[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),
en
Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 22 mei 2026, na de uitspraak van de rechtbank van 3 december 2025 (UTR 25/5294). In die uitspraak heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak een beslissing te nemen op het bezwaar van eiser in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat nog niet heeft gedaan.
Op 3 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat eiser geen procesbelang heeft, omdat verweerder op 28 mei 2026 een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser. Het beroep niet tijdig beslissen is volgens verweerder wel terecht ingesteld, daarom heeft eiser recht op vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 28 mei 2026 alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Dit betekent dat het procesbelang van eiser bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen.
4. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.
5. Omdat de beslissing op bezwaar pas na het instellen van het beroep heeft plaatsgevonden, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht van € 54,-. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Toegekend wordt € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 467,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
de griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.