RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/271222-25 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 september 2026 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[de veroordeelde]
geboren op [2005] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de veroordeelde.
1. Zitting
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. S.K. Lanning-Stein en van dat wat de veroordeelde en mr. M. Ketting, advocaat, naar voren hebben gebracht.
2. Vordering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt geschat, dient vast te stellen op € 1.000,00 en de veroordeelde de verplichting dient op te leggen tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. Volgens de officier van justitie heeft de veroordeelde dit voordeel verkregen door het uitvoeren van een opdracht, te weten het schieten op het portiek van de flat [adres] in [plaats] op 31 augustus 2025. Hiervoor heeft hij van de opdrachtgever € 1.000,00 ontvangen. Uit de verklaring van de veroordeelde en de afgeluisterde tapgesprekken tussen de medeverdachte in de PI en de veroordeelde, blijkt dat de veroordeelde dat geld daadwerkelijk heeft ontvangen.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank kan slechts vaststellen dat er een toezegging van € 1.000,00 aan de veroordeelde is gedaan. Voorts is er een foto van geldbiljetten aangetroffen in de telefoon van de veroordeelde, maar de exacte waarde hiervan is onduidelijk. De rechtbank beschikt niet over voldoende informatie om de hoogte van het gevorderde bedrag te kunnen beoordelen. De verdediging betwist de vordering. Een nadere bewijslevering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet op het voorgaande moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de ontnemingsvordering.
3. Beoordeling van de vordering
Inleiding
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen.
De veroordeelde is bij vonnis van heden van deze rechtbank veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
medeplegen van poging tot moord
op 31 augustus 2025.
De rechtbank heeft in het vonnis in de strafzaak bewezen verklaard dat de veroordeelde – kort gezegd – op 31 augustus 2025 samen met een ander heeft geprobeerd onbekend gebleven personen opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven te beroven, door met een automatisch vuurwapen 28 kogels op het portiek van de flat aan de [adres] te schieten.
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, die aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend, voldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde uit de baten van het strafbare feit waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e Sr.
Bewijsmiddelen
het proces-verbaal van verhoor verdachte [de veroordeelde] door de rechter-commissaris op 8 april 2026;
het proces-verbaal van bevindingen met documentcode JM230 van 21 november 2025 (onderzoek iPhone), opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaal nummer PL0900-2025295705, pagina’s 242 en 251.
De veroordeelde voerde op 31 augustus 2025 een opdracht uit, waarvoor hem € 3.000,00 was beloofd door de opdrachtgever. De opdracht was het leegschieten van het magazijn van een automatisch vuurwapen op een portiek. De veroordeelde heeft deze opdracht deels uitgevoerd, want hij heeft niet het hele magazijn van het vuurwapen leeggeschoten. Daarom kreeg de veroordeelde, zoals hij zelf heeft verklaard ten overstaan van de rechter-commissaris, een bedrag van € 1.000,00 van de opdrachtgever. De veroordeelde heeft bovendien verklaard dat de foto die is aangetroffen in zijn telefoon, waarop briefgeld is neergelegd in de vorm van zijn naam, het geld is dat hij heeft ontvangen voor de opdracht. Het geld dat de verdachte voor het (deels) uitvoeren van de opdracht heeft gekregen is wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 1.000,00.
Toerekening van het voordeel
De veroordeelde is bij vonnis veroordeeld tot het medeplegen van een poging tot moord. De rechtbank stelt vast dat er sprake was van medeplegen tussen de verdachte en de onbekend gebleven opdrachtgever. De veroordeelde heeft het bedrag van € 1.000,00 ontvangen van die opdrachtgever, voor het (deels) uitvoeren van de opdracht. De rechtbank ziet dan ook geen reden om dat bedrag niet volledig aan de veroordeelde toe te rekenen of te verdelen over de twee personen. Dat betekent dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel voor het volle bedrag aan de veroordeelde dient te worden toegerekend.
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door de veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 1.000,00.
4. Toegepast wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. Beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.000,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 1.000,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 10 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 september 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.