RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11373546 UM VERZ 24-5553
CJIB-nummer: 256581603
beslissing van de kantonrechter van 20 februari 2026 en proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2026
inzake
[betrokkene] uit [plaats] ,
hierna te noemen: de betrokkene,
gemachtigde: mr. N.F. Coffi.
Inleiding
Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd van € 296,00. De boete is opgelegd voor een overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 25 km/u, op 20 maart 2023 in Maarssen.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 6 februari 2026. De gemachtigde van de betrokkene was aanwezig. Namens de officier van justitie was een zittingsvertegenwoordiger aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
De beoordeling van het beroep
1. De betrokkene had aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden in de fase van administratief beroep. Deze beroepsgrond is op de zitting bij de kantonrechter ingetrokken en wordt niet meer beoordeeld.
2. De betrokkene betwist dat hij te hard heeft gereden. De lasermeting is van grote afstand gedaan, waardoor deze onbetrouwbaar is. Er reed een auto voor de betrokkene die harder reed en het is vanwege de afstand goed mogelijk dat de laser dit voertuig heeft gemeten. Dit wordt ondersteund door een verklaring van de bijrijder van de betrokkene.
3. De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht. Uit het zaaksoverzicht blijkt dat de snelheid door de verbalisant is vastgesteld met een lasergun van het type Truspeed LTI20 en dat de meetafstand 478 meter bedroeg. De verbalisant verklaart dat hij de lasergun op de voorgeschreven wijze heeft gebruikt. De kantonrechter weet dat een lasergun een foutmelding geeft als er meerdere voertuigen worden aangestraald. De enkele omstandigheid dat een andere auto mogelijk voor de betrokkene reed en dat er over een afstand van 478 meter is gemeten, is in het licht van het zaaksoverzicht onvoldoende voor de conclusie dat de meting niet betrouwbaar is.
4. De kantonrechter stelt vast dat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. De consequentie hiervan is dat de boete wordt gematigd met 25 procent.
De dwangsommen vanwege niet tijdig beslissen
5. Partijen zijn het erover eens dat niet op tijd is beslist op het administratief beroep en dat de officier van justitie daarom een dwangsom aan de betrokkene moet betalen. De kantonrechter zal de hoogte daarvan vaststellen, met toepassing van paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De betrokkene heeft de officier van justitie na afloop van de beslistermijn in gebreke gesteld. De ingebrekestelling is op 14 december 2023 ontvangen. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop daarna twee weken zijn verstreken. Dat is 29 december 2023. De beslissing op het administratief beroep is genomen op 11 januari 2024. In de rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat bezorging van brieven van de officier van justitie acht dagen na de dagtekening plaatsvindt. Dat is op 19 januari 2024. De laatste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, is daarom 18 januari 2024.
7. Er zijn dus dwangsommen verschuldigd over 21 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste 14 dagen € 23,00 per dag en de daaropvolgende 14 dagen € 35,00 per dag. Het bedrag aan verschuldigde dwangsommen bedraagt dus (14 x 23) + (7 x 35) = € 567,00.
De kosten van de procedure
8. De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene voor de fase van het beroep bij de kantonrechter. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
9. De betrokkene werd eerst bijgestaan door zijn vorige gemachtigde. Op de dag van de zitting bij de kantonrechter heeft de huidige gemachtigde zich gesteld. Voor de door hen beroepsmatig verleende rechtsbijstand krijgt de betrokkene € 934,00 per proceshandeling. De vorige gemachtigde van de betrokkene heeft een beroepschrift ingediend en de huidige gemachtigde heeft de zitting bijgewoond. De huidige gemachtigde heeft ook de verklaring van de bijrijder ingediend, maar dat is geen proceshandeling die wordt genoemd in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
10. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht).
11. Het forfaitaire bedrag aan proceskosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet worden vermenigvuldigd met 0,25 of 0,10, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat volgt uit artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.
12. De kantonrechter overweegt dat deze regeling in de fase van beroep bij de kantonrechter van toepassing is, omdat de beslissing op het administratief beroep is genomen na 1 januari 2024. Dat is echter het gevolg van het te late moment waarop de officier van justitie deze beslissing heeft genomen. Als de officier van justitie tijdig of binnen veertien dagen na de ingebrekestelling zou hebben beslist, dan was de beslissing genomen voor 1 januari 2024. In dat geval zou de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 op grond van overgangsrecht niet van toepassing zijn. Dat volgt uit artikel IV, aanhef, en onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. De kantonrechter oordeelt dat het moment van beslissen door de officier van justitie maakt dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 niet moet worden toegepast.
13. Ten aanzien van de door de huidige gemachtigde verrichte proceshandeling geldt bovendien het volgende. De wetgever heeft het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel er onder meer uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay. Gevallen die kennelijk dit kenmerk niet hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985, punt 5.2 en 5.3. De huidige gemachtigde van de betrokkene is advocaat. Aan advocaten is het verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay buiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal als Europees niveau. Dat volgt uit artikel 7.7 van de Verordening op de advocatuur van het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten en uit paragraaf 3.3 van de Code of conduct for european lawyers van de Council of Bars and Law Societies of Europe. Uit de hoedanigheid van de gemachtigde als advocaat volgt dat hij aan de betrokkene geen rechtsbijstand verleent op basis van no cure no pay en dat ten aanzien van de door hem verrichte proceshandeling ook op die grond geldt dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 niet moet worden toegepast.
14. De totale te vergoeden proceskosten zijn (2 x 934 x 0,5) = € 934,00. De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van de betrokkene.
Beslissing
De kantonrechter:
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder , kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 februari 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
J. van Veen mr. K. de Meulder
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: