RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.152904.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair
op 14 februari 2025 in Utrecht zich als bestuurder van een autobus zodanig heeft gedragen (zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend) dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (zwaar lichamelijk) letsel is ontstaan bij [slachtoffer] ;
subsidiair
op 14 februari 2025 in Utrecht zich als bestuurder van een autobus zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en vindt bewezen dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van zowel het primaire als het subsidiaire feit omdat er geen sprake is van schuld in strafrechtelijke zin en evenmin van voldoende concreet gevaarzettend gedrag.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3..
De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, omdat zij tot het normale verkeersbeeld behoorde.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte als bestuurder van een autobus zodanig heeft gereden dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden.
Het ongeval
De rechtbank gaat op basis van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte reed op 14 februari 2025 in de vroege ochtend als bestuurder van een lijnbus over de Burgemeester Reigerstraat in de richting van het centrum van Utrecht. Het slachtoffer reed op de fiets op de fietsstrook voor de lijnbus uit. Op het kruispunt met de Maliebaan eindigde de fietsstrook en fietste het slachtoffer verder over de rijstrook voor het overige verkeer. Na de kruising met de Maliebaan begint de Nachtegaalstraat , dat is een fietsstraat. Nét voor het begin van deze fietsstraat begon de verdachte het slachtoffer in te halen. De rechtervoorzijde van de lijnbus (rechterspiegel) en het linkerhandvat van de fiets raakten elkaar daarbij. Dit gebeurde op het wegdek waar de rijstrook van de Nachtegaalstraat overging in de fietsstraat. Hierdoor kwam het slachtoffer ten val en werd zij overreden door het rechter achterwiel van de bus. Als gevolg van het ongeval heeft zij ernstig letsel opgelopen.
Voor wat betreft de kwalificatie van de feiten overweegt de rechtbank het volgende.
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet worden vastgesteld dat de verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander (ernstig) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit alleen de ernst van de gevolgen van verkeergedrag kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een beperkte, tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Concreet betekent dit dat hoe erg de gevolgen van een ongeluk ook zijn daaruit niet automatisch volgt dat de bestuurder strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Om een aanmerkelijke, dan wel een sterkere mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te stellen, moet de rechtbank kijken naar alle vaststaande feiten en omstandigheden van het geval.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De verdachte is een beroepschauffeur die bekend was met de zogenoemde gelede bus die hij op 14 februari 2025 bestuurde. De verdachte kende ook de verkeerssituatie ter plaatse omdat hij de route vaker reed. Ook was hij ermee bekend dat de Nachtegaalstraat een zogeheten fietsstraat is.
Het ongeval heeft plaatsgevonden op de rijstrook voor het overige verkeer waar de fietsers door een wit vlak (verdrijvingsvlak) wordt aangeduid dat zij hun weg moeten vervolgen in de richting van de Nachtegaalstraat , die was ingericht als fietsstraat. Verdachte wist dat op dat punt extra voorzichtigheid en oplettendheid was geboden omdat het een wegversmalling betrof en fietsers daar de rijbaan opkwamen die ook gebruikt werd door de bus en ander gemotoriseerd verkeer. Fietsers zijn kwetsbare verkeersdeelnemers. Niettemin heeft de verdachte een inhaalmanoeuvre ingezet, waarbij hij het slachtoffer heeft geraakt en zij ten val is gekomen.
De verdachte zegt dat hij het slachtoffer niet heeft gezien en dat hij anders wel achter haar was blijven rijden.
Er is door de politie een proces-verbaal opgemaakt van het uitkijken van de camerabeelden met foto-stills, waaruit blijkt dat het slachtoffer vóórdat de bus haar begon in te halen op de rijbaan ging rijden en dus zichtbaar was. Deze camerabeelden zijn op zitting afgespeeld. De camera waarmee de beelden gemaakt zijn, hing achter de chauffeur en filmde in de rijrichting door de voorruit van de bus. Hoewel de camera volgens verdachte iets hoger hangt dan de ogen van de chauffeur, gaat de rechtbank er van uit dat wat op de camerabeelden te zien is ook zichtbaar was voor de chauffeur. De rechtbank heeft waargenomen dat op de camerabeelden tot het moment van het ongeval gedurende 34 seconden fietsers in beeld zijn. Het slachtoffer is één van die fietsers en is tenminste 22 seconden waarneembaar. Zij is al in beeld op het moment dat zijzelf en de bus nog op de Burgemeester Reigerstraat rijden, ruim vóór de kruising met de Maliebaan .
De conclusie is dat de verdachte het slachtoffer had kunnen en moeten opmerken. Het slachtoffer reed namelijk geruime tijd voor de verdachte uit, het overige verkeer was rustig, er was daglicht en niet is gebleken dat sprake is geweest van enige belemmering om het slachtoffer te kunnen waarnemen. De verdachte heeft bij het bekijken van de camerabeelden zelf ook niet kunnen verklaren waarom hij haar niet heeft gezien.
Omdat het slachtoffer tenminste 22 seconden zichtbaar was voor de verdachte, is volgens de rechtbank niet slechts sprake geweest van een moment van beperkte, tijdelijke onoplettendheid. Het standpunt van de verdediging, dat verdachte het slachtoffer niet hoefde te zien omdat zij en de andere fietsers opgingen in het normale verkeersbeeld, wordt als onbegrijpelijk verworpen. Een buschauffeur moet altijd goed opletten op fietsers die voor of naast zijn bus fietsen en al helemaal op deze plek, om redenen die hiervoor zijn gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat de hierboven beschreven gedragingen van de verdachte, gelet op de omstandigheden waaronder deze gedragingen plaatsvonden, naar hun aard en ernst zodanig afwijken van het gedrag en de voorzichtigheid die van een normale verkeersdeelnemer verwacht mogen worden, dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
Causaliteit
Aan de verdachte is overtreding van artikel 6 WVW ten laste gelegd. Op grond van dit artikel is het eenieder die aan het verkeer deelneemt, verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Dit betekent dat er een tweeledig causaal verband moet worden vastgesteld: ten eerste dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van de gedragingen van de verdachte en ten tweede dat als gevolg van dat ongeval een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.
De raadsman heeft bepleit dat de conclusie van het forensisch onderzoek, dat het ongeluk is veroorzaakt als gevolg van de inhaalmanoeuvre van de verdachte, niet juist is. Op basis van de camerabeelden is volgens de raadsman de conclusie gerechtvaardigd dat de fietser niet uiterst rechts fietste en dat zij de fietser voor haar, zonder achterom te kijken, probeerde in te halen, ten gevolge waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden.
De raadsman stelt dat er voldoende ruimte was op de rijbaan en dat de verdachte de fietser gemakkelijk in had kunnen halen, als de fietser voldoende rechts had gehouden.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en gebruikt de bevindingen van het forensisch onderzoek voor het bewijs. De rechtbank overweegt dat de verdachte – gelet op de wegsituatie aldaar – hoe dan ook achter het slachtoffer had moeten blijven en haar niet had mogen inhalen. Het ongeluk vond plaats aan het begin van een fietsstraat. Fietsers mogen op een fietsstraat de rijbaan gebruiken en motorrijtuigen mogen fietsers niet inhalen, tenzij dit veilig kan en zonder de fietsers te hinderen of te dwingen opzij te gaan. Nu het slachtoffer al enige tijd zichtbaar was voor de verdachte, had hij kunnen en moeten anticiperen op de mogelijkheid dat het slachtoffer op haar fiets voornemens was om vóór de bus de wegversmalling op te rijden. Verder blijkt uit de conclusies van de forensisch deskundigen in de verkeersongevalsanalyse, die de rechtbank tot de hare maakt, dat er onvoldoende ruimte was om het slachtoffer veilig te passeren.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat er causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Het ongeval zou immers niet hebben plaatsgevonden zonder het hiervoor beschreven rijgedrag van de verdachte. Door het slachtoffer in te halen op een plaats waar dat zo niet kon en mocht, is de verdachte tegen het slachtoffer aangebotst.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het letsel van het slachtoffer naar algemeen spraakgebruik aangemerkt moet worden als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de medische verklaring en de verklaring van het slachtoffer van 29 maart 2025 vast dat het slachtoffer ten gevolge van het ongeval een hoofdwond en ernstig beenletsel heeft opgelopen, bestaande uit verschillende breuken en ernstig letsel aan haar kniebanden, waaraan zij in ieder geval tot twee maal toe een medische ingreep heeft moeten ondergaan. De duur van het herstel werd ingeschat op 18-24 maanden en er zijn diverse schroeven/pinnen in de enkel van het slachtoffer geplaatst om alles te fixeren. Op 7 augustus 2025 is het slachtoffer voor het laatst gesproken en toen gaf zij aan nog niet volledig te zijn hersteld en ook nog niet te kunnen werken.
Conclusie
Gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. De rechtbank merkt het verkeersgedrag van de verdachte aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, zoals hieronder is weergegeven.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 14 februari 2025, te Utrecht,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (autobus),daarmede rijdende over de weg, de Nachtegaalstraat en het kruispunt van de Nachtegaalstraat met de Maliebaan ,zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevondendoor aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,- terwijl de bestuurster van de fiets, te weten [slachtoffer] , op de fietsstrook reed en
- nadat voornoemde fietsstrook door middel van een wit vlak was geëindigd en het fietsverkeer hun weg moest vervolgen op de rijstrook voor het overige verkeer één of meer fietser(s) kort voor of tijdens een wegversmalling in te halen en te passeren en
- ( daarbij) tegen het stuur van die [slachtoffer] aan te rijden en te botsen,waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en daarbij gedeeltelijk onder de bus terecht is gekomen,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en ernstig beenletsel (te weten onder meer letsel aan de kniebanden en een breuk in het kuitbeen en een enkelbreuk) werd toegebracht.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert,
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om veel meer dan de officier van justitie rekening te houden met de impact die het ongeval op de verdachte heeft gehad en verzoekt, indien de rechtbank van oordeel is dat er een straf moet volgen, ook vanwege het feit dat de verdachte fulltime werkt, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf van 100 uur op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft als bestuurder van een lijnbus een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is voor alle betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis. Het slachtoffer was, toen de politie haar voor het laatst sprak op 7 augustus 2025, nog steeds niet volledig hersteld. Van een buschauffeur mag worden verwacht dat hij fietsers in een dergelijke verkeerssituatie eerder opmerkt en ze niet inhaalt. Wel is de verdachte na het ongeluk meteen toegesneld om het slachtoffer te helpen en is hij zichtbaar begaan met de gevolgen die het voor haar heeft gehad.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 12 januari 2026. Hierop staan slechts twee oude WVW-feiten uit 1995 en 2008, waar de rechtbank bij het bepalen van de straf geen rekening mee zal houden.
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven nog steeds werkzaam te zijn als buschauffeur en zijn werk met veel plezier te doen. Voor het behoud van zijn baan is het cruciaal dat de verdachte kan blijven beschikken over zijn rijbewijs. Verder heeft de verdachte er blijk van gegeven het ongeval zeer te betreuren.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank vindt deze straf in beginsel passend gelet op de ernst van het strafbare feit en de gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de impact die het ongeval ook op hem heeft gehad reden om de taakstraf iets te matigen en de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijke op te leggen.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar op.
6. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
7. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Opsteyn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 14 februari 2025, te Utrecht, althans in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (autobus),daarmede rijdende over de weg, de Nachtegaalstraat en/of het kruispunt van de Nachtegaalstraat met de Maliebaan ,zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevondendoor zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- terwijl de bestuurster van de fiets, te weten [slachtoffer] , op de fietsstrook reed en/of- nadat voornoemde fietsstrook door middel van een wit vlak eindigde, althans was geëindigd en/of het fietsverkeer hun weg moest vervolgen op de rijstrook voor het overige verkeer één of meer fietser(s) kort voor of tijdens een wegversmalling in te halen en/of te passeren en/of-(daarbij) tegen het stuur van die [slachtoffer] aan te rijden en/of te botsen,waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en daarbij gedeeltelijk onder de bus terecht is gekomen,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en/of ernstig beenletsel (te weten onder meer letsel aan de kniebanden en/of een breuk in het kuitbeen en/of een enkelbreuk),of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 14 februari 2025, te Utrecht, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (autobus), daarmee rijdende op de weg, de Nachtegaalstraat en/of het kruispunt van de Nachtegaalstraat met de Maliebaan ,- terwijl de bestuurster van de fiets, te weten [slachtoffer] , op de fietsstrook reed en/of- nadat voornoemde fietsstrook door middel van een wit vlak eindigde, althans was geëindigd en/of het fietsverkeer hun weg moest vervolgen op de rijstrook voor het overige verkeer één of meer fietser(s) kort voor of tijdens een wegversmalling heeft ingehaald en/of gepasseerd en/of- (daarbij) tegen het stuur van die [slachtoffer] is aangereden en/of gebotst, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en daarbij gedeeltelijk onder de bus terecht is gekomen,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:
Locatie ongevalDatum: 14 februari 2025Adres: NachtegaalstraatPlaats: UtrechtNadere plaatsaanduiding: Maliebaan
Lichtgesteldheid: DaglichtBijzonderheden: nabij een kruising
Betrokken partijen:Partij 1: [verdachte] , buschauffeur van de betrokken bus. Kenteken bus: [kenteken] .Partij 2: [slachtoffer] , op de fiets en tevens slachtoffer.
Bij het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen.Vervoerd naar het ziekenhuis: Ja, UMC Utrecht Opgenomen: Ja
De verkeersongevallenanalyse, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: Interpretatie van het onderzoek
Op vrijdag 14 februari 2025 omstreeks 07:55 uur, had op de rijstrook voor het overige verkeer waar de fietsers door het witte vlak hun weg moesten vervolgen, op het kruispunt gevormd door de Nachtegaalstraat en de Maliebaan een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit verkeersongeval waren een lijnbus en een fiets betrokken.
De bestuurders van de lijnbus en de fiets reden beiden op de Nachtegaalstraat , komende uit de richting van de Burgemeester Reigerstraat en gaande in de richting van het Lucasbolwerk. De bestuurster van de fiets reed op de fietsstrook. Nadat de fietsstrook eindigde vervolgde de
bestuurster van de fiets haar weg op de rijstrook voor het overige verkeer. Nét voor het verlaten van het kruispunt wilde de bestuurder van de lijnbus de bestuurster van de fiets, die uiterst rechts op de rijbaan reed, inhalen. Als gevolg hiervan kwam de rechtervoorzijde van de lijnbus in botsing met het linkerhandvat van de fiets. Dit was de plaats op de weg waarop de rijstrook van de Nachtegaalstraat overging naar een fietsstraat. De bestuurster van de fiets is als gevolg van het verkeersongeval met onbekend letsel overgebracht naar het UMC Utrecht.Wegsituatie
Wij zagen dat de Nachtegaalstraat op het kruispunt met de Maliebaan :- bestond uit één rijbaan met een recht wegverloop;- was verdeeld in twee rijstroken en ter hoogte van het kruispunt onderling gescheiden door onderbroken wegmarkering en ter hoogte van de ongevalslocatie onderling gescheiden door een middeneiland;- aan beide zijden van de rijbaan een fietsstrook aanwezig was;- voor het fietsverkeer komende uit de richting van de Burgemeester Reigerstraat, gaande in de richting van Nachtegaalstraat eindigde de fietsstrook door middel van een wit vlak, waardoor het fietsverkeer hun weg moest vervolgen op de rijstrook voor het overige verkeer;
Wij zagen dat de Nachtegaalstraat tussen de Maliebaan en de Maliesingel was ingericht als fietsstraat.
Wij stelden vast dat het verkeersongeval had plaatsgevonden op de rijstrook voor het overige verkeer waar de fietsers door het witte vlak hun weg moesten vervolgen, op het kruispunt gevormd door de Nachtegaalstraat en de Maliebaan , gelegen binnen de zodanig aangegeven bebouwde kom van Utrecht in de gemeente Utrecht.
VerkeersmaatregelenWij zagen het volgende:in de fietsstraat op de Nachtegaalstraat waren de volgende verkeerstekens van toepassing: - de Nachtegaalstraat was door middel van een bord conform model L51b en door middel van markering op het rode geasfalteerde wegdek aangeduid als fietsstraat;- een gebod aanwezig was voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft, dit was aangegeven door middel van een verkeersbord op de middenberm conform model D2 van bijlage 1 van het RVV 1990.
SporenWij zagen dat op de gehele linkerzijde van de fiets krassporen aanwezig waren. Wij zagen dat het linker handvat beschadigd was en dat er glasdeeltjes in het handvat zaten. Wij zagen dat er glasdeeltjes aanwezig waren in de mand voorop de fiets.Wij zagen dat de voorste ruit aan de rechterzijde van de lijnbus gebarsten was en dat er glasdeeltjes in de lijnbus lagen. Rechtsonder in de gebarsten ruit zagen wij breuklijnen welke samenkwamen bij één centraal punt.
SchadepassingWij, verbalisanten, hebben op de plaats van het verkeersongeval een schadepassing uitgevoerd.Naar aanleiding van de gebarsten ruit met hierin de breuklijnen welke samenkwamen bij één centraal punt en de schade en glasdeeltjes in het linkerhandvat van de fiets konden de voertuigen in de onderlinge botspositie worden geplaatst.
BotspositieMet gebruikmaking van de schades aan de betreffende voertuigen en de camerabeelden werd duidelijk hoe de voertuigen zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden op het moment van het verkeersongeval. Hieruit bleek ons dat het linkerhandvat van het stuur van de fiets in contact is gekomen met de voorste ruit aan de rechterzijde van de lijnbus. De fiets bevond zich hierbij parallel aan de rechterzijde van de lijnbus.
BotsplaatsAan de hand van de door ons aangetroffen sporen op het wegdek van de Nachtegaalstraat en de camerabeelden kon door ons worden bepaald waar de lijnbus en de fiets hadden gereden op het moment van botsen. Na het contact tussen de fiets en de lijnbus kwamen er glasdeeltjes van de ruit van de lijnbus terecht op het wegdek. Ook troffen wij een bloedgelijkend spoor aan op de positie waar het glas lag. Hieruit bleek ons dat de botsing plaats heeft gevonden op de rijstrook voor het overige verkeer waar de fietsers door het witte vlak hun weg moesten vervolgen, op het kruispunt gevormd door de Nachtegaalstraat en de Maliebaan .
Proces-verbaal van camerabeelden, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende: Foto 3:
Het tijdstip is 07:52:57 uur. De camera bevindt zich aan de voorzijde van de bus. Te zien is dat het verkeerslicht groenlicht uitstraalt. Tevens rijden er diverse fietsers voor de bus uit.
Foto 4:
Het tijdstip is 07:53:05 uur. De camera bevindt zich aan de voorzijde van de bus. Te zien is dat op het kruisingsvlak Maliebaan /Burgemeester Reigerstraat/ Nachtegaalstraat de fietssuggestiestrook middels een wit vlak beëindigd wordt. Een fietser met een rode jas rijdt over het witte vlak en de fietser daarachter gaat op de rijbaan rijden.
Foto 5:
Het tijdstip is 07:53:07 uur. De camera bevindt zich aan de voorzijde van de bus. Te zien is dat de bus de fietsers gaat inhalen. Gezien de positie van de achterste fietser, lijkt het mij, verbalisant, aannemelijk dat de achterste fietser de fietser voor haar wilt inhalen.De Nachtegaalstraat , de straat waar de bus naartoe rijd bestaat uit één (1) rijstrook.
Foto 6:
Het tijdstip is 07:53:08 uur. De camera is gericht op de deur aan de voorzijde. Te zien is dat de bus een fietser gaat inhalen.
Foto 7:
Het tijdstip is 07:53:09 uur. De camera is gericht op de deur aan de voorzijde. Te zien is dat de bus de fietser inhaalt. De fietser doet haar linker arm naar voren toe. Het is niet waarneembaar wat hier de reden van is.
Foto 8:
Het tijdstip is 07:53:09 uur. De camera is gericht op de deur aan de voorzijde. Te zien is dat de fietser welke werd ingehaald ten val komt.
Foto 9:
Het tijdstip is 07:53:10 uur. De camera is gericht op de 2e deur. Te zien is dat de fietser ten val is gekomen.
Ter terechtzitting heeft de rechtbank het volgende waargenomen:
Op de camerabeelden is te zien dat er gedurende 34 seconden fietsers waarneembaar zijn geweest voor de verdachte. Het slachtoffer is op de camerabeelden in elk geval 22 seconden zichtbaar in beeld. Zij is al in beeld op het moment dat zijzelf en de bus nog op de Burgemeester Reigerstraat rijden, ruim vóór de kruising met de Maliebaan . Het is verder rustig op de weg.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 14 februari 2025, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:
Ik zag dat de vrouw viel en ik zag dat de vrouw toen met haar benen onder de bus terecht kwam. Ik zag dat de vrouw onder het rechter achterste wiel terecht kwam. Ik zag dat zij vervolgens met haar hoofd hard op de grond terecht kwam.
De medische verklaring betreffende [slachtoffer] , voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:
Uitwendig waargenomen letsel: wond + letsel botten been + hoofdwond
Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel e.d.): ernstig letsel banden knie. Breuk kuitbeen en enkel. Overdruk compartiment been -> openen operatief fasciotomie.
Datum waarop de persoon werd onderzocht: 14 februari 2025Geschatte duur van de genezing: 18-24 mnd
Proces-verbaal van verhoor slachtoffer van 29 maart 2025, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:
V: Wat is de aard van uw letsel?A: Ik heb diverse breuken in mijn linker been, zowel mijn knie als mijn enkel. Er zitten diverse schroeven in mijn enkel om alles te fixeren. Afgelopen donderdag hebben ze de pinnen uit mijn been gehaald welke waren geplaatst om de stellage aan vast te maken welke mijn been moest fixeren.
V: Wat is het uitzicht op- en de duur van uw herstel?A: Volgens de fysiotherapie kan ik met 3 tot 6 maanden weer mijn been belasten. Maar als ik op dit moment mijn voet op de grond zet heb ik veel pijn, ook krijg ik vocht in mijn been als ik deze omlaag doe. Ik heb een rolstoel of een rollator nodig om me te verplaatsen.
V: Is er sprake van blijvend letsel en/of blijvende beperkingen?A: Dat weten we nog niet.
Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2025, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:
Ik loop bij de fysiotherapeut, dit doe ik van maandag tot vrijdag.Ik kan op het moment ook nog niet werken, zodra ik mijn been ga belasten hoor ik het kraken en gaat alles pijn doen. Ook ben ik niet sterk genoeg in mijn benen.