RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] (Turkije), verzoekster
Dienst Toeslagen, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2465
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 26 maart 2026, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 17 juni 2022 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Verweerder heeft op 20 juli 2026 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. In het verweerschrift van 27 juli 2026, waarin verweerder een gewijzigd standpunt heeft opgenomen, heeft verweerder te kennen gegeven dat hij bereid is aan verzoekster het griffierecht te vergoeden en, als verzoekster is bijgestaan door een professionele gemachtigde, ook de proceskosten te vergoeden. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster kan zich hiervoor tot verweerder wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
de griffier is niet in de gelegenheidte ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.