[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 november 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Bij uitspraak van 20 februari 2025 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 3 april 2025 een besluit op de aanvraag van eiseres te nemen.
Op 6 februari 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 februari 2025 (UTR 24/8360) een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
2. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op de aanvraag van eiseres.
3. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. In haar uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. De rechtbank heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten over de situatie dat deze nadere beslistermijn al verstreken is op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Als die situatie zich voordoet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.
6. In dit geval betekent dit het volgende. Eiseres heeft op 9 november 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn eindigde op 9 november 2024. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 16 februari 2026. Omdat deze nadere beslistermijn inmiddels is verstreken, bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2026.Dwangsom
8. Eiseres verzoekt de rechtbank om te bepalen dat verweerder de verbeurde dwangsom van € 15.000,- moet uitbetalen, omdat dat nog steeds niet is gebeurd. De rechtbank overweegt dat zij binnen haar bevoegdheden in dit beroep geen mogelijkheden heeft om verweerder te verplichten tot uitbetaling van de toegekende dwangsom. Het uitbetalen van een toegekende dwangsom is namelijk een feitelijke handeling en niet een besluit in de zin van de Awb. Als verweerder de dwangsom niet betaalt, zal eiseres zich moeten wenden tot de civiele rechter.Proceskosten en griffierecht
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
De griffier is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.