RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/267081-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1987] in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
2 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:
feit 1
primair
op 15 september 2025 in Lelystad roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend in een auto heeft gereden en dat het haar schuld is dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] (zwaar) gewond is geraakt;
subsidiair is dit ten laste gelegd als het in ernstige mate schenden van de verkeersregels waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
meer subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg.
feit 2
op 15 september 2025 in Lelystad onder invloed van cocaïne in een auto heeft gereden.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair (verkeersongeval door schuld) en feit 2 (rijden onder invloed) van de beschuldiging heeft gepleegd.
Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval (feit 1 primair) gaat de officier van justitie uit van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 primair (verkeersongeval door schuld) voert de verdediging aan dat het rijgedrag van de verdachte niet kan worden aangemerkt als roekeloos of zeer onvoorzichtig en/of onoplettend.
Verder kan het letsel van het slachtoffer niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
De verweren van de advocaat worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.2.
De advocaat voert ten aanzien van feit 2 (rijden onder invloed) geen verweer over het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1 primair (verkeersongeval door schuld)
De bewezenverklaring van feit 1 (primair) is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen ten aanzien van dit feit. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsoverwegingen feit 1 primair (verkeersongeval door schuld)
Vastgestelde feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en wat op de zitting is besproken het volgende vast.
De verdachte reed op 15 september 2025 rond 08:48 uur in een Volkswagen Caddy over de Oostvaardersdijk (N701) in Lelystad. Op de weg ontstond op dat moment langzaam rijdend of stilstaand verkeer (file). Op enig moment reed de verdachte met haar auto tegen de achterkant van een in de file staande auto, waarna een kettingbotsing ontstond. Bij deze kettingbotsing waren in totaal vier voertuigen betrokken. In de minuten voor de botsing heeft de verdachte vanaf haar telefoon berichten verstuurd en Facebook geopend.
Door de botsing heeft de bestuurster van de auto waar de verdachte achterop reed (slachtoffer [slachtoffer] ) onder andere letsel aan haar heup, nek en wervel opgelopen. In de maanden na het ongeval is zij volledig ziekgemeld op haar werk en was zij niet in staat huishoudelijke taken te verrichten. In januari 2026 was zij nog steeds bezig met het opbouwen van de werkzaamheden bij haar werkgever.
Na het ongeval heeft de verdachte meegewerkt aan een bloedonderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat er 110 microgram cocaïne per liter bloed bij de verdachte aanwezig was, terwijl de grenswaarde 50 microgram is.
Causaliteit (gedragingen en ongeval)
De verdachte wordt er onder feit 1 primair van beschuldigd dat zij artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) heeft overtreden, doordat zij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander (ernstig) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor een bewezenverklaring van dit misdrijf is allereerst vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Daarbij gaat het om de vraag of het verkeersongeval redelijkerwijs als gevolg aan de verdachte is toe te rekenen.
De advocaat van de verdachte heeft verzocht de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van het - voorafgaand aan het ongeval - inhalen van één of meerdere motorrijtuigen en haar telefoongebruik, omdat er geen (causaal) verband bestaat tussen deze gedragingen en het ontstaan van het verkeersongeval. Dit zijn volgens de advocaat geen gedragingen waarop haar schuld aan het verkeersongeval kan worden gebaseerd.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit (causaal) verband als volgt.
De rechtbank zal de verdachte gedeeltelijk vrijspreken van het kort voor het verkeersongeval inhalen van één of meer motorrijtuigen. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat zij voor het ongeval een inhaalactie heeft verricht, volgt uit het dossier niet op welk moment de verdachte heeft ingehaald en of het inhalen op een onveilige manier heeft plaatsgevonden. Er kan aldus niet worden bewezen dat er een (causaal) verband bestaat tussen de inhaalmanoeuvre van de verdachte en het ontstaan van het verkeersongeval.
De rechtbank is van oordeel dat tussen de overige gedragingen van de verdachte en het verkeersongeval wel een (causaal) verband aanwezig is en zal de verdachte van deze onderdelen niet (gedeeltelijk) vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat de telefoon van de verdachte is veiliggesteld. Uit onderzoek naar het gebruik van deze telefoon op de bewuste dag vanaf 08:30 uur tot en met 08:50 uur volgt dat de verdachte in de periode vanaf 08:42 tot ongeveer anderhalve minuut voordat de botsing plaatsvond (08:48) meerdere handelingen heeft verricht met haar telefoon. De verdachte heeft tijdens de zitting ook verklaard dat zij tijdens het rijden een WhatsAppbericht heeft verstuurd naar één van haar klanten. Of zij een bericht vanaf haar klembord heeft verstuurd of zelf een kort bericht heeft getypt is niet relevant. Vaststaat dat de verdachte met haar aandacht bij het WhatsApp-gesprek was. Daarbij komt dat de verdachte onder invloed was van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Toen zich op de rijbaan voor de verdachte langzaam rijdend en/of stilstaand verkeer bevond, heeft zij dit niet opgemerkt en haar snelheid niet aangepast, waarna zij op de file is ingereden. Voor de rechtbank staat door deze combinatie van factoren vast dat de verdachte het ongeval heeft veroorzaakt.
De mate van schuld
Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW is in de tweede plaats vereist dat de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval schuld in de zin van dat artikel kan worden verweten. Schuld in juridische zin kan bestaan uit verschillende gradaties. Dit loopt van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos handelen. Roekeloos geldt hierbij als de zwaarste vorm van schuld. Bij de beantwoording van de vraag in welke mate er sprake is van schuld gaat het om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst ervan en de overige omstandigheden van het geval. Het rijgedrag van de verdachte moet worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen door de verdachte. Voor het bewijs komt het in dit kader onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval haar deelname aan het verkeer betreft. De rechtbank sluit op dit punt aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad over het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van verkeersregels in de zin van artikel 5a WVW (ECLI:NL:HR:2024:1405).
De rechtbank overweegt hierover dat door de reeks van voornoemde gedragingen in onderlinge samenhang bezien, sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van de verdachte. Het door de verdachte vertoonde gedrag wijkt substantieel af van het gedrag dat van verkeersdeelnemers in het algemeen wordt vereist en mag worden verwacht. Bovendien is niet slechts sprake van één verkeersovertreding. De verdachte had anders kunnen en moeten handelen. De verdachte had haar snelheid moeten aanpassen en alert moeten zijn op onverwachte situaties, zoals langzaam rijdend verkeer en filevorming. De verdachte heeft de langzaam rijdende dan wel stilstaande voertuigen die voor haar reden geheel niet gezien, terwijl dit voor de verdachte zichtbaar had moeten zijn gelet op de (overzichtelijke) verkeerssituatie. De verdachte heeft haar aandacht onvoldoende op de weg gehad, waardoor zij niet tijdig heeft kunnen reageren op de veranderende verkeersituatie. Daarenboven verkeerde zij onder invloed van cocaïne. Zij heeft daarom schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Ook als er sprake was van onaangekondigde wegwerkzaamheden en de verdachte de afgelopen negen jaren nooit eerder file heeft meegemaakt op deze weg, had zij op filevorming bedacht moeten zijn.
De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van roekeloos rijgedrag en zal de verdachte daarom vrijspreken van deze zwaardere ten laste gelegde schuldvorm.
Letsel
Voor een bewezenverklaring van handelen in strijd met artikel 6 van de WVW moet verder worden vastgesteld dat door het verkeersongeval een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de ernst van het letsel van het slachtoffer onvoldoende om bewezen te kunnen verklaren dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank vindt daarbij ook van belang dat (actuele) medische informatie ontbreekt over de behandeling, zoals een operatie, en (volledig) herstel daarvan. Gelet op de bewijsmiddelen vindt zij wel bewezen dat het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel had, dat daaruit voor haar tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een aan haar schuld te wijten verkeersongeval, zoals in paragraaf 3.4 is omschreven.
Bewijsmiddelen feit 2 (rijden onder invloed)
De verdachte bekent dat zij feit 2, namelijk rijden onder invloed van cocaïne, heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de verklaring van de verdachte op de zitting van 2 september 2026;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed van 24 oktober 2025, genummerd PL0900-2025314161-1, pagina 98 tot en met 101;
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, zijnde een rapport van [onderneming] van 17 oktober 2025, pagina 103 tot en met 105.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 (primair)
op 15 september 2025 te Lelystad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Oostvaardersdijk (N701), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en/of onoplettend,
- na voorafgaand gebruik van (110 microgram per liter) cocaïne;
- terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die Oostvaardersdijk zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file);
- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig met haar mobiele telefoon berichten te versturen en op het scherm van haar mobiele telefoon te kijken;
- daarbij onvoldoende acht te slaan op de voor haar, verdachte gelegen rijbaan en het zich voor haar bevindende langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer op die rijbaan;
- de snelheid van het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat zij in staat was om haar, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte, die weg/rijbaan overzag en deze vrij was;
- met een snelheid die gelet op de situatie ter plaatse niet verantwoord was op voornoemde file in te rijden en
- een kettingbotsing te veroorzaken door vervolgens tegen zich in die file bevindende voertuigen te rijden en/of te botsen,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2
op 15 september 2025 te Lelystad, een voertuig, te weten een bedrijfsauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in haar bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 110 microgram per liter bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen, zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
De eendaadse samenloop van
feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 vijfde lid van deze wet;
feit 2: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van twee maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;
een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van één jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening te houden met de volgende omstandigheden. De verdachte is begaan met de slachtoffers en vindt het vreselijk dat er door haar toedoen mensen gewond zijn geraakt. Daarnaast heeft het ongeval ook veel impact op de verdachte zelf gehad. Zo heeft zij haar voet op meerdere plaatsen gebroken en heeft zij gedurende meerdere maanden haar normale werkzaamheden niet kunnen uitoefenen. Zij heeft tot op de dag van vandaag last van wat er is gebeurd. Ook kampt zij nog dagelijks met flashbacks van het ongeval.
De verdachte is bereid een taakstraf uit te voeren. De verdediging verzoekt bij het bepalen van de hoogte daarvan rekening te houden met haar beperkte lichamelijke belastbaarheid en het werk van de verdachte. Dat zou kunnen in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel, aldus de verdediging.
Ten slotte bepleit de verdediging om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen die langer duurt dan de tijd die het rijbewijs al ingevorderd is geweest. De verdachte is voor de uitvoering van haar werkzaamheden afhankelijk van haar auto en een rijontzegging zou grote gevolgen hebben voor haar arbeidsmogelijkheden en daarmee haar financiële situatie.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen feiten, de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich als bestuurster van een bedrijfsauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte is op de Oostvaardersdijk in Lelystad met haar auto – terwijl zij onder invloed was van cocaïne – met hoge snelheid achter op een file ingereden, waarna een kettingbotsing is ontstaan.
De bestuurster van de auto waar zij achteropreed, mevrouw [slachtoffer] , heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen. Mevrouw [slachtoffer] had forse pijnklachten en kon daardoor haar werkzaamheden, zowel op haar werk als thuis, tijdelijk niet uitvoeren. Bij het ongeval waren nog twee andere auto’s betrokken. De bestuurster van één van deze auto’s, mevrouw [A] , heeft in haar slachtofferverklaring naar voren gebracht dat het ongeval langdurig impact heeft gehad op haar werk- en privéleven. Het ongeval zal voor hen een traumatische ervaring zijn geweest, waar zij mogelijk nog lange tijd mee zullen worden geconfronteerd wanneer zij zich in het verkeer begeven. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk. De rechtbank heeft echter ook gezien dat de verdachte dit zichzelf enorm kwalijk neemt. Zij heeft zich schuldbewust getoond en geprobeerd in contact te komen met de slachtoffers om haar excuses aan te bieden.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 13 augustus 2026. Hierin is onder meer te lezen dat er geen aanwijzingen zijn voor structurele of problematische middelenproblematiek. Ook op de overige leefgebieden zijn geen bijzonderheden of risicofactoren naar voren gekomen. De verdachte heeft aan het ongeval lichamelijke klachten overgehouden, waardoor zij niet meer in staat is fulltime te werken. Zij genereert echter nog wel voldoende inkomsten om in haar levensonderhoud te voorzien. Hoewel het ongeval impact heeft gehad op het mentale welzijn van de verdachte en zij nog regelmatig flashbacks heeft, leiden deze klachten niet tot beperkingen in haar dagelijks functioneren. Het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als laag. De reclassering vindt een reclasseringstraject met interventies of toezicht niet nodig en adviseert bij een veroordeling de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank houdt verder rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie (‘strafblad’) van 3 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Straf
De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd. Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedragingen en de gevolgen daarvan acht de rechtbank, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in dit geval een taakstraf van 240 uur passend en geboden.
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat daarnaast ook een onvoorwaardelijke rijontzegging passend is. De rechtbank heeft daarbij oog gehad voor de omstandigheden dat de verdachte haar rijbewijs eerder heeft moeten inleveren en dat zij door de gevolgen van het ongeval tijdelijk haar werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren. Daarnaast begrijpt de rechtbank dat de verdachte haar rijbewijs nodig heeft om haar bedrijf te kunnen runnen en door deze rijontzegging mogelijk enkele maanden niet zal kunnen werken. Een geheel voorwaardelijke rijontzegging of het achterwege laten van een rijontzegging, zoals door de verdediging is bepleit, doet echter geen recht aan wat er is gebeurd. De verdachte heeft immers niet alleen zichzelf, maar ook meerdere andere verkeersdeelnemers in een levensgevaarlijke situatie gebracht. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot een rijontzegging voor de duur van één jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank ziet - anders dan de officier van justitie - geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk gevangenisstraf.
6. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
7. De beslissing
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;
straffen
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;
- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;
- bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, groot negen maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. B.C. van Haren en K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij, op of omstreeks 15 september 2025, te Lelystad, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Oostvaardersdijk (N701), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- na voorafgaand gebruik van (110 microgram per liter, althans een hoeveelheid) cocaïne en/of
- (kort daarvoor) een of meer motorrijtuig(en) in te halen en/of
- terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die Oostvaardersdijk zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en/of
- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig met haar mobiele telefoon een of meerdere bericht(en) te versturen en/of op het scherm van haar mobiele telefoon te kijken en/of haar mobiele telefoon vast te houden en/of
- (daarbij) niet, althans onvoldoende acht te slaan op de voor haar, verdachte gelegen rijbaan en/of het zich voor haar, bevindende langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer op die rijbaan en/of
- de snelheid van het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat zij in staat was om haar, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte, die weg/rijbaan overzien en deze vrij was en/of
- met onverminderde snelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was op voornoemde file in te rijden en/of
- een kettingbotsing te veroorzaken door (vervolgens) tegen één of meer zich in die file bevindende voertuigen te rijden en/of te botsen,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten nek-/wervelletsel en/of heupletsel en/of schouderletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij, op of omstreeks 15 september 2025, te Lelystad, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Oostvaardersdijk (N701), zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- na voorafgaand gebruik van (110 microgram per liter, althans een hoeveelheid) cocaïne en/of
- (kort daarvoor) een of meer motorrijtuig(en) in te halen en/of
- terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die Oostvaardersdijk zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en/of
- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig met haar mobiele telefoon een of meerdere bericht(en) te versturen en/of op het scherm van haar mobiele telefoon te kijken en/of haar mobiele telefoon vast te houden en/of
- (daarbij) niet, althans onvoldoende acht te slaan op de voor haar, verdachte gelegen rijbaan en/of het zich voor haar, bevindende langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer op die rijbaan en/of
- de snelheid van het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat zij in staat was om haar, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte, die weg/rijbaan overzien en deze vrij was en/of
- met onverminderde snelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was op voornoemde file in te rijden en/of
- een kettingbotsing te veroorzaken door (vervolgens) tegen één of meer zich in die file bevindende voertuigen te rijden en/of te botsen,
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij, op of omstreeks 15 september 2025, te Lelystad, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Oostvaardersdijk (N701),
- na voorafgaand gebruik van (110 microgram per liter, althans een hoeveelheid) cocaïne en/of
- (kort daarvoor) een of meer motorrijtuig(en) heeft ingehaald en/of
- terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die Oostvaardersdijk zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en/of
- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig met haar mobiele telefoon een of meerdere bericht(en) heeft verstuurd en/of op het scherm van haar mobiele telefoon heeft gekeken en/of haar mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of
- (daarbij) niet, althans onvoldoende acht heeft geslagen op de voor haar, verdachte gelegen rijbaan en/of het zich voor haar, bevindende langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer op die rijbaan en/of
- de snelheid van het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft aangepast dat zij in staat was om haar, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte, die weg/rijbaan overzien en deze vrij was en/of
- met onverminderde snelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was op voornoemde file is ingereden en/of
- een kettingbotsing heeft veroorzaakt door (vervolgens) tegen één of meer zich in die file bevindende voertuigen te rijden en/of te botsen,
2
zij, op of omstreeks 15 september 2025, te Lelystad, althans in Nederland, een voertuig, te weten een bedrijfsauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in haar bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 110 microgram per liter bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.