ECLI:NL:RBMNE:2026:642

ECLI:NL:RBMNE:2026:642

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 16-220211-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Verkeerszaak: geen poging doodslag, maar wel roekeloos rijden. Dollemansrit waarbij de verdachte onder invloed van alcohol, te hard en door rood licht rijdt op een kruising waarbij een bromfietser wordt aangereden, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-220211-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 februari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2002] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres:

[adres 1] , [postcode] [plaats 1] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026.

Op de zitting waren onder meer aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte - na wijziging van de tenlastelegging - ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair op 28 juli 2025 te Hoogland, heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk te doden, door veel te hard en door rood licht te rijden, terwijl hij onder invloed van alcohol was en [slachtoffer] , die met zijn bromfiets overstak, aan te rijden;

subsidiair

op 28 juli 2025 te Hoogland, als bestuurder van een auto zich heeft schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval, door roekeloos, onder invloed van alcohol, veel te hard en door rood licht te rijden, waarbij hij [slachtoffer] , een overstekende bromfietser, heeft aangereden, die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

feit 2

op 28 juli 2025 te Hoogland, heeft gereden terwijl hij onder invloed was van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair.

De officier van justitie vindt dat bewezen kan worden dat de verdachte feit 1 subsidiair en feit 2 heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair.

De advocaat heeft geen bewijsverweer gevoerd met betrekking tot feit 1 subsidiair en feit 2.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van feit 1 primair

De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank legt bij de bewijsoverwegingen uit waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair

De rechtbank oordeelt dat feit 1 subsidiair is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die voor de leesbaarheid van dit vonnis zijn opgenomen in bijlage II.

De rechtbank legt bij de bewijsoverwegingen uit waarom.

Bewijsoverwegingen

De toedracht

Uit de dossierstukken komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren.

Op 28 juli 2025 is verdachte omstreeks 18:00 uur met een vriendin gaan [.] in het centrum van Amersfoort. Daarbij is bier gedronken. Na het [.] is verdachte om 21:33:47 uur in zijn auto gestapt om de vriendin naar huis te brengen in de wijk [wijk 1] in Amersfoort.

Uit beelden van de dashcam van de auto van verdachte blijkt dat hij tijdens de rit met de vriendin bewust meerdere (ernstige) verkeersovertredingen heeft begaan, zoals forse snelheidsovertredingen, rechts inhalen, hard slingeren en het onnodig maken van noodstops. Uit het gesprek tussen verdachte en de vriendin dat ook door de dashcam is opgenomen en uit zijn verklaring op zitting blijkt dat verdachte bewust zo reed: met dit rijgedrag wilde hij zijn frustratie uiten over het gebrek aan begrip en erkenning dat hij, volgens hem, van zijn vriendin kreeg. Uit de geluidsopnamen blijkt dat de vriendin verdachte op een bepaald moment vraagt te stoppen ‘met 120 rijden op een 80 weg’, en ze zegt ‘Ik word hier heel bang van’. Verdachte gaat er dan juist mee door en geeft extra gas.

Nadat verdachte de vriendin heeft afgezet aan de [straat] is verdachte op weg gegaan naar zijn eigen huis in de wijk [wijk 2] in Amersfoort. Verdachte reed over de N199 toen hij om 21:43:36 uur in de wijk Hoogland op de kruising van de Bunschoterstraat, de Maatweg en de Boelenhoefseweg een overstekende bromfietser heeft aangereden, waarbij de bestuurder van de bromfiets zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (onder meer een hersenbloeding, klaplong en meerdere botbreuken).

Uit onderzoek blijkt dat verdachte op de kruising waar hij het slachtoffer heeft aangereden veel te hard reed (126 km per uur waar maximaal 80 km per uur is toegestaan), door een rood licht reed dat op dat moment al meer dan 12 seconden op rood stond en onder invloed was van alcohol (425 ugl). De verdachte heeft niet geremd en heeft met de rechterzijde van zijn auto het slachtoffer links geraakt. Verdachte is na de aanrijding nog 316 meter doorgereden voordat hij zijn voertuig tot stilstand bracht. Op het moment van de aanrijding had verdachte er al een – in zijn eigen woorden – dollemansrit van 12 minuten op zitten, met alle vormen van gevaarlijk rijgedrag die hiervoor al zijn genoemd.

Wat kan er bewezen worden?

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe de handelingen van de verdachte in juridische zin gekwalificeerd moeten worden. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

Een poging tot doodslag is niet bewezen

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich met zijn rijgedrag schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Om de volgende redenen:

Er is in de eerste plaats geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verdachte het oogmerk (volle opzet) heeft gehad om het slachtoffer om het leven te brengen.

Opzet op een poging tot doodslag kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood.

Hiervan is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van een verdachte die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid – en onder omstandigheden roekeloos – heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt in de onderhavige zaak dat het rijgedrag van de verdachte en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven riep. Omdat verdachte veel te hard en door rood licht de kruising op is gereden, terwijl hij onder invloed was van een behoorlijke hoeveelheid alcohol bestond er, naar algemene ervaringsregels, een reële en niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat er een noodlottige aanrijding met een (brom-)fietser zou plaatsvinden. Verdachte heeft bij het naderen van de kruising niet geremd, ook niet toen er, vlak voor het slachtoffer, een andere bromfietser overstak. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte tijdens de autorit in de 12 minuten die aan het ongeval vooraf gingen, meerdere ernstige verkeersovertredingen heeft begaan, waaronder forse snelheidsovertredingen. Verdachte moet zich eens te meer bewust zijn geweest van de risico’s die rijden onder invloed en snelheidsovertredingen met zich brengen, omdat hij recent – vanwege eerdere verkeersovertredingen – tweemaal een cursus heeft gevolgd bij het CBR, waarvan de laatste cursus op 8 januari 2025 met goed gevolg door hem was afgesloten.

De rechtbank is echter, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval niet bewust heeft aanvaard. Dit leidt de rechtbank enerzijds af uit hetgeen verdachte zelf heeft verklaard over zijn rijgevaarlijk gedrag (dat hij het slachtoffer niet heeft gezien en dat hij daar vaker reed en dat het verkeerslicht vaker op rood stond ’dan nodig’) en anderzijds uit het gegeven dat uit de beelden ( [...] ) van de dashcam van de auto waarin verdachte reed, blijkt dat verdachte, kort voor de aanrijding, een fietser voorrang heeft gegeven. De rechtbank duidt deze handeling als gericht op het voorkomen van een aanrijding en is van oordeel dat dit handelen een contra-indicatie oplevert om bewuste aanvaarding van het risico bij verdachte aan te nemen.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verdachte weliswaar wist, of had behoren te weten, dat er een aanmerkelijke kans was op de dood van een bromfietser, een zwakkere verkeersdeelnemer, maar dat hij er (ten onrechte) van is uitgegaan dat het gevolg niet zou intreden. Dit betekent dat geen sprake is geweest van vol danwel voorwaardelijk opzet op de poging tot doodslag.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de poging tot doodslag.

Het veroorzaken van een verkeersongeval door roekeloos rijden is wel bewezen

Causaliteit

Voor een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde artikel 175 en 6 WVW, is allereerst vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval. Daarbij gaat het om de vraag of het verkeersongeval redelijkerwijs als gevolg aan verdachte is toe te rekenen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.

Verdachte reed 126 km/u waar 80 km/u was toegestaan. Verdachte reed met die snelheid door een verkeerslicht dat voor hem al 12,1 seconden op rood stond, terwijl de bromfietser groen licht had. Daarbij komt dat verdachte onder invloed was van een behoorlijke hoeveelheid alcohol (425 ugl). Verdachte heeft bij het naderen van de kruising niet geremd, ook niet toen er vlak voor het slachtoffer een andere bromfietser overstak. Voor de rechtbank staat door deze combinatie van factoren vast dat de verdachte het ongeval heeft veroorzaakt alsmede dat het slachtoffer daarbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De mate van schuld

Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW, is in de tweede plaats vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Bij de vaststelling van de mate waarin verdachte schuld aan het ongeval heeft, wordt een onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend, zeer onvoorzichtig/onoplettend en roekeloos rijgedrag.

Onder roekeloosheid , als zwaarste schuldvorm, moet worden verstaan: een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks verkeersgedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. De rechtbank moet dus beoordelen of verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het hierbij onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte zich in ieder geval heeft schuldig gemaakt aan een aantal van de in artikel 5a lid 1 WVW 1994 genoemde verkeersgedragingen, namelijk het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid, en het door rood licht rijden. Deze verkeersregels zijn door verdachte in ernstige mate geschonden. In dit kader acht de rechtbank allereerst relevant dat sprake is van een snelheidsoverschrijding van maar liefst 46 kilometer per uur bij het naderen van een kruising. Daarnaast is verdachte doorgereden terwijl het stoplicht al ruim 12 seconden op rood stond. De rechtbank neemt hierbij, gelet op artikel 5a lid 2 WVW, ook in aanmerking dat verdachte onder invloed van alcohol was.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aard en het samenstel van de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder hij deze gedragingen heeft verricht, kan worden afgeleid dat verdachte ook opzet had op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat verdachte tijdens de autorit, in de 12 minuten die aan het ongeval vooraf gingen, meerdere verkeersovertredingen heeft begaan, waaronder forse snelheidsovertredingen: zo heeft verdachte om 21:33:57 met 76 km/u langs wegwerkzaamheden gereden waar 30 km/u was toegestaan, om 21:35:05 met 109 km/u gereden waar 50 km/u was toegestaan en om 21:37:18 met 148 km/u gereden waar 80 km/u is toegestaan. Ook maakte verdachte driemaal onnodig een noodstop, reed hij slingerend over een weg en heeft hij rechts ingehaald.

Tot slot acht de rechtbank het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat een gevaarlijke situatie op de weg ontstaat met kans op overlijden of zwaar lichamelijk letsel van anderen als gevolg van het hiervoor beschreven rijgedrag. De rechtbank weegt hierbij mee dat het avond was, het begon te schemeren en er ook andere verkeersdeelnemers aanwezig waren. Niet alleen was het gevaar voorzienbaar maar dit gevaar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt; ten gevolge van het handelen van verdachte heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel is toegebracht.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en -overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat het handelen van verdachte is aan te merken als roekeloos. Dit betekent dat sprake is van schuld als bedoeld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zodat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Bewijsmiddelen feit 2

De verdachte bekent dat hij het feit 2, het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol, heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

- een proces-verbaal rijden onder invloed van de politie Midden-Nederland, opgemaakt op 29 juli 2025, genummerd PL0900-2025255539-1, pagina 8 tot en met 12;

- de bekennende verklaring van de verdachte ter zitting van 12 februari 2026.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1

op 28 juli 2025 te Hoogland, gemeente Amersfoort, als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (BMW met kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Maatweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, - onder invloed van alcohol, te weten een grotere hoeveelheid alcohol dan is toegestaanals bestuurder van een voertuig ingevolge de geldende wet en regelgeving en- met een (zeer) hoge snelheid, te weten een snelheid van tussen de 121 en 130kilometer per uur, de kruising van voornoemde Maatweg en de N199 te naderen en- door een voor hem, verdachte, al minimaal 12,1 seconden geldend rood licht te rijdenen- zich er daarbij in onvoldoende mate van te vergewissen dat een bromfiets bestuurder,genaamd [slachtoffer] , doende was voornoemde Maatweg - bij groen verkeerslicht -over te steken, en- vervolgens niet af te remmen waardoor hij, verdachte, vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] is aangereden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel, gebroken sleutelbeen, gebroken bekken, meerdere breuken in beide benen, gekneusde longen werd toegebracht,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2

op 28 juli 2025 te Hoogland, gemeente Amersfoort, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 425 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

De eendaadse samenloop van

Feit 1 subsidiair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet;

en

Feit 2

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (425 microgram).

Strafbaarheid de feiten en de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6. Straf en/of maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, een alcoholverbod, een contactverbod en een locatieverbod zonder elektronisch toezicht;

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging, hierna: OBM) van 5 jaar.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging te betrekken dat verdachte spijt heeft van zijn onverantwoord rijgedrag, dat hij nog lange tijd de financiële gevolgen van het verkeersongeval zal moeten dragen en dat zijn rijgedrag direct was ingegeven door emoties vanwege de problematische relatie met de vriendin die bij hem in de auto zat. De relatie is inmiddels beëindigd en verdachte is afgelopen week bij de reclassering gestart met een behandeling voor emotieregulatie. Verdachte is zijn werk bij de buitenschoolse opvang kwijtgeraakt.

De verdediging verzoekt om het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met een langere proeftijd, een forse taakstraf en een OBM.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 3 jaar. Zij zal daar een aantal voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies aan verbinden. Ook legt de rechtbank aan verdachte een OBM op voor de duur van 5 jaar.

Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag. De rechtbank heeft de stellige indruk gekregen dat hij die avond in de auto voornamelijk met zichzelf en zijn gekrenkte ego bezig was En dat hij de auto mede heeft gebruikt om met zijn rijgedrag zijn vriendin te straffen, omdat zij hem niet serieus zou nemen. Ook toen zij was uitgestapt bleef hij zijn auto gebruiken om zijn negatieve emoties te uiten. Blijkbaar heeft hij er geen moment bij stilgestaan hoe gevaarlijk dit was, niet alleen voor hemzelf maar ook voor zijn passagier en andere weggebruikers.

Dat gevaar heeft zich helaas ook verwezenlijkt. Verdachte is met een duizelingwekkende snelheid door rood licht gereden en heeft hierbij een bromfietser geschept die overstak bij groen licht. Het slachtoffer was er bij aankomst in het ziekenhuis zo slecht aan toe dat het de vraag was of hij het zou halen. Het slachtoffer stond als 18-jarige op het punt om zijn vleugels uit te slaan maar moest in plaats daarvan een langdurig traject in van medische behandelingen en revalidatie. Zo heeft hij na de aanrijding twee weken in coma gelegen, is hij meermalen geopereerd en heeft hij maandenlang moeten revalideren. Uit de verklaring van een traumachirurg van 3 februari 2026 blijkt dat het herstel vordert maar dat hij mogelijk blijvende klachten zal overhouden aan het verkeersongeval. Uit de verklaring van het slachtoffer op de terechtzitting blijkt dat de impact van de aanrijding op het hem en zijn familie tot op de dag van vandaag groot is. Hij is nog steeds bezig met herstel. Zijn ouders hebben weken tussen hoop en vrees aan zijn bed gezeten en maken zich nog steeds zorgen. Ook heeft het slachtoffer een achterstand opgelopen in zijn opleiding en is de geplande vakantie naar de Verenigde Staten geannuleerd. Al met al heeft verdachte het slachtoffer en zijn familie dus volkomen zinloos een enorme hoeveelheid pijn en ellende bezorgd.

De rechtbank vindt het rijgedrag van verdachte extra ernstig omdat hij roekeloos en onder invloed heeft gereden, terwijl hij zich door de cursussen van het CBR, die hij kort daarvoor met succes had afgerond, juist bewust moet zijn geweest van de risico’s daarvan, (ook) voor andere en zwakkere verkeersdeelnemers. De vriendin die bij verdachte in de auto zat heeft hem bovendien aangesproken op zijn rijgedrag en hem gevraagd daarmee te stoppen omdat zij hier bang van werd, maar verdachte is roekeloos blijven rijden, ook nadat de vriendin was uitgestapt. De verdachte was dus in het algemeen en op de bewuste dag meerdere keren gewaarschuwd dat het totaal onverantwoord was om zo te rijden. Dat hij er toch mee door ging is onbegrijpelijk en buitengewoon kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- het strafblad van verdachte van 11 november 2025;

- een reclasseringsadvies van 5 februari 2026.

Het strafblad is verzwarend omdat daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer rijden onder invloed en een snelheidsovertreding.

Uit het reclasseringsadvies blijkt dat bij verdachte sprake is van een patroon van verkeersovertredingen en aanhoudend risicovolle keuzes in het verkeer. De reclassering adviseert onder meer een behandeling gericht op emotieregulatie en alcoholgebruik. Het risico op recidive en letsel wordt op gemiddeld ingeschat.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:

een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een alcoholverbod, een contactverbod en een locatieverbod (zonder elektronisch toezicht) ten aanzien van voormelde vriendin.

Strafkader

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan, vormt de bewezenverklaring het uitgangspunt.

De rechtbank merkt op dat er voor het veroorzaken van een verkeersongeval door roekeloos rijgedrag geen oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bestaan. De rechtbank heeft in dit geval als uitgangspunt gekeken naar de oriëntatiepunten voor het met ‘een zeer hoge mate van schuld’ veroorzaken van een verkeersongeval met als gevolg lichamelijk letsel/tijdelijke ziekte, terwijl sprake is van alcoholgebruik < 570 µg/l. De oriëntatiepunten nemen in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 3 jaren als uitgangspunt.

De rechtbank overweegt dat bij verdachte sprake is van een zwaardere vorm van schuld, te weten ‘roekeloosheid’, en van een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid, ook meermalen gepleegd in de 12 minuten voor het verkeersongeval. Bovendien was verdachte onder invloed van een behoorlijke hoeveelheid alcohol, wat extra gevaarlijk is in het verkeer.

Gelet op de ernst van de gedragingen van verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden volstaan met een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. en stelt vast dat hoge gevangenisstraffen aan de orde zijn als sprake is van roekeloos rijgedrag. Er kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, door de rechtbank berekend op 102 dagen. De rechtbank vindt het opleggen van voorwaardelijke gevangenisstraf met een forse proeftijd passend vanwege de bijzondere voorwaarden die daaraan zijn verbonden. Tot de bijzondere voorwaarden behoren de meldplicht bij [instelling] , de verplichting zich onder behandeling te stellen en een alcoholverbod.

Ontzegging van de rijbevoegdheid

De rechtbank acht, gezien de aard en ernst van het plegen van feit 1 subsidiair, naast de oplegging van een gevangenisstraf, de ontzegging van de rijbevoegdheid van de verdachte om motorvoertuigen te besturen voor dit feit passend en geboden. De rechtbank legt deze ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 5 jaar. De OBM wordt voor deze (lange) duur opgelegd vanwege de aard en de ernst van het verkeersongeval en omdat verdachte een gewaarschuwd man was door de eerdere veroordelingen, de eerdere invorderingen van zijn rijbewijs en de door hem gevolgde cursussen bij het CBR. Verdachte is een gevaar op de weg. Om andere weggebruikers te beschermen en nieuwe ongelukken te voorkomen, vindt de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte lange tijd niet aan het verkeer deelneemt in een motorvoertuig.

De voorlopige hechtenis

Nu de rechtbank een gevangenisstraf oplegt waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte langer is dan het voorarrest dient de rechtbank stil te staan bij de vraag of het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven.. De officier van justitie en de raadsman hebben de rechtbank verzocht om dit niet te doen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het arrest van 24 juni 2025 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:987) en oordeelt dat het in de onderhavige zaak in het belang van verdachte en in belang van de samenleving is dat de schorsing van de voorlopige hechtenis voortduurt, zolang de uitspraak nog niet onherroepelijk is.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak feit 1 primair

- verklaart feit 1 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2

- verklaart bewezen dat de verdachte het feit 1 subsidiair en het feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde feit 1 subsidiair en feit 2;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:

Meldplicht bij reclassering

* zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling] op het adres [adres 2] , te [plaats 1] ;

Ambulante behandeling

* zich laat behandelen door [instelling] [afkorting] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen

door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op middelengebruik en emotieregulatie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

Alcoholverbod

* gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. L.L. Veendrick en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier

en is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Hoogland, gemeente Amersfoort, althans inNederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkeen ander, te weten [slachtoffer] ,van het leven te beroven,met een motorrijtuig (personenauto), met een veel hogere snelheid dan ter plaatse wastoegestaan, te weten een snelheid van tussen de 121 en 130 kilometer per uur, door eenvoor hem, verdachte geldend rood licht te rijden en vervolgens tegen die op eensnorfiets rijdende en de weg, waarop verdachte reed, overstekende [slachtoffer] aan terijden, terwijl hij, verdachte, een (grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank hadgenuttigd, te weten een grotere hoeveelheid alcohol dan is toegestaan als bestuurdervan een voertuig ingevolge de geldende wet en regelgeving,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Hoogland, gemeente Amersfoort, althans inNederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (BMW metkenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Maatweg, zich zodanig heeftgedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doorroekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- onder invloed van alcohol, te weten een grotere hoeveelheid alcohol dan is toegestaanals bestuurder van een voertuig ingevolge de geldende wet en regelgeving en/of- met een (zeer) hoge snelheid, te weten een snelheid van tussen de 121 en 130kilometer per uur, de kruising van voornoemde Maatweg en de N199 te naderen en/of- door een voor hem, verdachte, al minimaal 12,1 seconden geldend rood licht te rijdenen/of- zich er daarbij m onvoldoende mate van te vergewissen dat een bromfiets bestuurder,genaamd [slachtoffer] , doende was voornoemde Maatweg - bij groen verkeerslicht -over te steken, en/of- vervolgens niet tijdig en niet voldoende af te remmen of uit te wijken, waardoor hij,verdachte, vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] is aangereden, waardoor een ander(genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel, gebrokensleutelbeen, gebroken bekken, meerdere breuken in beide benen, gekneusde longen, ofzodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhinderingm de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte,verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfdelid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevelgegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemdewet;

( art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

2hij op of 28 juli 2025 te Hoogland, gemeente Amersfoort, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994,

425 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Een proces-verbaal van 3 augustus 2025, genummerd PL0900-2025255552-37, voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Ik heb naar camerabeelden van het bestand [...] gekeken die vanuit de personenauto van verdachte zijn gefilmd op 28 juli 2025 tussen 21:33:47 uur en 21:36:45 uur.

Om 21:33:57 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 76 km/uur terwijl verkeersborden te zien zijn met snelheidsaanduiding "30" vanwege wegwerkzaamheden. Ik zie dat de bestuurder geen snelheid mindert langs de wegwerkzaamheden.

Ik zie dat het voertuig rechtsaf slaat richting de Radium weg waar een snelheid van

50 km/uur is toegestaan. Ik zie dat het voertuig direct hard optrekt en om 21:35:05 hard versneld en met een snelheid van 109 km/uur door het oranje verkeerslicht rijdt.

Om 21:35:13 zag ik dat de snelheid op de N199 word verhoogd naar 118 km/uur terwijl er verschillende voertuigen op rijstrook worden ingehaald. De toegestane snelheid op de N199 is 80 km/uur.

Een proces-verbaal van 3 augustus 2025, genummerd PL0900-2025255552-38, voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Ik heb naar camerabeelden van het bestand [....] gekeken die vanuit de personenauto van verdachte zijn gefilmd op 28 juli 2025 tussen 21:36:45 uur en 21:39:45 uur.

Ik zie dat het voertuig rijdt op de N199, een provinciale weg met een maximum

snelheid van 80 km/uur. Om 21:37:18 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 148 km/uur. Ik zie dat het voertuig zich ongeveer 100 meter voor de rotonde met de Rondweg-Noord bevind, dat er meerdere voertuigen rijden zowel op de N199, als op de rotonde. Om 21:37:21 zie ik dat het voertuig snelheid vermindert naar 114 km/uur en de rotonde oprijdt.

Om 21:37:40 is te zien dat het voertuig 83 km/uur rijdt en de neus van de auto plots naar beneden duikt. Direct hier opvolgend, een seconde later, is de snelheid teruggelopen naar 49 km/uur. Ik maak hieruit op dat de bestuurder hier een harde remming maakt, danwel een noodstop maakt. Ik zie op de beelden geen aanleiding voor het remmen.

Op de [straat] is om 21:38:43 te zien dat het voertuig 37 km/uur rijdt en de neus van de auto plots naar beneden duikt. Direct hier opvolgend, een seconde later, is de snelheid teruggelopen naar 24 km/uur en komt het voertuig tot stilstand. Ik maak hieruit op dat de bestuurder hier een harde remming maakt, danwel een noodstop maakt. Ik zie op de beelden geen aanleiding voor het remmen.

Ik zie dat het voertuig 6 seconden stilstaat op de [straat] . Ik zie dat het voertuig hard weg rijdt. Ik zie dat het voertuig harde, slingerende bewegingen van links naar rechts maakt, waarbij de middenstreep word overschreden. Ik zie dat de snelheid snel oploopt naar 70 km/uur, daar waar 50 km/uur ter plaatse is toegestaan.

Om 21:38:59 is te zien dat het voertuig 70 km/uur rijdt en de neus van de auto plots naar beneden duikt. Direct hier opvolgend, een seconde later, is de snelheid teruggelopen naar 20 km/uur en komt het voertuig tot stilstand. Ik maak hieruit op dat de bestuurder hier een harde remming maakt, danwel een noodstop maakt. Ik zie op de beelden geen aanleiding voor het remmen.

Een proces-verbaal van 30 juli 2025, genummerd PL0900-2025255552-24, voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Ik heb naar camerabeelden van het bestand [.....] gekeken die vanuit de personenauto van verdachte zijn gefilmd op 28 juli 2025 tussen 21:39:45 uur en 21:42:45 uur.

Om 21:41:22 zag ik dat het voertuig op een weg, met daarin bochten van links naar rechts, binnen de bebouwde kom. Ik zag een snelheid van 74 km/h.

Om 21:41:29 zag ik dat het voertuig een rotonde naderde met een snelheid van 72 km/h.

Om 21:41:42 zag ik dat het voertuig een rotonde naderde met een snelheid van 69 km/h. Ik zag naast de weg een verkeersbord staan dat aangaf dat het einde 50 km/h was.

Om 21:42:16 zag ik dat het voertuig op rijstrook 1 reed en een nadere personenauto, die op rijstrook 2 links inhaalde, ik zag een snelheid van 121 km/h, in beeld staan.

Om 21:42:45 zag ik een snelheid van 123km/h.

Een proces-verbaal van 30 juli 2025, genummerd PL0900-2025255552-20, voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Ik heb naar camerabeelden van het bestand [......] gekeken die vanuit de personenauto van verdachte zijn gefilmd op 28 juli 2025 tussen 21:42:45 uur en 21:44:01 uur.

Om 21:42:47 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 126 km/h.

Om 21:42:53 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 134 km/h. Ik zag in de verte 3 rood uitstralende lichten.

Om 21:43:18 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 87 km/h. Ik zag dat het motorvoertuig naar rijstrook 2 stuurde en de personenauto op rijstrook 1 rechts inhaalde.

Om 21:43:27 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 112 km/h. Ik zag in de verte wederom verkeerslichten. Ik zag dat deze rood licht uitstraalden.

Om 21:43:34 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 124 km/h. Ik zag vier verkeerslichten die alle rood licht uitstraalde. Ik zag op de verkeerskruising, een zwart gekleurd voertuig, dat van rechts naar links de weg kruiste.

Tussen dit tijdstip en het vorige tijdstip zijn de verkeerslichten niet veranderd van

kleur.

Om 21:43:35 zag ik dat de snelheid was opgelopen naar 126 km/h. Ik zag drie verkeerslichten die alle rood licht uitstraalden. Ik zag op de verkeerskruising, een zwart gekleurd voertuig, dat van rechts naar links de weg kruiste. Ik zag een tweede voertuig de weg kruiste, dit voertuig herken ik als een bromfiets.

Om 21:43:36 zag ik dat de snelheid 126 km/h was. Ik zag op de verkeerskruising, dat de tweede bromfiets, links werd aangereden door de voorzijde van het motorvoertuig.

Om 21:43:37 zag ik dat de snelheid 126 km/h was. Ik zag dat het beeld wazig werd.

Om 21:43:40 zag ik dat de snelheid was terug gelopen naar 89 km/h en dat het zicht wazig was.

Om 21:44:01 zag ik dat vermoedelijk het voertuig stil stond.

Een proces-verbaal FO Verkeer van 16 september 2025, genummerd PI0900-2025255552-15, voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Betrokken voertuig: personenauto, merk BMW, kenteken: [kenteken] .

Op 28 juli 2025 was er gedurende een periode van ongeveer 42 minuten na zonsondergang een burgerlijke avondschemering. Dit betreft een periode waar er nog voldoende licht zichtbaar is. Het verkeersongeval had plaatsgevonden binnen deze periode.

Op de plaats van het verkeersongeval zagen wij de door ons aangetroffen eindpositie van de BMW op ongeveer 316 meter voorbij spoor 1 (diverse krassporen en afdruksporen ter hoogte van de aansluiting van de Boelenhoefseweg aan de Bunschoterstraat).

Op de dashcambeelden was te zien dat de BMW met zijn rechtervoorzijde in contact komt met de linkerzijde van de bromfiets. Op deze positie kwamen ook de schades op de BMW en bromfiets overeen.

Interpretatie van het onderzoek

Op basis van het onderzoek op de plaats van het verkeersongeval, het voertuigonderzoek, de

dashcambeelden en de tactische informatie m.b.t. de getuigenverklaringen kon door ons het

volgende gerelateerd worden.

Op maandag 28 juli 2025 omstreeks 21:43 uur, had op de Bunschoterstraat ter hoogte van de

aansluiting met de Boelenhoefseweg een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit verkeersongeval waren een personenauto, zijnde een BMW, en een bromfiets betrokken. Als gevolg van dit verkeersongeval werd de bestuurder van de bromfiets overgebracht naar het [ziekenhuis] , te [plaats 2] .

De bestuurder van de BMW reed op de Bunschoterstraat, komende uit de richting van de Rondweg Noord en gaande in de richting van de Amsterdamseweg. De bromfiets reed op de Boelenhoefseweg parallel aan de Bunschoterstraat, komende uit de richting van de Rondweg Noord. De bestuurder van de bromfiets zou hebben gewacht voor het rode licht en is vervolgens overgestoken. Ter hoogte van het kruispunt kwamen de rechter voorzijde van de BMW en de linkerzijde van de bromfiets met elkaar in botsing. Als gevolg van de botsing tekende de bromfiets sporen af in en op het wegdek tot de door ons aangetroffen eindpositie van de bromfiets. Op de dashcambeelden was te zien dat de BMW na de botsing nog door reed tot aan de door ons aangetroffen eindpositie.

Uit ons onderzoek is gebleken dat de toedracht van het verkeersongeval niet was gelegen in de lichtgesteldheid, de weersgesteldheid, de infrastructuur, een technisch gebrek aan één of beide voertuigen of een combinatie van vorenstaande.

Het kruispunt gevormd door de Bunschoterstraat, de Maatweg en de Boelenhoefseweg was een door een verkeersregelinstallatie geregeld kruispunt. Uit de analyse van de VRI-data kwam dat de bestuurder van de BMW met een indicatieve gemiddelde snelheid tussen de 12 1 km/h en 130 km/h de stopstreep passeerde waar het verkeerslicht al minimaal 12,1 seconden rood licht uitstraalde. De ter plaatse toegestane snelheid betrof 80 km/h.

Op basis van de verklaringen en camerabeelden is het zeer aannemelijk dat de bestuurder van de bromfiets de stopstreep passeerde, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden.

Een proces-verbaal Analyse VRI-data van 12 september 2025, genummerd PL0900-2025255552-42, voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de BMW, op maandag 28 juli 2025 te 21:41:53.5 uur, de stopstreep passeerde met een indicatieve gemiddelde snelheid, die had gelegen tussen de 121 km/h en 130 km/h, althans een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 km/h, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 12,1 seconden rood licht uitstraalden.

Het lampsignaal van de bestuurder van de bromfiets was minimaal 2,4 seconden groen op het moment dat de bestuurder van de BMW de stopstreep passeerde. Op basis van de verklaringen en camerabeelden is het zeer aannemelijk dat de bestuurder van de bromfiets de stopstreep passeerde, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden.

Een proces-verbaal van rijden onder invloed van 29 juli 2025, genummerd PL0900-2025255539-1, voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Voorval:

Pleegplaats voorval: Bunschoterstraat, Hoogland, binnen de gemeente Amersfoort

Datum voorval: 28 juli 2025

Verdachte

Achternaam: [verdachte (achternaam)]

Voornamen: [voornamen van verdachte]

Ademanalyse

Het onderzoeksresultaat van een voltooid ademonderzoek is 425 µg/l.

Een geschrift, te weten een medische verklaring van 6 augustus 2025 van Dr. [A] , intensivist [ziekenhuis], waarin met betrekking tot [slachtoffer] zakelijk weergegeven het volgende staat vermeld:

onderzoek op 28 juli 2025

Uitwendig waargenomen letsel: 1) hersenbloeding als gevolg van het trauma,2) breuken van het aangezicht,3) klaplong rechterzijde,4) breuk van het bovenbeenlinks,5) breuk van het onderbeen rechts,6) breuk van het bekken,7) scheur van de urineleider,8) meerdere breuken van de linker hand en9) sleutelbeen breuk rechts

uitwendig bloedverlies: ja, gering, niet ernstig, geen shockvermoeden niet uitwendig waarneembaar letsel: ja

vermoeden inwendig bloedverlies: ja

storing in het bewustzijn: ja

Patiënt is gedurende een aantal uren onder narcose gehouden vanwege het letsel.Patiënt heeft meerdere operaties ondergaan.Het is niet duidelijk of er sprake is van blijvend letsel.

Geschatte duur van de genezing: Patiënt zal een intensief revalidatie traject ondergaan, de duur van dit traject is nog niet duidelijk.

Een getuigenverklaring van 31 juli 2025 van [B] , voor zover zakelijk weergegeven inhoudend:

Ik vroeg wat er precies was gebeurd. Toen hoorde ik een man tegen mij zeggen:

"Ik heb hem aangereden. Het is allemaal mijn schuld. Ik reed veel te hard, iets van 120 of 130 km/u. Ik ben ook door rood gereden. Mijn leven is voorbij. Ik ben zwaar de lul. Ik heb hem nooit gezien."

Ik zag dat de man uit een lichtkleurige BMW was gestapt.

Verdachte heeft op 12 februari 2026 ter zitting de volgende verklaring afgelegd:

Ik had een borrel op en vind het verschrikkelijk om terug te zien hoe ik heb gereden. Ik vind het heel erg wat er met het slachtoffer is gebeurd. Ik rij daar vaker en de stoplichten staan nogal eens voor niks op rood omdat er niemand oversteekt, maar ik heb het verkeerd ingeschat.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?