RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11284030 UM VERZ 24-3659
CJIB-nummer: 255636009
beslissing van de kantonrechter van 3 februari 2026 en proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2026
inzake
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: [gemachtigde] .
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 350,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 7 februari 2023 om 16:15 uur te Monarchvlinderlaan (Utrecht) met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 20 januari 2025 hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is een gemachtigde verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en binnen 14 dagen uitspraak gedaan.
STANDPUNTEN
De gemachtigde ontkent dat de gedraging door betrokkene is verricht. Op grond van het zaakoverzicht kan niet worden vastgesteld dat betrokkene een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. Verder stelt de gemachtigde dat betrokkene bij staandehouding ten onrechte niet is gewezen op diens recht op rechtsbijstand. De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk gegrond is.
BEOORDELING
Uit hetgeen bepaald in artikel 61A Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV1990), volgt dat het degene die een voertuig bestuurt verboden is tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het dossier en de verklaring van de verbalisant duidelijk en ondubbelzinnig dat betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon thans een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. Dit is voldoende om de gedraging te kunnen vaststellen. Aan de verklaring van betrokkene komt daarbij geen doorslaggevende betekenis toe. Door gemachtigde zijn ook geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die aanleiding geven aan het voorgaande te twijfelen.
Verplichting tot wijzen op rechtsbijstand
Gemachtigde heeft aangevoerd dat betrokkene had moet worden gewezen op mogelijkheid tot rechtsbijstand en stelt dat en sprake is van schending van een eerlijk proces. Gemachtigde verwijst hierbij naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 december 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7787).
De kantonrechter stelt vast dat het Gerechtshof heeft overwogen dat het recht op rechtsbijstand ook in Wahv-zaken onverkort van toepassing is en dat dit meebrengt dat een betrokkene voorafgaand aan het moment waarop een verhoorsituatie ontstaat op dit recht moet worden gewezen. Daarbij overweegt het Hof dat voor wat betreft het gevolg dat moet worden verbonden aan het verzuim om een betrokkene tijdig hierop te wijzen, moet worden beoordeeld of dit verzuim van dien aard is geweest dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moet worden aangenomen dat een betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als zijn verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in zijn zaak te nemen beslissing. Deze beoordeling is van belang met het oog op de bruikbaarheid van de verklaring van de betrokkene voor een dergelijke beslissing. Relevant voor deze beoordeling is of er dwingende redenen waren voor de beperkingen van het recht op rechtsbijstand en welke gevolgen deze hadden. In het arrest Beuze heeft het EHRM verder nog een aantal niet-limitatieve factoren genoemd die bij deze beoordeling van belang kunnen zijn, zoals de mogelijke bijzondere kwetsbaarheid van de betrokkene vanwege zijn leeftijd of psychische capaciteit, de kwaliteit van het bewijs en de omstandigheden waaronder het is verkregen, alsmede de mogelijkheid om het bewijs aan te vechten. Het hof komt tot de slotsom dat, indien een betrokkene in een Wahv-zaak een verklaring heeft afgelegd en daaraan voorafgaand niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand, aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als zijn verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in zijn zaak te nemen beslissing.
De kantonrechter overweegt dat, gelet op hetgeen is aangevoerd, alsmede op de verklaring van de ambtenaren, het ervoor moet worden gehouden dat de betrokkene tijdens de staandehouding niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand. Aldus is sprake van een verzuim.
Voor wat betreft het gevolg dat hieraan moet worden verbonden, moet worden beoordeeld of dit verzuim van dien aard is geweest dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moet worden aangenomen dat de betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als de verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in haar zaak te nemen beslissing. Uit het zaakoverzicht blijkt dat tijdens de staandehouding aan betrokkene de cautie is gegeven. Na ontvangst van de inleidende beschikking heeft betrokkene rechtsbijstand ingeschakeld, waarna de rechtsbijstandsverlener namens betrokkene administratief beroep heeft ingesteld. De betrokkene heeft de mogelijkheid gehad om, achtereenvolgens, door de officier van justitie en de kantonrechter te worden gehoord, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat de procedure als geheel ondanks het verzuim toch als eerlijk kan worden beschouwd.
Redelijke termijn en proceskostenvergoeding
De kantonrechter stelt verder vast dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. In lijn met vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verbindt de kantonrechter aan deze constatering dat het sanctiebedrag wordt gematigd met 25% (ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Daarnaast bestaat er aanleiding voor vergoeding van proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter wordt 1 punt toegekend en voor het bijwonen van de zitting wordt ook 1 punt toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,00. De kantonrechter kent aan de zaak wegingsfactor 0,5 (licht) toe, zodat bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking komt een bedrag van € 934,00 (2 x € 934,00 x 0,5).
BESLISSING
De kantonrechter:
Deze beslissing is genomen door mr. R. Mattemaker, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. R. Mattemaker
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: