RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/112829-25; 16/146672-25 (t.t.z. gevoegd); 16/076787-23 (vord. tul).
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats]
hierna: [verdachte] .
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 augustus 2026. Met toestemming van de officier van justitie en de advocaat is het onderzoek ter zitting enkelvoudig gesloten op de zitting van 15 september 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting van 25 augustus 2026 waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De rechtbank heeft de feiten die bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/146672-25 en 16/112829-25 genoemd worden, in die genoemde volgorde genummerd als feit 1 en feit 2. De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1:
op 17 februari 2025 in Almere samen met een ander een iPhone 14 Pro Max van [aangever] heeft gestolen;
feit 2:
op 7 maart 2025 in Lelystad samen met anderen [winkel] heeft overvallen (primair);
dit is subsidiair tenlastegelegd als het samen met anderen uitlokken van de twee overvallers tot het plegen van de overval en
meer subsidiair als het medeplichtig zijn aan de overval.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van feit 2 primair en feit 2 subsidiair. Ten aanzien van feit 2 meer subsidiair heeft de advocaat om partiële vrijspraak gevraagd voor enkele tenlastegelegde gedragingen. Ten aanzien van feit 1 heeft de advocaat geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Overwegingen ten aanzien van feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 2 primair en feit 2 subsidiair niet zijn bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij.
Op basis van het dossier kan onvoldoende worden vastgesteld dat de bijdrage van [verdachte] aan de overval van zodanige aard was dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat [verdachte] als uitvoerder bij de overval betrokken was, of dat hij op andere wijze nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij het plegen van de overval. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feitelijke uitvoering van de overval is verricht door de medeverdachten. Dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een voorbespreking in Harderwijk, daags voor de overval, is niet gebleken. Op grond van het dossier en de verklaring van [verdachte] kan wel worden vastgesteld dat hij op de dag van de overval aanwezig is geweest bij een ontmoeting met de medeverdachten en bij die gelegenheid de hamer die bij de overval is gebruikt, aan hen heeft geleverd. Deze gedragingen leggen onvoldoende gewicht in de schaal om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen, maar zijn aan te merken als medeplichtigheid. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] wist dat zij die hamer bij een overval zouden gebruiken en dat hij de hamer desondanks heeft verstrekt, waarmee ook zijn opzet is gegeven.
Verder is ook niet gebleken dat de uitvoerders door uitlokkingshandelingen van [verdachte] , zoals het geven van giften of het maken van beloftes, tot de overval zijn gekomen. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde.
Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2 meer subsidiair
[verdachte] bekent dat hij feit 1 en feit 2 meer subsidiair heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om (integrale) vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van [verdachte] – ten aanzien van feit 1 en feit 2 meer subsidiair – op de zitting van 25 augustus 2026;
een proces-verbaal van aangifte van 17 februari 2025, betreffende de verklaring van [aangever] ;
- een proces-verbaal van bevindingen van 24 februari 2025, betreffende de verklaring van [medeverdachte 1] ;
- een proces-verbaal van aangifte van 7 maart 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer 2] ;
- een proces-verbaal van aangifte van 10 maart 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer 1] ;
- een proces-verbaal van aangifte van 10 maart 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer 3] ;
- een proces-verbaal van aangifte van 28 maart 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer 4] ;
- een proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2025, betreffende de inventarisatie van de weggenomen sieraden;
- een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 17 maart 2025;
- een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] van 13 maart 2025;
- een proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2025, betreffende het aantreffen van het vuurwapen;
- een proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict van 21 maart 2025, betreffende het verzegelen en waarmerken van het vuurwapen;
- een proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2025, betreffende de categorisering van het vuurwapen.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1:
op 17 februari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een ander, een mobiele telefoon (Iphone 14 Pro Max), die geheel aan [aangever] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2 meer subsidiair:
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 7 maart 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, sieraden, die geheel aan de [winkel] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
- met gezichtsbedekkende kleding de winkel van [winkel] te betreden en
- met een hamer, vitrines kapot te slaan en
- sieraden te pakken en in een tas te stoppen en mee te nemen en
- de loop van eenvuurwapen te richten op, in elk geval te tonen, aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 3] en een of meer andere onbekend gebleven personen en
- ( daarbij) de woorden toe te voegen "schieten" en/of "schiet maar", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 7 maart 2025 te Lelystad, opzettelijk een middel heeft verschaft, door aanwezig te zijn bij de ontmoeting met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en een hamer of moker te leveren.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 2 meer subsidiair:
medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot
een jeugddetentie van 290 dagen, met aftrek van het voorarrest;
een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel), geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder de bijzondere voorwaarden genoemd in het reclasseringsrapport van 17 augustus 2026, met daarnaast als aanvullende voorwaarden:
o het meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen;
o een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] .
Ten aanzien van het locatiegebod heeft de officier van justitie gevorderd dat dit voor maximaal zes maanden mag worden gecontroleerd door middel van elektronische monitoring (enkelband). De officier van justitie heeft tot slot gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het advies van de deskundigen waarin wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en [verdachte] ten aanzien van feit 2 in verminderde mate toerekeningsvatbaar te verklaren. De advocaat heeft de rechtbank verzocht om een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest. De advocaat heeft de rechtbank verder verzocht zich aan te sluiten bij het advies van de deskundigen en een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Tot slot heeft de advocaat verzocht om aan het locatiegebod geen elektronische monitoring te koppelen, omdat [verdachte] al op grond van een eerder opgelegde gedragsbeïnvloedende maatregel een enkelband draagt. Ook is een elektronische monitoring een vergaande vrijheidsbeperkende maatregel en moet de duur hiervan beperkt blijven.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich als medeplichtige schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een juwelier in Lelystad. De overval vond overdag plaats, terwijl de winkel geopend was. Vitrines zijn met geweld kapotgeslagen en winkelpersoneel en klanten zijn bedreigd met een vuurwapen.
[verdachte] heeft daaraan bijgedragen door een hamer te leveren aan de uitvoerders, terwijl hij zich wel kon voorstellen waar deze voor bedoeld was, namelijk het kapotslaan van vitrines. Ook heeft [verdachte] bij de levering van de hamer het vuurwapen gezien dat vervolgens door de uitvoerders is meegenomen naar de overval en is gebruikt om te richten op het winkelpersoneel, klanten en andere omstanders, waaronder een kind van 11 jaar.
Door medeplichtig te zijn aan de gewapende overval is [verdachte] medeverantwoordelijk voor de dreiging die daarvan is uitgegaan voor het personeel van de juwelierszaak en het winkelend publiek. Uit hun verklaringen blijkt dat zij hier zeer angstig van zijn geweest. Een dergelijke gebeurtenis heeft doorgaans een grote impact op slachtoffers en kan langdurige psychische gevolgen hebben, zoals in deze ook blijkt uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering benadeelde partij. [verdachte] heeft dit kennelijk voor lief genomen.
Daarnaast heeft [verdachte] een diefstal van een telefoon georganiseerd door via Marktplaats berichten te versturen aan het slachtoffer, dat zijn telefoon wilde verkopen, en een ontmoeting te regelen. Vervolgens heeft [verdachte] een minderjarige ingehuurd om naar de woning van het slachtoffer te gaan en de telefoon weg te nemen. Het is zorgelijk dat [verdachte] nog steeds geen respect heeft voor andermans eigendommen, ook na eerdere veroordelingen voor vermogensfeiten. Zijn handelen laat ook berekening zien, in die zin dat hij eerst alles zelf organiseert en vervolgens een minderjarige het vuile werk laat opknappen. Ook de uitvoerders van de overval waren minderjarig. Dit ogenschijnlijke patroon waarbij minderjarigen worden ingezet voor het plegen van strafbare feiten, terwijl [verdachte] op de achtergrond blijft, vindt de rechtbank bijzonder zorgelijk.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft over [verdachte] kennisgenomen van:
- zijn strafblad van 11 mei 2026;
- een Pro Justitia-rapport van 24 februari 2026, uitgebracht door een kinder- en jeugdpsychiater en een psycholoog;
- een rapportage van Tactus van 17 augustus 2026;
- wat de deskundigen van SAVE en Tactus op de zitting hebben gezegd.
Justitiële documentatie
Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat hij eerder meermalen is veroordeeld, onder meer voor vermogensfeiten. Daarnaast liep [verdachte] in een proeftijd toen hij onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd. Hier houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening mee.
Het advies van de psychiater en de psycholoog
Uit het Pro Justitia-rapport volgt dat bij [verdachte] sprake is van een normoverschrijdend-gedragsstoornis en zwakbegaafdheid. Daarnaast is de persoonlijkheidsontwikkeling bedreigd met antisociale trekken. Ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten was van voornoemde problematiek sprake en beïnvloedde die de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] . De deskundigen adviseren daarom het onder feit 2 tenlastegelegde in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde onthouden de deskundigen zich van een advies over toerekenen, omdat daarvoor geen delictscenario kon worden opgesteld. De deskundigen adviseren om het minderjarigenstrafrecht toe te passen, gelet op de ontwikkelingsachterstand van [verdachte] , de beperkingen in diens cognitieve en handelingsvaardigheden en de daarmee samenhangende pedagogische beïnvloedbaarheid. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.
De deskundigen adviseren bij een bewezenverklaring een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Een langdurige behandeling waarin intensief toezicht kan worden afgedwongen is nodig om de ontwikkeling van [verdachte] te bevorderen en de kans op recidive te beperken. Een lichtere maatregel wordt als ontoereikend beschouwd.
Het advies van Tactus
Tactus concludeert dat de uitvoering van een voorwaardelijke PIJ-maatregel mogelijk is. Omdat [verdachte] zich in het verleden niet altijd aan voorwaarden heeft gehouden en sprake is geweest van recidive, ondanks een eerder opgelegde maatregel, te weten een ITB harde kern met onder meer een locatiegebod, twijfelt de reclassering aan de haalbaarheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De Pro Justitia-rapporteurs zijn echter helder in hun rapport en stellen dat [verdachte] nog onvoldoende heeft kunnen profiteren van een passend pedagogisch kader. Daarom adviseert Tactus positief over de oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, onder de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport. Tactus adviseert tot slot het jeugdstrafrecht toe te passen.
Deskundigenverklaringen op zitting
Op de zitting heeft de deskundige van SAVE verklaard dat door de uitval van de vaste begeleider van [verdachte] , gedurende enige tijd geen controle heeft plaatsgevonden op [verdachte] en op de vraag of hij zich aan de voorwaarden hield. De behandeling bij Vast en Verder verliep aanvankelijk goed. De behandelaar was positief over [verdachte] en zag dat hij gemotiveerd was om mee te werken. Er waren echter ook zorgen, omdat [verdachte] zich niet altijd aan de voorwaarden hield, onder meer door zonder toestemming naar festivals te gaan. Er zijn dus nog steeds zorgen, maar [verdachte] boekt ook vooruitgang.
De deskundige van SAVE heeft met de behandelaar van [verdachte] gesproken en zij hebben geconcludeerd dat het middelengebruik van [verdachte] iets is waar aandacht voor nodig is. De deskundige adviseert de rechtbank daarom ook een bijzondere voorwaarde op te leggen die ziet op de controle van het middelengebruik van [verdachte] . Tot slot heeft de deskundige aangegeven dat de elektronische monitoring in het kader van het locatiegebod voor een periode van ten minste zes maanden moet worden opgelegd, maar dat de reclassering deze indien gewenst ook eerder kan beëindigen.
De deskundige van Tactus heeft op de zitting verklaard dat wordt geadviseerd het locatieverbod (ten aanzien van winkelcentrum [winkelcentrum] ) niet met elektronisch toezicht te controleren. De reden daarvoor is dat elektronisch toezicht in dat geval niet eerder kan worden beëindigd door de reclassering, terwijl dat in een later stadium mogelijk wel wenselijk is. Dat kan voor [verdachte] ingrijpende gevolgen hebben en bijvoorbeeld het vinden van een baan bemoeilijken. Elektronisch toezicht in het kader van het locatiegebod kan wel door de reclassering eerder worden beëindigd en is dus wel gewenst.
Verminderde toerekenbaarheid
In het hiervoor genoemde rapport van de psycholoog en de psychiater wordt geadviseerd het onder feit 2 tenlastegelegde in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij [verdachte] bestond tijdens het begaan van feit 2 meer subsidiair een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Ook hiermee houdt de rechtbank dus rekening bij het bepalen van de straf en maatregel.
Toepassing adolescentenstrafrecht (geen volwassenenstrafrecht)
[verdachte] was 18 jaar ten tijde van het plegen van de feiten. Dat maakt dat in beginsel het volwassenstrafrecht op hem van toepassing is, tenzij de rechtbank in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan aanleiding ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de hoofdregel en om bij de bestraffing van [verdachte] het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarbij baseert zij zich onder meer op het Pro Justitia-rapport en het reclasseringsrapport van Tactus waarin wordt geadviseerd om het jeugdstafrecht toe te passen. Daarin staat dat uit het Wegingskader Adolescentenstrafrecht factoren naar voren komen voor de toepassing van het jeugdstrafrecht. Zo heeft [verdachte] moeite met het organiseren van zijn eigen gedrag en kan hij impulsief reageren. Ook is sprake van beperkte handelingsvaardigheden en functioneert hij op zwakbegaafd niveau. Gelet hierop, en ook op de indruk die de rechtbank van [verdachte] op de zitting heeft gekregen, ziet de rechtbank aanleiding om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en zal de rechtbank hem dan ook overeenkomstig het jeugdstrafrecht berechten.
De op te leggen straf en maatregel
Met inachtneming van het voorgaande, komt de rechtbank tot de volgende overwegingen over de op te leggen straf en maatregel.
PIJ-maatregel
Om de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke PIJ-maatregel op te kunnen leggen, moet zijn voldaan aan de verschillende voorwaarden die in artikel 77s Sr worden genoemd. Ten eerste moet de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of stoornis hebben. Ten tweede moet het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd een misdrijf zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld of het feit moet behoren tot één van de misdrijven omschreven in onder andere artikel 285 Sr. Ten derde moet de PIJ-maatregel volgens de wet noodzakelijk zijn voor de veiligheid van andere personen of goederen. Als laatste moet de PIJ-maatregel in het belang van de ontwikkeling van [verdachte] zijn.
Gelet op de misdrijven waaraan [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt en de conclusies van de Pro Justitia-rapporteurs over [verdachte] is aan deze voorwaarden voldaan. Bij [verdachte] is immers vastgesteld dat ten tijde van het plegen van de strafbare feiten sprake was van een normoverschrijdend-gedragsstoornis en zwakbegaafdheid. Daarnaast heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Verder is er een hoge kans aanwezig dat [verdachte] opnieuw delinquent gedrag zal vertonen en is de voorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang van de ontwikkeling van [verdachte] , aldus de deskundigen.
Omdat aan de voorwaarden voor het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is voldaan, en met inachtneming van de hiervoor besproken adviezen van de pro-justitiarapporteurs en Tactus, zal de rechtbank een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan [verdachte] opleggen, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie. Deze voorwaarden zijn gericht op behandeling en begeleiding van [verdachte] .
De rechtbank zal aan het locatiegebod ook elektronische monitoring koppelen zoals dat is geadviseerd door de deskundigen op zitting. Uit de verklaringen van de deskundigen op zitting is gebleken dat [verdachte] zich meermalen niet aan het locatiegebod heeft gehouden. De deskundigen willen daarom de komende periode goed zicht behouden op waar hij zich bevindt. De rechtbank oordeelt dat dit noodzakelijk is. De elektronische monitoring wordt opgelegd voor de duur van maximaal zes maanden. Als de jeugdreclassering oordeelt dat elektronische monitoring niet langer noodzakelijk is, mag de elektronische monitoring ook worden beëindigd. Dat [verdachte] bij een eerdere veroordeling ook al elektronische monitoring opgelegd heeft gekregen, staat er niet aan in de weg dat [verdachte] ook nu elektronische monitoring opgelegd krijgt. Voor [verdachte] vormt een dergelijk ‘dubbel kader’ geen verzwaring.
De rechtbank zal een proeftijd van twee jaren verbinden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel en de jeugdreclassering de opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een overval waarbij slachtoffers zijn bedreigd met een geladen vuurwapen. De bijdrage van [verdachte] – het leveren van een hamer waarmee vervolgens de vitrines zijn kapotgeslagen, terwijl hij wist dat bij de overval ook een vuurwapen zou worden gebruikt – maakt naar het oordeel van de rechtbank dat ook [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. Dit betekent dat, als de voorwaardelijke PIJ-maatregel op enig moment wordt omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, deze kan worden verlengd als bedoeld in artikel 6:6:31, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Zoals hiervoor overwogen heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Gelet op de voornoemde rapportages en adviezen, oordeelt de rechtbank dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] zonder de juiste hulp en begeleiding opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. De rechtbank vindt het daarom in het belang van [verdachte] dat de al ingezette begeleiding en behandeling ook bij een eventueel in te stellen hoger beroep wordt voortgezet. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Jeugddetentie
Gelet op de aard en ernst van de feiten, zoals hiervoor overwogen, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven waarop alleen een onvoorwaardelijke jeugddetentie van lange duur passend is.
Bij het bepalen van de hoogte van de jeugddetentie heeft de rechtbank gelet op straffen die doorgaans voor soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In deze LOVS-oriëntatiepunten wordt onderscheid gemaakt tussen straffen voor meerderjarigen en voor minderjarigen. De rechtbank neemt voor de duur van de jeugddetentie als uitgangspunt een strafmaat die ligt tussen de volgende LOVS-oriëntatiepunten voor het plegen van een winkeloverval:
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar voor meerderjarigen;
een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van (ten minste) 4 maanden voor minderjarigen.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de genoemde richtlijnen zien op het plegen van een winkeloverval als pleger, terwijl [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de medeplichtigheid aan de winkeloverval in verminderde mate aan [verdachte] kan worden toegerekend.
In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het volgende:
[verdachte] wist dat twee minderjarigen overdag een gewapende overval met vuurwapen zouden plegen;
naast de medeplichtigheid aan de winkeloverval heeft [verdachte] zich ook schuldig gemaakt aan medeplegen van de diefstal van een telefoon;
[verdachte] is eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld en liep tijdens het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd;
uit het dossier komt naar het oordeel van de rechtbank een beeld van [verdachte] naar voren waarin hij een gewoonte heeft gemaakt van het inzetten van jonge kwetsbare jongens om criminele opdrachten uit te voeren, terwijl hij zelf op de achtergrond blijft.
Rekening houdend met al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat naast de voorwaardelijke PIJ-maatregel een jeugddetentie gelijk aan de tijd die [verdachte] al in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden is. De rechtbank legt [verdachte] daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie op voor de duur van 290 dagen, met aftrek van het voorarrest. Dat betekent dat [verdachte] niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.
6. In beslag genomen voorwerpen
Volgens een beslaglijst van 3 mei 2024 is beslag gelegd op:
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het wapen te onttrekken aan het verkeer. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de telefoontoestellen en de computer te retourneren aan de rechthebbenden, dan wel de beslagene.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw kon zich vinden in de vordering van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen telefoons en computer, aan degenen die redelijkerwijs als rechthebbende van deze voorwerpen kunnen worden aangemerkt. Vijf telefoontoestellen en de computer worden geretourneerd aan [verdachte] . Ten aanzien van twee andere toestellen zijn de rechthebbenden [medeverdachte 3] en [aangever] .
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal het in beslag genomen wapen onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. Het voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door [verdachte] begane feiten aangetroffen. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 7.959,71 voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.959,71 voor vergoeding van materiële schade en € 3.000 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
1. eigen bijdrage HSK Groep: € 633,42;
2. verlies arbeidsvermogen: € 4.326,29.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat een causaal verband tussen de gevorderde schade en de gedragingen van [verdachte] , het leveren van een hamer, ontbreekt. Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de schadepost ten aanzien van het verlies van arbeidsvermogen moet worden afgewezen, omdat van daadwerkelijk verlies aan arbeidsvermogen niet is gebleken. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de advocaat het toe te wijzen bedrag te matigen en de vergoeding naar billijkheid vast te stellen. Tot slot verzoekt de advocaat dat slechts een vergoeding wordt toegewezen voor het gedeelte van de schade dat aan [verdachte] is toe te rekenen.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het onder feit 2 gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Er is immers geconstateerd dat de klachten van de benadeelde partij passen bij PTSS. Ook heeft zij daarvoor EMDR-therapie gevolgd. Daarnaast ligt het voor de hand dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen na een gewapende overval waarbij een vuurwapen op haar was gericht. Anders dan de advocaat oordeelt de rechtbank dat dit, alsmede de materiële schade, rechtstreekse schade betreft die aan [verdachte] is toe te schrijven. [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank immers medeplichtig aan de gehele overval en daarmee dus medeverantwoordelijk voor de schade die de benadeelde partij daaraan heeft overgehouden.
Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel (€ 3.000) toe.
Materiële schade – eigen bijdrage
De vordering tot vergoeding van materiële schade ten aanzien van de eigen bijdrage is voldoende onderbouwd en namens [verdachte] niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 2 meer subsidiair bewezen verklaarde, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding hiervan daarom geheel (€ 633,42) toe.
Materiële schade – gederfde inkomsten
De vordering tot vergoeding van materiële schade ten aanzien van de gederfde inkomsten is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 2 meer subsidiair bewezen verklaarde, voor het gevorderde bedrag. Niet is betwist dat de benadeelde tot en met maart 2025 het aantal uren heeft gewerkt zoals dat is aangegeven in de vordering. Vervolgens bevat de vordering een logische onderbouwing over hoeveel werkuren de benadeelde heeft misgelopen door het verlies van volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de in de vordering gehanteerde berekening, die is gebaseerd op het gemiddelde betaalde loon van vóór de overval en het loon dat na de overval in verband met de ziekmelding als gevolg van de overval, is uitbetaald. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding hiervan daarom geheel (€ 4.326,29) toe.
De wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de eigen bijdrage wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2025, omdat de facturen voor de eigen bijdrage dateren van 22 oktober 2025 en 6 november 2025, en 30 oktober 2025 hiertussen ligt. De vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025, omdat deze datum halverwege de periode tussen april 2025 en april 2026 ligt (de periode waarin het aantal misgelopen uren is berekend).
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. Zoals al overwogen, is ook dit een hoofdelijke veroordeling.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 7.959,71 aan de Staat moet betalen.
De vergoeding van de eigen bijdrage wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2025 en de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen vanaf 25 oktober 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald,
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De kinderrechter van deze rechtbank heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummers 16/076787-23 en 16/048247-23 (gev. ttz) op 24 april 2023 een werkstraf van 60 uren voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde werkstraf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
[verdachte] heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Bovendien gaat het opnieuw om vermogensfeiten. Ook is niet gebleken van een evidente reden waarom het verrichten van deze werkstraf het behandelingstraject van [verdachte] zou doorkruisen. Om die redenen zal de werkstraf van 60 uren alsnog ten uitvoer gelegd worden.
9. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen, maatregel, beslissing op het beslag en de schadevergoedingsmaatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36b, 36d, 36f, 48, 49, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 2 primair en feit 2 subsidiair niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie voor de duur van 290 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- stelt als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :
[medeverdachte 2] , geboren op [2009] in [geboorteplaats] ;
[medeverdachte 3] , geboren op [2010] in [geboorteplaats] (Eritrea);
[medeverdachte 4] , geboren op [2007] in [geboorteplaats] ;
[medeverdachte 5] , geboren op [2010] in [geboorteplaats] ;
[medeverdachte 1] , geboren op [2008] in [geboorteplaats] ;
zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
1 STK Wapen (omschrijving: PL0900-2025052034-3494907, zwart);
- gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [medeverdachte 3] (geboren op [2010] in [geboorteplaats] (Eritrea)) van het volgende voorwerp:
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025052034-3495004, wit, merk: apple);
- gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [aangever] (geboren op [1966] in [geboorteplaats] ) van het volgende voorwerp:
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025052034-3495010, creme, merk: apple);
- gelast de teruggave aan [verdachte] van de volgende voorwerpen:
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2 meer subsidiair)
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] geheel toe tot een bedrag van € 7.959,71, bestaande uit een vergoeding van € 4.959,71 voor materiele schade en € 3.000,- voor immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
over een bedrag van € 633,42 (eigen bijdrage) met ingang van 30 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 4.326,29 (verlies aan arbeidsvermogen) met ingang van 25 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 3.000,- (immateriële schade) met ingang van 7 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 633,42 (eigen bijdrage) met ingang van 30 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 4.326,29 (verlies aan arbeidsvermogen) met ingang van 25 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 3.000,- (immateriële schade) met ingang van 7 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16/076787-23
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter van deze rechtbank bij vonnis van 24 april 2023 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. bij de Vaate, voorzitter tevens kinderrechter, mr. J.F. Haeck en mr. M. Rasterhoff, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
De voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/146672-25:
feit 1:
hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een mobiele telefoon (Iphone 14 Pro Max), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 16/112829-25:
feit 2 primair:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met donkere en/of gezichtsbedekkende kleding de winkel van [winkel] te betreden en/of
- ( een) (op een) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp) te richten naar/op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval te tonen aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 3] en/of
- met een hamer, in elk geval een zwaar en/of hard voorwerp, vitrines kapot te slaan en/of te openen en/of
- sieraden te pakken en/of in een tas te stoppen en/of mee te nemen en/of
- de loop van (een) (op een) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp) te richten naar/op, in elk geval te tonen aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 3] en/of een of meer andere onbekend gebleven personen en/of
- ( daarbij) de woorden toe te voegen "schieten" en/of "schiet maar", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
feit 2 subsidiair:
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 7 maart 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
- met donkere en/of gezichtsbedekkende kleding de winkel van [winkel] te betreden en/of
- ( een) (op een) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp) te richten naar/op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval te tonen aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 3] en/of
- met een hamer, in elk geval een zwaar en/of hard voorwerp, vitrines kapot te slaan en/of te openen en/of
- sieraden te pakken en/of in een tas te stoppen en/of mee te nemen en/of
- de loop van (een) (op een) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp) te richten naar/op, in elk geval te tonen aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 3] en/of een of meer andere onbekend gebleven personen en/of
- ( daarbij) de woorden toe te voegen "schieten" en/of "schiet maar", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 6 tot en met 7 maart 2025 te Lelystad en/of Almere en/of Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, immers heeft hij met/bij/aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] meermalen, althans eenmaal,
- een opdracht gegeven tot het plegen van een diefstal met geweld en/of
- gevraagd of die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] 'fit' waren en/of
- een hamer en/of moker en/of een vuurwapen geleverd aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of
- een telefoon van die [medeverdachte 3] bewaard en/of verschaft;
feit 2 meer subsidiair:
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 7 maart 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
- met donkere en/of gezichtsbedekkende kleding de winkel van [winkel] te betreden en/of
- ( een) (op een) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp) te richten naar/op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval te tonen aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 3] en/of
- met een hamer, in elk geval een zwaar en/of hard voorwerp, vitrines kapot te slaan en/of te openen en/of
- sieraden te pakken en/of in een tas te stoppen en/of mee te nemen en/of
- de loop van (een) (op een) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp) te richten naar/op, in elk geval te tonen aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 3] en/of een of meer andere onbekend gebleven personen en/of
- ( daarbij) de woorden toe te voegen "schieten" en/of "schiet maar", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door telefonisch contact te onderhouden en/of een ontmoeting te initiëren en/of aanwezig te zijn bij de ontmoeting met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een hamer en/of moker te leveren/verschaffen.