RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/271222-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2005] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair
op 31 augustus 2025 in Utrecht samen met anderen heeft geprobeerd onbekend gebleven personen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, door meermalen met een (automatisch) vuurwapen op een portiek te schieten en/of een vluchtauto te besturen;
subsidiair
op 31 augustus 2025 in Utrecht samen met anderen onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen met een (automatisch) vuurwapen op een portiek te schieten.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (het primaire feit, impliciet subsidiair). De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over het tenlastegelegde medeplegen van poging tot moord (feit 1, impliciet primair).
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van poging tot moord en poging tot doodslag (het primaire feit). De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van het subsidiaire feit (bedreiging).
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (poging tot moord) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
3.3.2.1. Inleiding
Deze strafzaak gaat over de schietpartij die op zondagmiddag 31 augustus 2025 om 15:50 uur bij het portiek van de flat aan de [adres] in [plaats] heeft plaatsgevonden. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 31 augustus 2025 is aan de verdachte via Snapchat gevraagd of hij wilde schieten op een portiek. De opdracht was om een van de bewoners af te schrikken door het magazijn van een wapen leeg te schieten. De verdachte accepteerde de opdracht ongeveer drie uur voorafgaand aan het schieten. De opdracht moest van de opdrachtgever worden uitgevoerd tussen 15:00 uur en 18:00 uur, omdat het dan nog licht is. De verdachte heeft de medeverdachte [medeverdachte] gevraagd als chauffeur. Nadat de verdachte bij zijn vader in [plaats] werd opgehaald door de medeverdachte, hebben zij eerst in de buurt van het Oosterpark Amsterdam het automatische vuurwapen opgehaald. Zij zijn daarna naar Utrecht gereden, waar zij gezichtsbedekking hebben gehaald. Vervolgens zijn zij doorgereden naar de [straat] . Nadat de medeverdachte de auto had geparkeerd aan de [straat] , is de verdachte uitgestapt en naar de [straat] gelopen. De verdachte heeft vervolgens meerdere rondjes gelopen, om het portiek te verkennen. Daarna heeft de verdachte met het automatisch vuurwapen 28 kogels op het portiek van de flat aan de [adres] geschoten. De rechtbank stelt vast dat dit het portiek betrof van 29 woningen, gelet op de huisnummering van [huisnummers] (de woningen in de flat betreffen even nummers). In het klepje van een brievenbus zat een schotbeschadiging en er zaten meerdere schotbeschadigingen in de ruiten boven de brievenbussen, waaronder één schotbeschadiging direct boven de brievenbussen, boven de centrale deur, in de houten kozijnen en in de betonnen bovenrand. Meerdere van de genoemde schotbeschadigingen betroffen doorschoten. De schotbeschadigingen bevonden zich op hoogtes tussen de 1.44 meter (de schotbeschadiging in de brievenbus) en 5 meter (de schotbeschadiging in een ruit van de liftschacht).
De verdachte heeft op 8 april 2025 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. De verdachte heeft daar, nadat hem de cautie was gegeven en in aanwezigheid van zijn advocaat, een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd, die in lijn is het met de bevindingen uit het dossier. De rechtbank beoordeelt die verklaring als betrouwbaar, heeft geen reden om aan de inhoud van die verklaring te twijfelen en gebruikt deze verklaring dan ook voor het bewijs. Dat de verdachte op de zitting van 4 september 2026 zijn verklaring op bepaalde onderdelen heeft ingetrokken, doet daar niet aan af. De rechtbank zal hier in de bewijsoverweging een aantal keer op terugkomen.
3.3.2.2. ( (Voorwaardelijk) opzet op de dood
De advocaat stelt zich op het standpunt geen sprake is van poging tot moord dan wel doodslag, maar van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Er was namelijk geen sprake van opzet op de dood, ook niet in voorwaardelijke zin. Volgens de advocaat ontbreekt de aanmerkelijke kans en de bewuste aanvaarding daarvan. Dat is in lijn met de geldende jurisprudentie bij het schieten op een portiek of woning. Het criterium van een aanmerkelijke kans op de dood wordt niet gehaald, omdat het gaat om een algemene portiekbeschieting zonder concrete personen in beeld. De verdachte heeft bewust gewacht tot het portiek leeg was en heeft hoog gericht om niemand te raken. De verdachte heeft als motieven gegeven dat hij snel en gemakkelijk geld wilde verdienen en stoer wilde doen tegenover vrienden en meisjes. Die motieven passen bij bravoure, impulsiviteit en beïnvloedbaarheid, niet bij een gericht voornemen om iemand van het leven te beroven.
Geen vol opzet
De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de verdachte de intentie (het volle opzet) heeft gehad om anderen van het leven te beroven. Uit het dossier en dat wat is besproken op de zitting valt immers niet op te maken dat de verdachte op het portiek heeft geschoten met het doel andere mensen om het leven te brengen.
Voorwaardelijk opzet
Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat bepaalde gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg kan intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Bij de beoordeling of in deze zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Aanmerkelijke kans
De rechtbank overweegt dat de verdachte op een zondagmiddag om 15:50 uur als ongeoefend schutter met een automatisch vuurwapen 28 kogels heeft afgevuurd op een portiek van een flat dat toegang gaf tot 29 appartementen. De verdachte had nooit eerder met een wapen geschoten Onder die omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk te achten kans dat iemand door de kogels dodelijk zou worden getroffen. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende.
Allereerst beoordeelt de rechtbank de kans dat er tijdens het schieten een persoon het portiek in was gelopen als een reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Het was immers 15:50 uur op een zondagmiddag en, zoals op de op de zitting besproken foto’s uit het forensisch onderzoek te zien is, kwamen op het portiek de lift, een trap van beneden, een trap van boven en een trappenhuis uit. Dat betekent dat er op vier manieren personen het portiek in konden komen op het moment dat de verdachte de kogels afvuurde op het portiek. In dat kader heeft de verdachte verklaard dat hij heeft gewacht tot er niemand in het portiek was en dat hij kon zien dat er niemand in het portiek was, maar de rechtbank ziet niet in hoe de verdachte dat zeker kan hebben geweten. De verdachte kan onmogelijk de zekerheid gehad hebben dat de liftdeuren niet open zouden zijn gegaan of dat iemand vanaf één van de trappen het portiek zou betreden in de tijd dat verdachte de 28 kogels afvuurde.
De verdachte heeft verder verklaard dat hij, door op de bovenramen van het portiek te schieten, de meeste kans had dat hij niemand zou raken. De verdachte had het automatisch vuurwapen evenwel aantoonbaar niet onder controle. Niet alleen had de verdachte nog nooit met een dergelijk wapen geschoten, uit het forensisch onderzoek blijkt dat er schotbeschadigingen zaten ter hoogte van de brievenbussen (rond de 1.44 meter hoogte) en iets daarboven. De hoogte van de brievenbussen is (ruim) binnen het bereik van een menselijk lichaam.
Bij deze stand van zaken was het naar het oordeel van de rechtbank geenszins onwaarschijnlijk, en dus reëel, dat een persoon dodelijk getroffen zou worden door één of meer van de door de verdachte afgevuurde kogels.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat er uiteindelijk niemand aanwezig was in het portiek van de 29 woningen tellende flat om 15:50 uur op zondagmiddag niet in de weg staat aan het aannemen van een aanmerkelijke kans op een dodelijk slachtoffer. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1648) en de daarbij behorende conclusie van de advocaat-generaal. Hieruit volgt dat de vraag moet worden gesteld of een objectieve derde (de zogeheten criteriumfiguur) wetende wat de verdachte weet en ziende wat de verdachte ziet, de kans op het intreden van het voorziene gevolg in zou schatten als een reële mogelijkheid. Een objectieve derde die enkel wist wat de verdachte op dat moment wist, zou naar het oordeel van de rechtbank menen dat een aanmerkelijke kans bestond dat iemand het portiek zou binnenkomen en dat het afvuren van 28 kogels met een automatisch vuurwapen op dat portiek, zonder eerder met een automatisch vuurwapen te hebben geschoten, de dood van iemand zou kunnen betekenen. Daarmee is sprake van een aanmerkelijke kans op de dood.
Bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans
De vervolgvraag is dan of de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. In dat kader stelt de rechtbank vast dat de verdachte op de hoogte was van alle factoren die – tezamen – leiden tot de conclusie dat sprake was van een aanmerkelijke kans. De verdachte wist dat hij op klaarlichte dag op een portiek moest vuren, had gezien dat daar mensen in en uit liepen, en hij was bekend met de hoeveelheid huisnummers die op dat portiek uitkwamen – hij moest immers schieten op portiek [huisnummers] . Bovendien had de verdachte het portiek meermalen verkend en wist dus hoeveel manieren er waren om dat portiek te betreden. Ook wist hij dat hij met een automatisch wapen moest vuren en dat hij zoiets nog nooit eerder had gedaan.
De rechtbank stelt daarnaast ook op basis van de eigen verklaring van de verdachte vast dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris op 8 april 2026 verklaard dat hij wilde dat de kans dat hij iemand zou raken zo klein mogelijk was. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat de kans dat hij iemand zou raken niet nul kan zijn geweest, maar dat hij de kans zo klein mogelijk wilde houden. Hij was er niet honderd procent zeker van dat hij niet iemand zou raken, maar probeerde zo zeker mogelijk te zijn. Het voorgaande brengt met zich mee dat de verdachte zich ervan bewust was dat er een kans was dat hij iemand zou raken. Op de zitting heeft de verdachte ook verklaard dat hij ter plaatse dacht: dit moet ik niet doen. Desondanks heeft hij niet afgezien van zijn handelen, enkel omdat hij bang was dat hij daardoor problemen met zijn opdrachtgever zou krijgen. Onder die omstandigheden kan de conclusie niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat hij iemand dodelijk zou raken ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust zou hebben aanvaard, is niets gebleken.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van anderen. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat in zoverre.
3.3.2.3. Voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte zich schuldig
heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Daarbij moet komen vast te staan dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Voor wat betreft de verhouding tussen opzet en voorbedachte raad overweegt de rechtbank dat deze niet slechts wordt bepaald door een onderscheid naar intensiteit, maar vooral door een kwalitatief verschil. Voorbedachte raad is een bijzondere kwalificatie waardoor het misdrijf een veel ernstiger karakter aanneemt dan doodslag. Voorbedachte raad kan samengaan met alle vormen van opzet, inclusief het zogenaamde voorwaardelijk opzet. Immers wanneer iemand met tijd voor overleg een plan opmaakt om een ander doel te bereiken, en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging de dood van een ander zal veroorzaken, dan zijn alle kenmerken van voorbedachte raad aanwezig.
De rechtbank stelt op grond van bewijsmiddelen vast dat de verdachte enkele uren voorafgaand aan het schieten op het portiek is benaderd om deze opdracht uit te voeren. De verdachte heeft na het accepteren van de opdracht de medeverdachte benaderd om als chauffeur op te treden. Vervolgens is de verdachte bij zijn vader in [plaats] opgehaald door de medeverdachte, waarna hij het wapen heeft opgehaald bij het Oosterpark in Amsterdam. De medeverdachte en de verdachte zijn doorgereden naar Utrecht, waar zij gezichtsbedekking hebben opgehaald: de verdachte had dat nog niet en had iets nodig om zijn gezicht te bedekken. Vanaf daar zijn zij richting de [straat] gereden. Daar hebben zij in de omgeving rondjes gereden en de auto geparkeerd. De verdachte is uitgestapt en heeft meerdere rondjes gelopen om de flat en het portiek bekeken. Daarna heeft hij met het automatisch vuurwapen geschoten.
De rechtbank leidt hieruit af dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan van de verdachte (en de onbekend gebleven opdrachtgever) om op het portiek te schieten. De verdachte heeft op verschillende momenten de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en heeft zich daarvan rekenschap kunnen geven. De verdachte wist vanaf het aannemen van de opdracht dat hij geacht werd op klaarlichte dag met een automatisch vuurwapen op een portiek te schieten waar een wezenlijk aantal woningen op uitkomt. Ook wist hij natuurlijk dat hij nooit eerder geschoten had. Over die elementen van het aangenomen voorwaardelijk opzet heeft hij geruime tijd na kunnen denken. Dat kon namelijk onder meer bij het zoeken van een chauffeur, in de tijd dat hij in de auto heeft gezeten, na het ophalen van het wapen, na het ophalen van de gezichtsbedekking en bij het lopen van rondjes om de flat. Weliswaar zijn de laatste elementen van het voorwaardelijk opzet pas bekend geworden toen de verdachte eenmaal ter plaatse was, zoals de indeling van het portiek en het aantal toegangen daartoe, maar vast staat ook dat de verdachte toen meerdere verkenningsrondjes heeft gelopen. De verdachte had dus ook toen nog de gelegenheid om deze factoren in zijn afweging te betrekken en daarover na te denken. De rechtbank gaat ervan uit dat dit nadenken ook daadwerkelijk is gebeurd. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij wel heeft gedacht dat hij het niet moest doen, ook toen hij op de [straat] was, maar dat hij de opdracht al had aangenomen. Hij zou in de problemen komen met de opdrachtgever als hij de klus niet zou uitvoeren. De slotsom luidt dus dat de verdachte de kennis en de gelegenheid heeft gehad om over de mogelijke gevolgen van zijn daad na te denken, en dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan, om die daad vervolgens toch te plegen. Daarmee is sprake van voorbedachte raad, en dus sprake van een poging tot moord.
3.3.2.4. Medeplegen
De rechtbank ziet in het dossier en dat wat is besproken op de zitting voldoende bewijs voor medeplegen tussen de verdachte en de opdrachtgever. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft verklaard dat hij handelde in opdracht van de opdrachtgever. De opdrachtgever bepaalde waar en wanneer er geschoten moest worden, regelde het wapen en maakte aan de verdachte kenbaar hoeveel hij betaald kreeg voor de opdracht. De rechtbank oordeelt dat, gelet op deze omstandigheden, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander onbekend persoon (de opdrachtgever), waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte en de opdrachtgever van voldoende gewicht is. Dat niet bekend is geworden wie de opdrachtgever is, doet daar niet aan af.
3.3.2.5. Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade (een) ander(en), te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen van het leven te beroven,
- meermaals met een automatisch vuurwapen heeft geschoten op de portiek en ramen en ingang van een appartementencomplex,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van poging tot moord.
Strafbaarheid feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op het advies van de jeugdreclassering. De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 22 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals deze verbonden zijn aan de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op de adviezen van de deskundigen. Bij het bepalen van de straf verzoekt de advocaat rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte geen eerdere veroordelingen op zijn strafblad heeft, dat hij ruim 7 maanden in voorarrest heeft gezeten en dat er beschermende factoren zijn die het recidiverisico verminderen. De verdachte heeft betrokken ouders, een lopend opleidingstraject, perspectief op werk en toont bereidheid tot behandeling. De advocaat verzoekt aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, een forse werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie met voortzetting van toezicht en begeleiding. Daarnaast kan opgelegd worden een behandelingsverplichting, voortzetting en afronding van onderwijs, contact- en locatieverboden en eventueel voorwaarden gericht op het voorkomen van nieuwe ‘Snapchat-opdrachten’.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot moord door op een zondagmiddag met een automatisch vuurwapen op een portiek van een bewoonde flat met 29 woningen te schieten. De kogels van het automatische vuurwapen zijn dwars door de glazen van het portiek gegaan. Er zijn ook kogels ingeslagen op ‘lichaamshoogte’, waaruit blijkt dat de verdachte, die hoog wilde schieten, het automatisch vuurwapen niet onder controle had. Dat de gevolgen beperkt zijn gebleven en dat er niemand (zwaar) gewond is geraakt of is komen te overlijden door het handelen van de verdachte, is geenszins aan de verdachte te danken. Het laat zich zeer gemakkelijk indenken wat een vrees een dergelijke publieke daad bij de bewoners en omwonenden van die flat moet hebben veroorzaakt. Het schieten met een automatisch vuurwapen op een portiek van een flat op klaarlichte dag roept echter niet alleen in de direct omgeving, maar in de gehele samenleving gevoelens van angst, onveiligheid en afschuw op. De verdachte is aan dit alles voorbij gegaan en had slechts oog voor zijn eigen financieel gewin: het geld dat hij met de opdracht zou verdienen. Geld dat hij, naar eigen zeggen, niet eens echt nodig had. De rechtbank neemt dit alles de verdachte zeer kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij de strafoplegging kijkt de rechtbank naar het strafblad van de verdachte van 5 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Zijn strafblad heeft dus geen invloed op de uiteindelijke straf.
Pro Justitia rapport
Uit het Pro Justitia rapport van 14 mei 2026, opgesteld door GZ-psychologen F. de Reeper en A. Wagenmans, volgt dat bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis. Er is wel sprake van een lager cognitief functioneren dan gemiddeld en functioneren op jongere leeftijd dan de eerste indruk doet vermoeden. De verdachte is gestagneerd in zijn ontwikkeling en kan onvoldoende zijn impulsen beheersen, frustraties verdragen, op zichzelf reflecteren en het perspectief van de ander innemen en afwegen. De deskundigen stellen dat sprake is van antisociaal gedrag en schoolproblematiek. Dit was aanwezig ten tijde van het feit en de deskundigen adviseren het feit in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De deskundigen adviseren om het jeugdstrafrecht toe te passen omdat de handelingsvaardigheden van de verdachte minder ontwikkeld zijn dan van zijn leeftijd verwacht mag worden. Hij functioneert nog op sociaal-emotioneel jonger niveau en is gebaat bij een pedagogische aanpak om zijn ontwikkeling bij te sturen.
De deskundigen schatten het recidiverisico in als matig. De verdachte heeft geen strafblad, lijkt gemotiveerd te zijn en heeft steun vanuit zijn familie. Er zijn echter ook kritische risicofactoren en de verdachte is kwetsbaar voor (negatieve) beïnvloeding. De deskundigen adviseren dat de verdachte behandeling krijgt aangeboden gericht op de meest belangrijke risicofactoren: zijn gebrekkige copingvaardigheden en zijn kwetsbaarheid voor sociale beïnvloeding. Het advies is om een reclasseringsmaatregel Toezicht en Begeleiding in te zetten, in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
Rapport Samen Veilig Jeugdreclassering (hierna: SAVE)
Uit het rapport van SAVE van 21 augustus 2026 volgt dat de verdachte zich tijdens zijn schorsing over het algemeen goed aan zijn opgelegde schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. SAVE beschrijft dat er zorgen zijn over de beïnvloedbaarheid, het normbesef, de gewetensfunctie van de verdachte en de bereidheid om in opdracht van anderen ernstige strafbare feiten te plegen. Het blanco strafblad lijkt in dit geval geen betrouwbare indicatie te zijn voor een laag risico op ernstig gewelddadig gedrag. Ten aanzien van de kans op herhaling, de veiligheid en de ontwikkeling zijn zowel risico- als beschermende factoren zichtbaar.
SAVE adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. SAVE adviseert daarnaast het continueren van de maatregel Toezicht en Begeleiding (T&B), inclusief de voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis, in het bijzonder de elektronische monitoring (EM).
Advies Reclassering Nederland
Uit het advies van Reclassering Nederland van 27 augustus 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] , volgt dat de reclassering zich kan vinden in de eerdere rapporten en adviezen van de psychologen en van SAVE. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen, waarvoor de reclasseringswerker verwijst naar het advies van 14 mei 2026. Daaruit blijkt dat het jeugdstrafrecht passend is omdat de verdachte ontvankelijk lijkt te zijn voor pedagogische beïnvloeding, kinderlijker gedrag vertoont dan op basis van zijn leeftijd van hem verwacht mag worden en hij een first offender is, die nog thuis woont. De reclassering sluit zich aan bij het strafadvies van SAVE.
Jeugdstrafrecht
Ten tijde van het plegen van het feit was de verdachte 19 jaar oud. In beginsel is dan het strafrecht voor volwassenen aan de orde. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.
De rechtbank heeft daarvoor gekeken naar het wegingskader adolescentenstrafrecht en heeft beoordeeld of pedagogische beïnvloeding van de verdachte mogelijk is. Uit het Pro Justitia rapport en de adviezen van de (jeugd)reclassering blijkt dat de verdachte cognitief lager functioneert dan gemiddeld en is gestagneerd in zijn ontwikkeling. De verdachte functioneert op sociaal-emotioneel jonger niveau dan hij doet voorkomen. Hij is in sociaal-emotionele zin dan ook nog in ontwikkeling, lijkt nog ontvankelijk te zijn voor pedagogische beïnvloeding en heeft baat bij de aanpak vanuit het jeugdstrafrecht. Hoewel de rechtbank een contra-indicatie ziet in de ernst van het feit, zal de rechtbank gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en de adviezen van de deskundigen over de persoon van de verdachte, het jeugdstrafrecht toepassen
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen ten aanzien van de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte niet over. Aan de omstandigheid dat de verdachte is achtergebleven in zijn ontwikkeling wordt reeds recht gedaan door toepassing van het jeugdstrafrecht. Van enige psychische stoornis die zijn handelen heeft beïnvloed is verder niet gebleken. Onder die omstandigheden acht de rechtbank de verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor het bewezen verklaarde feit.
Oplegging straf
Vanwege de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd mee: op een zondagmiddag, in een woonwijk, met een automatisch vuurwapen, op een flat met veel appartementen en het ogenschijnlijke gemak waarmee de verdachte deze extreem gewelddadige opdracht heeft geaccepteerd om snel wat geld te verdienen. De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte nog altijd niet door lijkt te hebben hoe ernstig het feit is dat hij heeft gepleegd. Feiten zoals deze zorgen voor veel onrust in de maatschappij. Gelet hierop heeft de strafoplegging zowel een signaalfunctie voor de verdachte als voor de maatschappij. De rechtbank vindt alleen een aanzienlijke jeugddetentie op zijn plek.
De rechtbank zal daarom aan de verdachte opleggen een jeugddetentie voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Gelet op de persoon van de verdachte is het aangewezen dat hij na de detentie op verschillende gebieden wordt ondersteund en waar nodig wordt gestuurd. Het is, gelet op de adviezen van de deskundigen, van belang dat zijn ontwikkeling, gedrag en keuzes worden gevolgd en dat hij een duidelijk kader heeft. Daarom zal de rechtbank aan het voorwaardelijk deel van de straf bijzondere voorwaarden verbinden, zoals volgen uit het rapport van SAVE van 21 augustus 2026, met uitzondering van het locatieverbod voor de [straat] in Utrecht. De verdachte heeft een losse opdracht uitgevoerd en hij is geen onderdeel van een lopend conflict op de [straat] . De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak tot het opleggen van het locatieverbod. De bijzondere voorwaarden zijn hierna in de beslissing genoemd. De voorwaardelijke jeugddetentie is bovendien een stok achter de deur voor de verdachte voor naleving van de bijzondere voorwaarden.
Verder acht de rechtbank het, wederom gelet op de ernst van het feit en het gebrek aan inzicht van de verdachte in de ernst van wat hij heeft gedaan, passend dat aan de verdachte daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf wordt opgelegd, zodat de verdachte ook ervaart dat hij iets moet terugdoen voor de maatschappij. De rechtbank zal daarom, naast de jeugddetentie, ook een werkstraf opleggen van 120 uren.
De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt en de voorgestelde straf door de verdediging geen recht doet aan de ernst van het feit.
De voorlopige hechtenis
Bij de schorsingsbeslissing van 21 mei 2026 heeft de rechtbank een afweging gemaakt tussen de strafvorderlijke belangen en de belangen van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat deze afweging niet anders uitpakt door dit vonnis. Daarbij komt dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd ook kunnen worden bereikt door de gestelde voorwaarden aan de schorsing. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis laten voortduren.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het vuurwerk moet worden onttrokken aan het verkeer en dat de inbeslaggenomen gegevensdragers moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de inbeslaggenomen smartwatch en de telefoon moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het inbeslaggenomen vuurwerk (twee cobra’s) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Deze voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit aangetroffen.
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen smartwatch en telefoon, die aan de verdachte toebehoren, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen en beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36b, 36d, 45, 47, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het
nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- zich zal laten behandelen door forensische polikliniek de Waag of een
soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de
behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden;
- ( beroeps)onderwijs zal volgen, tot hij een starterskwalificatie heeft voor de arbeidsmarkt of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
- de jeugdreclassering inzage zal geven in zijn sociale netwerk;
- de jeugdreclassering inzage zal geven in zijn financiën;
- op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zal zijn op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is: [adres] [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
- voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet zal verlaten zonder toestemming van de reclassering;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met de medeverdachte, te weten [medeverdachte] , geboren op [2006] . De politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;
- geeft aan de gecertificeerde instelling, te weten Samen Veilig Midden-Nederland in Utrecht, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
- 2 stuks vuurwerk (Cobra’s) (goednummer: PL0900-2025295705-G3653241);
- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:
- smartwatch (goednummer: MD4R025099_872450);
- telefoon (goednummer: MD4R025099_872449).
Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen van het leven te beroven,
- meermaals met een (automatisch) vuurwapen heeft/hebben geschoten op de portiek en/of ramen en/of ingang van een appartementencomplex en/of
- een vluchtauto heeft/hebben bestuurd
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander/anderen, te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door meermaals met een (automatisch) vuurwapen te schieten op de portiek en/of ramen en/of ingang van een appartementencomplex.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 31 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zondag 31 augustus 2025 om 15.51 uur, kreeg ik, verbalisant, het verzoek om te gaan naar de [adres] , aldaar zouden er 10 tot 15 schoten afkomstig van een machinegeweer gehoord worden.
Ik kwam ter plaatse. . Ik zag dat er op het wegdek en de naastgelegen stoep meerdere voorwerpen gelijkend op kogelhulzen lagen. Ik vermoed dat dit ongeveer 10 tot 30 kogelhulzen waren. Ik zag dat er in het raam, kozijn en stenen rand om het portiek [huisnummers] meerdere gaten gelijkend op kogelinslagen zaten.
Op genoemde dag had ik aan een bewoner van de [straat] , gevraagd of hij getuige was geweest van het incident wat plaatsvond op de [straat] . Ik hoorde dat hij zei dat hij in zijn woning aanwezig was en dat zijn vrouw voordat het incident plaatsvond een persoon volledig in het zwart gekleed ongeveer twee tot drie keer in zeer korte tijd voorbij het portiek [huisnummers] heeft zien lopen. Ik hoorde dat hij zei dat hij later meerdere schoten van automatisch vuur in zeer korte tijd achter elkaar hoorde en dat hij naar buiten is gegaan.
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [straat] ) met fotobijlage, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 31 augustus 2025 kwamen wij, naar aanleiding van een schietincident, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] . Het schietincident heeft zich
gericht op het portiek van de percelen [huisnummers] .
Binnenzijde portiek:
Wij zagen een lift en een deel van het trappenhuis, welke zich aan de linkerzijde van de lift bevond. Wij zagen in het portiek meerdere delen van projectielen verdeeld over de grond
liggen. Wij zagen dat de projectieldelen, glas en delen van het houtenkozijn tot de deur aan achterzijde van het gebouw verspreid lagen. Ook lagen er delen van projectielen op de trap naar de ruimte waar de kelderboxen zich bevinden.
Schotbeschadigingen:
Wij zagen één schotbeschadiging in het klepje van de brievenbus. Wij zagen dat er meerdere schotbeschadigingen in de ruiten boven de brievenbussen zaten. Boven de centrale deur zagen wij een schotbeschadiging in het glas. Wij zagen dat er in de houtenkozijnen en in de
betonnen bovenrand ook meerdere schotbeschadigingen zaten. In de ruit van de liftschacht, op een hoogte van ongeveer 5 meter, zagen wij ook een schotbeschadiging. Wij zagen dat meerdere van de genoemde schotbeschadigingen doorschoten betroffen. Wij zagen dat de schotbeschadigingen zich bevonden op hoogtes tussen de 1,44 meter (brievenbus) en 5 meter (ruit liftschacht).
- een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Utrecht op 31 augustus 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De afvuursporen in de hulzen worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een machinepistool van het kaliber 9mm Parabellum, type MP-40. De afvuursporen in de kogel en kegelmantels passen eveneens bij dit vuurwapen.
- het proces-verbaal van verhoor verdachte door de rechter-commissaris op 8 april 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wanneer is het geweest dat een jongen heeft gevraagd om te gaan schieten op een portiek?
Dat was ook op 31 augustus 2025. Het was een paar uur ervoor.
Waarom heb je het eigenlijk gedaan?
Ik dacht snel geld.
Hoeveel geld zou jij ermee verdienen?
3000 euro.
Hoe wist je dan hoe je met het wapen moest schieten?
Een beetje improviseren.
Had je er van tevoren mee geoefend?
Nee.
Wil je vertellen wat precies de opdracht was?
Ik moest iemand afschrikken die daar woonde. Ik heb ervoor gekozen om in de bovenramen
van de portiek te schieten, zodat ik wist dat ik niemand zou raken, althans de meeste kans
had dat ik niemand raakte.
In je telefoon werd een screenshot aangetroffen van een sportpark Rijnvliet in Utrecht. Ook
[medeverdachte] had dezelfde locatie opgeslagen in zijn telefoon. Vertel eens?
Daar ging ik gezichtsbedekking halen, want ik had niks om mijn gezicht te bedekken.
Toen jij naar de portiek bent gelopen, wat heb jij toen als eerste gedaan?
Ik heb eerst heel veel rondjes gelopen om te kijken of het druk was of niet en om te kijken of
er iemand in- en uitliep. Ik was een beetje aan het verkennen. Ik wilde dat het zo rustig mogelijk was en dat de kans zo klein mogelijk was dat er iemand naar buiten kwam, uit de
portiek zou lopen, of naar binnenliep.
Jouw antwoorden zijn onder meer dat je benaderd bent via Snapchat, op dezelfde dag dat jij hebt geschoten. De reden waarom je dat hebt gedaan heb jij uitgelegd. Hoeveel tijd zat ertussen dat jij benaderd bent en dat jij de opdracht bent gaan uitvoeren in Utrecht?
Ik denk tussen de twee tot drie uurtjes.
Jij zegt dat als er langere tijd tussen had gezeten, dan had je het denk je niet gedaan. Ook nu heb je toch heel veel momenten gehad waarop je had kunnen denken om het niet te doen. Je hebt [medeverdachte] via Snapchat benaderd en gevraagd om te rijden, je bent vervolgens door hem opgehaald. Je bent naar een plek in de buurt van het Oosterpark gegaan. Je hebt daar een wapen opgehaald en bent naar Utrecht gegaan. Ook heb je nog een vriend gevraagd voor gezichtsbedekking.
Ik had de opdracht al aangenomen. Als je eenmaal ja zegt, dan kan ik nog wel zeggen tegen
de opdrachtgever dat ik ermee kap, maar dan kom ik ook in de problemen.
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik kreeg op 31 augustus 2025 de opdracht, vroeg in de middag. Ik kreeg een portieknummer en dacht ‘snel geld’. Ik heb contact opgenomen met de bestuurder. Daarna heb ik gezichtsbedekking geregeld. Na het halen van de gezichtsbedekking zijn we doorgereden naar het adres dat ik had gekregen.
Ik heb niet eerder geschoten met een machinegeweer. Ik heb gedaan wat het meest logisch leek. Ik heb wel gedacht dat ik het niet moest doen, maar toen was ik al op de [straat] . Als ik toen zou hebben gezegd dat ik het niet meer zou doen, zou ik in de problemen komen, want dan komt de opdrachtgever achter mij aan.
Van de opdrachtgever moest ik in de middag op het portiek schieten, tussen 15:00 uur en 18:00 uur, omdat het dan nog licht was.
Ik heb naar het portiek gekeken. Aan het begin zag ik mensen in en uit het portiek gaan. De kans dat ik niemand zou raken is nooit nul. Maar de kans was heel weinig. Ik probeerde de kans zo klein mogelijk te houden, maar de kans kan nooit nul zijn. Ik kon niet honderd procent zeker zijn dat ik niemand zou raken, maar ik probeerde zo zeker mogelijk te zijn. U vraagt mij of ik op enig moment heb gedacht: dit moet ik niet doen. Dat heb ik wel gedacht, maar toen was ik er al. Als je dan zegt dat je het niet meer doet, kom je in de problemen. Dan gaat de opdrachtgever achter je aan.