RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11283477 UM VERZ 24-3646
CJIB-nummer: 253873725
beslissing van de kantonrechter van 3 februari 2026 en proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2026
inzake
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.
PROCESVERLOOP
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 350,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 16 november 2022 om 14:18 uur te A2 (Nieuwegein) met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om de gedraging: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 20 januari 2025 hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is een gemachtigde verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en binnen 14 dagen uitspraak gedaan.
STANDPUNTEN
De gemachtigde ontkent dat de gedraging door betrokkene is verricht. Op grond van het zaakoverzicht kan niet worden vastgesteld dat betrokkene een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. Daarnaast stelt gemachtigde dat betrokkene ten onrechte niet is staandegehouden, dat de hoorplicht is geschonden en dat er grond bestaat voor matiging vanwege de looptermijn van de zaak. De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk gegrond is.
BEOORDELING
Staandehouding
De kantonrechter stelt allereerst vast dat de verbalisant terecht heeft mogen afzien van staandehouding. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid heeft bestaan om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. De kantonrechter toetst de vraag of bij het vaststellen van de gedraging een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft bestaan met enige terughoudendheid. Zo beoordeelt hij of de reden die door verbalisant is opgeschreven in geheel voldoende toereikend is, maar treedt hij zeer beperkt in de afweging van de verbalisant omtrent de precieze verkeerssituatie en verkeersveiligheid ter plaatse.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de opgegeven reden van de verbalisant voldoende toereikend om te kunnen vaststellen terecht van staandehouding is afgezien. Uit het zaakoverzicht volgt dat de verbalisant niet ter plaatse was ten tijde van de gedraging. De gedraging is immers vastgesteld met behulp van een camerasysteem. De foto’s zijn pas later beoordeeld. Gelet hierop ligt het voor de hand dat er geen mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft bestaan. De sanctie mocht dus terecht aan de kentekenhouder worden opgelegd. De kantonrechter verwijst hiervoor mede naar het arrest van 8 december 2023 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2023:10448. Voorgaande leidt tot het oordeel dat van de verbalisant niet in redelijkheid worden verwacht toepassing te geven aan artikel 5 Wahv, en dus terecht op kenteken heeft mogen bekeuren. De beroepsgrond van betrokkene slaagt derhalve niet.
Vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat
Uit hetgeen bepaald in artikel 61A Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV1990), volgt dat het degene die een voertuig bestuurt verboden is tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.
In zaken die vallen onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), geldt het uitgangspunt dat het proces-verbaal van de agent en de bewijsstukken in het dossier van doorslaggevende aard zijn voor het kunnen vaststellen van de gedraging. Alleen als een betrokkene met tegenbewijs aannemelijk maakt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de gedraging door hem is verricht, kan daarvan worden afgeweken.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het dossier en de verklaring van de verbalisant duidelijk en ondubbelzinnig dat betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon thans een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. Dit is voldoende om de gedraging te kunnen vaststellen. Door gemachtigde zijn geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die aanleiding geven aan het voorgaande te twijfelen. De kantonrechter zal het beroep derhalve inhoudelijk ongegrond verklaren.
Schending hoorplicht
Gemachtigde heeft verder aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden omdat (destijds) enkel werd aangeboden om schriftelijk te worden gehoord. Dit kan echter niet gelijkgesteld worden met een fysieke hoorzitting. Eerder heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat hieraan geen rechtsgevolgen verbonden hoeven te worden omdat geen sprake was van een structurele schending. Daarvan is echter wel sprake in de praktijk. Dit blijkt ook uit de ‘themazitting’ waarop deze zaak is behandeld waarop meerdere van dergelijke zaken stonden geagendeerd. De kantonrechter verwijst in de eerste plaats naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6930) waarin het volgende is overwogen (r.o. 17):
‘In zaken als deze gaat het om het niet horen van betrokkenen die zich laten bijstaan door professionele gemachtigden. Professionele gemachtigden mogen geacht worden goed in staat te zijn de standpunten van een betrokkene schriftelijk weer te geven, doorgaans beter dan betrokkenen of niet-professionele gemachtigden dat kunnen. De officier van justitie heeft in de administratief beroepsprocedure een extra schriftelijke ronde geboden waarin de professionele gemachtigde het standpunt van de betrokkene naar voren kan brengen. Een en ander maakt dat aan de schending van de belangen van een betrokkene door het niet horen van zijn professionele gemachtigde niet hetzelfde gewicht toekomt als in zaken waarin een betrokkene zich niet laat bijstaan door een professionele gemachtigde. Van belang is verder dat ingaande 1 oktober 2023 de officier van justitie weer uitvoering gaat geven aan de hoorplicht in zaken waarin de betrokkene zich laat bijstaan door een professioneel gemachtigde, zodat een concreet zicht op een oplossing bestaat. Onder deze omstandigheden ziet het hof thans nog geen aanleiding om in zaken waarin een betrokkene zich laat bijstaan door een professionele gemachtigde een zelfde compensatie te bieden als in zaken waarin een betrokkene zich niet laat bijstaan door een professionele gemachtigde.’
In het licht van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat ook in dit geval sprake is van geval waarvan sprake dient te zijn van (aanvullende) compensatie nu betrokkene zich heeft laat bijstaan door een professionele gemachtigde. Dat er in de genoemde periode bij meerdere zaken op deze wijze zijn afgedaan door de officier van justitie, doet aan het voorgaande niet af.
Redelijke termijn en proceskostenvergoeding
De kantonrechter stelt verder vast dat de redelijke termijn in beide zaken is overschreden. In lijn met vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verbindt de kantonrechter aan deze constatering dat het bedrag van de sanctie wordt gematigd met 25% (ECLI:NL:GHARL:2023:6369). De kantonrechter ziet voorts aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt betrokkene € 666,- per procespunt in de administratieve fase. Voor het indienen van het administratief beroepschrift in deze zaak dient 1 punt te worden toegekend. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De initiële vergoeding bedraagt daarmee 1 x 666 x 0,5 = € 333,00. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt betrokkene € 934,- per proceshandeling in de kantonfase. In de kantonfase heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De initiële vergoeding bedraagt daarom 2 x 934 x 0,5 = € 934.
BESLISSING
De kantonrechter:
Deze beslissing is genomen door mr. R. Mattemaker, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. R. Mattemaker
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: