dat door openbaarmaking enige partij wordt benadeeld. Ook is het onderwerp niet meer actueel
25. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo moet naar zijn aard restrictief worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid of afgelezen met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. De uitzonderingsgrond is bedoeld om te voorkomen dat bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn deze informatie aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moet worden gemaakt. Slechts indien de informatie vertrouwelijk aan de overheid is medegedeeld, blijft openbaarmaking daarvan op grond van deze weigeringsgrond achterwege. Voor de vraag of informatie vertrouwelijk is meegedeeld, is voldoende dat de gegevens zijn verstrekt in een contact dat een onderneming redelijkerwijs als vertrouwelijk mocht beschouwen.
26. Het college heeft in de besluitvorming toegelicht dat de documenten 016, 059, 093, 102, 103, 104, 105, 133, 134 en 135 zijn geweigerd, omdat deze informatie onder andere gaat over bestede uren en uurtarieven van PwC. Die informatie is in vertrouwen aan het college verstrekt. Openbaarmaking van die informatie verzwakt de concurrentiepositie van PwC. In document 016 is het bedrag is gelakt dat voor een of meer aandelen is betaald. Het gaat hier om aandelen van een ander bedrijf (dan PwC). De aandelenprijs geeft informatie over de waarde c.q. gezondheid van een bedrijf en is daarom concurrentiegevoelige informatie.
27. De rechtbank is het met het college eens dat de weggelakte informatie (de prijs van de verkochte aandelen) als bedrijfs- en fabricagegegevens kunnen worden beschouwd. De rechtbank vindt het gegeven dat de aandelen van een stichting met een zogenoemde ANBI-status worden overgenomen en een stichting geen commerciële partij is, is niet van belang. De aandelen zijn overgenomen door een derde partij (een vennootschap). De rechtbank volgt het standpunt van het college dat deze informatie inzicht geeft in de financiële en bedrijfsmatige manier van opereren van de stichting en de verkrijgende partij. De aandelenprijs is daarom bedrijfsvertrouwelijke informatie waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid over de financiële bedrijfsvoering van de betrokken derde, die bij openbaarmaking concurrentienadelen kunnen opleveren.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de vraag of deze informatie al dan niet ouder is dan vijf jaar, in dit geval niet relevant is. Artikel 5.3 van de Woo verwijst naar artikel 5.1, tweede en vijfde lid, en artikel 5.2 van de Woo. Artikel 5.3 van de Woo is dan ook niet van toepassing op de uitzonderingsgrond in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo; eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
28. Eiser stelt dat het onderzoek van PwC is gericht op eiser en zijn bestuurlijke en financiële relaties. Eiser vindt dat informatie over hemzelf niet valt onder deze weigeringsgrond. Ook ten aanzien van andere betrokkenen is deze weigeringsgrond volgens eiser niet juist. Eiser heeft bij de totstandkoming van het rapport actief alle medewerking verleend. Eiser vindt het evident dat alle betrokkenen medewerking hebben verleend aan een rapport dat ziet op een vereniging met publieke belangen en waarbij de financiële gegevens van deze vereniging al openbaar zijn. Omdat er al diverse informatie in de media is verschenen en omdat eiser als gevolg daarvan publiekelijk is beschuldigd, vindt eiser dat zijn belang zwaarder weegt dat de persoonlijke levenssfeer van anderen (die zich dus al over de kwestie hebben uitgelaten).
29. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet achterwege wanneer de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van een of meer personen zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.
Uit de bezwaargronden volgt dat eiser betoogt dat zijn persoonlijke belang bij openbaarmaking van de persoonsgegevens zwaarder weegt dan het belang van het college om de privacy van anderen te beschermen. Uit de besluitvorming van het college volgt dat in de door eiser gevraagde informatie persoonsgegevens van ambtenaren en derden staan, zoals namen, adressen, telefoonnummers, e-mailadressen, handtekeningen en briefkenmerken. Het gaat ook om andere informatie waaruit de identiteit van specifieke personen valt op te maken. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer weegt voor deze gegevens zwaarder dan het algemeen belang van openbaarmaking. Eisers persoonlijke belang bij openbaarmaking van deze gegevens weegt daarom volgens het college minder zwaar.
De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar niet heeft betoogd dat zijn eigen persoonsgegevens openbaar mogen worden gemaakt en dat hij dus afstand doet van zijn recht op bescherming van de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Op de zitting heeft eiser wel betoogd dat zijn eigen persoonsgegevens openbaar mogen worden gemaakt. Het college heeft daarop geantwoord geen bezwaren te zien om die gegevens openbaar te maken. De rechtbank is gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, van oordeel dat het besluit van het college om eisers persoonsgegevens niet openbaar te maken niet onrechtmatig is. Het besluit bevat daarom geen motiveringsgebrek. De rechtbank is verder van oordeel dat het college op goede gronden heeft besloten om de persoonsgegevens van ambtenaren en derden, zoals namen, adressen, telefoonnummers, e-mailadressen, handtekeningen en briefkenmerken met toepassing van deze weigeringsgrond niet openbaar te maken. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer weegt voor deze gegevens zwaarder dan het algemeen belang van openbaarmaking.
Het betoog van eiser dat de persoonsgegevens van personen die werkzaamheden verrichten voor de […] niet weggelakt mogen worden, omdat de […] een ANBI-status hebben en openbaar staan ingeschreven, en dat deze gegevens daarom al openbaar zijn, maakt het voorgaande niet anders. De informatie waarvan eiser in deze procedure om openbaarmaking vraagt en de daarbij behorende context kan namelijk niet worden gelijkgesteld met de openbaarmaking van bijvoorbeeld namen van ambtenaren en derden die vanuit hun functie in de openbaarheid treden. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat deze personen bestuursleden zijn van de […] namelijk niet betekent dat zij wegens hun functie in de openbaarheid treden. Bovendien volgt uit het advies van de bezwaarschriftencommissie dat alle betrokkenen nadrukkelijk hebben gesteld dat zij niet willen dat hun namen openbaar gemaakt worden of dat die op andere wijze herleidbaar kunnen zijn.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Woo; bescherming andere concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens
30. Het college heeft deze weigeringsgrond in het bestreden besluit gebruikt om informatie in de documenten 161 tot en met 165 niet openbaar te maken omdat het informatie over tarieven betreft waar concurrenten hun voordeel mee kunnen doen. Eiser stelt dat er geen sprake is van concurrentiegevoeligheid omdat het waarschijnlijk gaat om tarieven uit 2017.
31. De rechtbank merkt als eerste op dat het gaat over ingebrekestellingen waarin openstaande facturen met de bijbehorende tarieven staan vermeld. Twee van deze ingebrekestellingen heeft het college al met het besluit van 30 november 2022 openbaar gemaakt inclusief de tarieven. Het gaat dan om de documenten 058a (162) en 058b (164). In het bestreden besluit is verder niet gemotiveerd waarom het concurrentiebelang zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Het gaat immers om tarieven die in de jaren 2015 tot en met 2017 zijn gebruikt. Omdat de documenten 162 en 164 op het punt van de tarieven al openbaar zijn gemaakt treft de beroepsgrond voor deze documenten geen doel. Voor wat betreft de documenten 161, 163 en 165 treft de beroepsgrond doel. Het college heeft voor deze documenten ontoereikend gemotiveerd dat de gebruikte weigeringsgrond aan openbaarmaking in de weg staat.
Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo; persoonlijke beleidsopvattingen
32. Het college heeft deze weigeringsgrond gebruikt om informatie in de documenten 050, 051, 052, 116, 146 niet openbaar te maken. Het gaat hier om e-mailcorrespondentie tussen medewerkers van het college onderling en correspondentie tussen medewerkers van het college en een gemeenteraadslid. In de weggelakte passages wordt er onderling handelen afgestemd en worden afspraken gemaakt over vervolgstappen naar aanleiding van de uitkomst van het onderzoek van PwC. Ook is beoogd in vertrouwelijke sfeer van gedachte te wisselen over de procedure naar aanleiding van het onderzoek.
33. Eiser vindt dat door openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen niemand wordt benadeeld. Alle financiële gegevens van […] zijn openbaar. Ook is dit onderwerp niet meer actueel. De eventuele opvattingen van derden zijn van lang geleden. Verder stelt eiser dat het onderzoek en de documenten die voor het PwC-onderzoek nodig zijn geweest, niets van doen hebben met een persoonlijke beleidsopvatting. Het gaat namelijk over gegevens die gaan over eiser, […] en aanverwante entiteiten. Eiser vindt het onduidelijk hoe in deze documenten een persoonlijke beleidsopvatting kan zitten.
34. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van 5.2, eerste lid, van de Woo, wordt geen informatie verstrekt uit documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad waarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. De rechtbank is na kennis te hebben genomen van de vertrouwelijke stukken van oordeel dat het college de passages in de documenten 027, 050, 051, 052 en 116 terecht heeft aangemerkt als intern beraad. Deze onleesbaar gemaakte passages hebben betrekking op informatie-uitwisseling tussen verschillende ambtenaren van de gemeente onderling en bevatten geen advisering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college ten aanzien van deze passages terecht de weigeringsgrond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo heeft toegepast.
35. Op de zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de passage in document 146, de eerste twee zinnen van de voorlaatste alinea, ten onrechte is geweigerd op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. De passage in het document had volgens het college geweigerd moeten worden op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. Het college heeft toegelicht dat dit een e-mail betreft van een derde die niet werkzaam is binnen de gemeentelijke organisatie. De gelakte passage gaat over de afstemming hoe het onderzoek moet worden aangepakt. Het college stelt dat zo’n mededeling vertrouwelijk moet blijven, omdat personen anders geen medewerking meer willen verlenen aan het onderzoek.
36. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de motivering ten aanzien van document 146 in het bestreden besluit daarom niet juist is. De mondelinge motivering op de zitting vindt de rechtbank onvoldoende. Het college zal deze weigeringsgrond nader dienen te motiveren en daarbij betrekken dat andere passages uit het document die gaan over de afstemming van het onderzoek wel openbaar zijn gemaakt en het document inmiddels informatie bevat die ouder is dan vijf jaar. Dat maakt dat het bestreden besluit op dit onderdeel een motiveringsgebrek bevat.
Conclusie en gevolgen
37. Het beroep is gegrond op de volgende onderdelen: [1] de motivering van de zoekslag, [2] de weigering van informatie in de documenten 161, 163 en 165 op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Woo en [3] de weigering van informatie in document 146 op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Over onderdeel [1] heeft de rechtbank geconcludeerd dat de motivering die het college in de beroepsprocedure heeft gegeven toereikend is. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan de bestuursrechter een besluit, ondanks schending van een rechtsregel, in stand laten indien het aannemelijk is dat de belanghebbende door deze schending niet is benadeeld. Eiser is in dit geval niet benadeeld, omdat de aanvulling van de motivering niet tot een andere uitkomst in het bestreden besluit had geleid en eiser op de zitting op de aanvulling heeft kunnen reageren. Daarom zal de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen voor wat betreft de documenten 161, 163, 165 en 146. De rechtbank draagt het college op om over deze documenten opnieuw te beslissen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak bij de nieuwe te nemen beslissing op bezwaar.
38. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 oktober 2023 voor zover het ziet op de documenten 161, 163, 165 en 146;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.