ECLI:NL:RBMNE:2026:6423

ECLI:NL:RBMNE:2026:6423

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 16/230156-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Veroordeling voor medeplichtigheid aan poging tot moord door op een zondagmiddag met een automatisch vuurwapen 28 kogels op een portiek van een bewoonde flat met 29 woningen te schieten. De verdachte is door de medeverdachte gevraagd als chauffeur en hij wist dat er geschoten zou gaan worden op een portiek. Toepassing jeugdstrafrecht. De rechtbank legt aan de verdachte op een jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 221 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met een contactverbod als bijzondere voorwaarde. Ook legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op van 120 uren. De rechtbank neemt beslissingen op het beslag.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/230156-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 september 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 september 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

primair

op 31 augustus 2025 in Utrecht samen met anderen heeft geprobeerd onbekend gebleven personen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, door meermalen met een (automatisch) vuurwapen op een portiek te schieten en/of een vluchtauto te besturen;

subsidiair

op 31 augustus 2025 in Utrecht medeplichtig is geweest aan voornoemde poging tot moord/doodslag;

meer subsidiair

op 31 augustus 2025 in Utrecht samen met anderen onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen met een (automatisch) vuurwapen op een portiek te schieten;

meest subsidiair

op 31 augustus 2025 in Utrecht medeplichtig is geweest aan voornoemde bedreiging.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag (feit 1, impliciet subsidiair). De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de tenlastegelegde medeplegen van poging tot moord (feit 1, impliciet primair).

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het medeplegen van en de medeplichtigheid aan poging tot moord en poging tot doodslag (het primaire en subsidiaire feit) en van het medeplegen van bedreiging (het meer subsidiaire feit). De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van het meest subsidiaire feit (medeplichtigheid aan bedreiging).

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Deze strafzaak gaat over de schietpartij die op zondagmiddag 31 augustus 2025 om 15:50 uur bij het portiek van de flat aan de [adres] in [plaats] heeft plaatsgevonden. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 31 augustus 2025 is aan de medeverdachte [medeverdachte] via Snapchat gevraagd of hij wilde schieten op een portiek. De opdracht was om een van de bewoners af te schrikken door het magazijn van een wapen leeg te schieten. De medeverdachte accepteerde de opdracht ongeveer drie uur voorafgaand aan het schieten. De opdracht moest van de opdrachtgever worden uitgevoerd tussen 15:00 uur en 18:00 uur, omdat het dan nog licht was. De medeverdachte heeft de verdachte gevraagd als chauffeur. Nadat de verdachte de medeverdachte bij zijn vader in [plaats] heeft opgehaald, hebben zij eerst in de buurt van het Oosterpark het automatische vuurwapen opgehaald. Zij zijn daarna naar Utrecht gereden, waar zij gezichtsbedekking hebben gehaald. Vervolgens zijn zij doorgereden naar de [straat] . Nadat de verdachte de auto had geparkeerd aan de [straat] , is de medeverdachte uitgestapt en naar de [straat] gelopen. De medeverdachte heeft meerdere rondjes gelopen, om het portiek te verkennen. Daarna heeft de medeverdachte met het automatisch vuurwapen 28 kogels op het portiek van de flat aan de [adres] geschoten. De rechtbank stelt vast dat dit het portiek betrof van 29 woningen, gelet op de huisnummering van [huisnummers] (de woningen in de flat betreffen even nummers). In het klepje van een brievenbus zat een schotbeschadiging en er zaten meerdere schotbeschadigingen in de ruiten boven de brievenbussen, boven de centrale deur, in de houtenkozijnen en in de betonnen bovenrand. Meerdere van de genoemde schotbeschadigingen betroffen doorschoten. De schotbeschadigingen bevonden zich op hoogtes tussen de 1.44 meter (brievenbus) en 5 meter (ruit liftschacht).

De medeverdachte heeft op 8 april 2025 als getuige een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. De medeverdachte heeft daar, nadat hij is gewezen op zijn verschoningsrecht, de eed heeft afgelegd en in aanwezigheid van zijn advocaat, een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd, die in lijn is het met de bevindingen uit het dossier. De rechtbank beoordeelt die verklaring als betrouwbaar, heeft geen reden om aan de inhoud van die verklaring te twijfelen en gebruikt deze verklaring dan ook voor het bewijs.

Vrijspraak primaire feit – geen medeplegen van poging moord/doodslag

De rechtbank oordeelt – anders dan de officier van justitie – dat uit het dossier en de bewijsmiddelen onvoldoende is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking aan de zijde van de verdachte met de medeverdachte [medeverdachte] en de opdrachtgever. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding van het plan, anders dan dat de verdachte is benaderd om te rijden. De verdachte heeft de medeverdachte opgehaald, zij zijn vervolgens het wapen en gezichtsbedekking gaan ophalen – waarbij, aldus de medeverdachte, de verdachte in de auto heeft gewacht – en zijn hierna naar de [straat] gereden. Daar heeft de verdachte de auto geparkeerd, gewacht tot de medeverdachte terug was en daarna heeft hij de medeverdachte weer in [plaats] bij zijn vader afgezet. Hoewel de rol van de verdachte groter is dan alleen het beschikbaar zijn als chauffeur voor de heenweg of vluchtmogelijkheid – de verdachte heeft immers meerdere tussenstops gemaakt met de medeverdachte en gewacht tijdens het schieten – kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat de verdachte een dusdanige materiële en/of intellectuele bijdrage heeft gehad dat gesproken kan worden van medeplegen. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het primaire feit, het medeplegen van een poging moord/doodslag.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het subsidiaire feit (medeplichtigheid aan poging tot moord, impliciet primair) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverweging

3.3.4.1. Poging tot moord

De advocaat stelt zich op het standpunt geen sprake is van poging tot moord dan wel doodslag, maar van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Er is geen opzet, dan wel voorwaardelijk opzet, aan te tonen aan de zijde van de medeverdachte. Er was geen gerichte aanval op een persoon en er was geen aanmerkelijke kans dat iemand om het leven zou komen. Het was namelijk rustig die dag. De medeverdachte heeft de kans zeker niet aanvaard, maar juist verworpen, aldus de advocaat. De medeverdachte heeft heen en weer gelopen, gewacht tot het rustig was en voornamelijk in de bovenzijde van het portiek geschoten. Met een automatisch geweer worden de kogels snel afgeschoten en daarom kan het in een zeer kort tijdsbestek zijn gebeurd. Daarmee neemt de kans af dat iemand geraakt zou worden.

Bij de beoordeling of in deze zaak sprake is van opzet, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Geen vol opzet

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de medeverdachte de intentie (het volle opzet) heeft gehad om anderen van het leven te beroven. Uit het dossier en dat wat is besproken op de zitting valt immers niet op te maken dat de medeverdachte op het portiek heeft geschoten met het doel anderen om het leven te brengen.

Voorwaardelijk opzet

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg kan intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Bij de beoordeling of in deze zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Aanmerkelijke kans

De rechtbank overweegt dat de medeverdachte op een zondagmiddag omstreeks 15:50 uur met een automatisch vuurwapen 28 kogels op een portiek van een flat dat toegang gaf tot 29 appartementen. Onder die omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijk te achten kans dat iemand door de kogels dodelijk zou worden getroffen. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende.

Allereerst beoordeelt de rechtbank de kans dat er tijdens het schieten een persoon was verschenen in het portiek als een reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Het was immers 15:50 uur op een zondagmiddag en, zoals op de foto’s uit het forensisch onderzoek te zien is, kwam in het portiek de lift, een trap van beneden, een trap van boven en een trappenhuis uit. Dat betekent dat er op vier manieren mensen het portiek in konden komen op het moment dat de medeverdachte de kogels afvuurde op het portiek. Daarbij zijn de kogels niet alleen hoog in de bovenramen ingeslagen, maar ook ter hoogte van de brievenbussen (rond de 1,44 meter hoogte vanaf de grond) en iets daarboven. Die kogelinslagen bevonden zich dus binnen het bereik van een menselijk lichaam.

Bij deze stand van zaken was het naar het oordeel van de rechtbank geenszins onwaarschijnlijk, en dus reëel, dat een persoon dodelijk getroffen zou worden door de door medeverdachte afgevuurde kogels.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat er uiteindelijk niemand aanwezig was in het portiek van de 29 woningen tellende flat om 15:50 uur op niet in de weg staat aan het aannemen van een aanmerkelijke kans op een dodelijk slachtoffer. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1648) en de daarbij behorende conclusie van de advocaat-generaal. Hieruit volgt dat de vraag moet worden gesteld of een objectieve derde (de zogeheten criteriumfiguur) wetende wat de verdachte weet en ziende wat de verdachte ziet, de kans op het intreden van het voorziene gevolg in zou schatten als reële mogelijkheid. Een objectieve derde die enkel wist wat de medeverdachte op dat moment wist, zou menen dat een aanmerkelijke kans bestond dat iemand het portiek zou binnenkomen en dat het afvuren van 28 kogels met een automatisch vuurwapen op dat portiek de dood van iemand zou kunnen betekenen.

Bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans

De vervolgvraag is dan of de medeverdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. In dat kader stelt de rechtbank vast dat de medeverdachte op de hoogte was van alle factoren die – tezamen – leiden tot de conclusie dat sprake was van een aanmerkelijke kans. De medeverdachte wist dat hij op klaarlichte dag op een portiek moest vuren, had gezien dat daar mensen in en uit liepen, en hij was bekend met de hoeveelheid huisnummers die op dat portiek uitkwamen – hij moest immers schieten op portiek [huisnummers] . Bovendien was de medeverdachte meermalen langs het portiek gelopen en wist hij dus hoeveel manieren er waren om dat portiek te betreden. Ook wist hij dat hij met een automatisch wapen moest vuren. Door onder die omstandigheden toch het portiek onder vuur te nemen en daarbij 28 kogels af te schieten, moet de medeverdachte, ook naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, de aanmerkelijke kans op het overlijden van iemand in dat portiek op de koop toe hebben genomen. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.

Van contra-indicaties die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de medeverdachte die aanmerkelijke kans niet bewust zou hebben aanvaard, is niets gebleken.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de medeverdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van anderen. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat in zoverre.

Voorbedachte raad

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de medeverdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Voor wat betreft de verhouding tussen opzet en voorbedachte raad overweegt de rechtbank dat deze niet slechts wordt bepaald door een onderscheid naar intensiteit, maar vooral door een kwalitatief verschil. Voorbedachte raad is een bijzondere kwalificatie waardoor het misdrijf een veel ernstiger karakter aanneemt dan doodslag. Voorbedachte raad kan samengaan met alle vormen van opzet, inclusief het zogenaamde voorwaardelijk opzet. Immers wanneer iemand met tijd voor overleg een plan opmaakt om een ander doel te bereiken, en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging de dood van een ander zal veroorzaken, dan zijn alle kenmerken van voorbedachte raad aanwezig.

De rechtbank stelt op grond van bewijsmiddelen vast dat de medeverdachte enkele uren voorafgaand aan het schieten op het portiek is benaderd om deze opdracht uit te voeren. De medeverdachte heeft na het accepteren van de opdracht de verdachte benaderd om als chauffeur op te treden. Vervolgens heeft de verdachte de medeverdachte bij zijn vader in [plaats] opgehaald, waarna zij het wapen hebben opgehaald bij het Oosterpark in Amsterdam. De verdachte en de medeverdachte zijn doorgereden naar Utrecht, waar zij gezichtsbedekking hebben opgehaald: de medeverdachte had dat nog niet en had iets nodig om zijn gezicht te bedekken. Vanaf daar zijn zij richting de [straat] gereden. Daar hebben zij in de omgeving rondjes gereden en de auto geparkeerd. De medeverdachte is uitgestapt en heeft meerdere rondjes gelopen om de flat. Daarna heeft hij met het automatisch vuurwapen geschoten.

De rechtbank leidt hieruit af dat sprake is geweest van een vooropgezet plan van de medeverdachte (en de onbekend gebleven opdrachtgever) om op het portiek te schieten. De medeverdachte heeft op verschillende momenten de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en heeft zich daarvan rekenschap kunnen geven. De medeverdachte wist vanaf het aannemen van de opdracht dat hij geacht werd op klaarlichte dag met een automatisch vuurwapen op een portiek te schieten waar een wezenlijk aantal woningen op uitkwamen. Over die elementen van het aangenomen voorwaardelijk opzet heeft hij geruime tijd na kunnen denken. Dat kon namelijk onder meer bij het zoeken van een chauffeur, in de tijd dat hij in de auto heeft gezeten met de verdachte, na het ophalen van het wapen, na het ophalen van de gezichtsbedekking en bij het lopen van rondjes om de flat. Weliswaar zijn de laatste elementen van het voorwaardelijk opzet pas bekend geworden toen de medeverdachte eenmaal ter plaatse was, zoals de indeling van het portiek en het aantal toegangen daartoe, maar vast staat ook dat de medeverdachte toen meerdere verkenningsrondjes heeft gelopen. De medeverdachte had dus ook toen nog de gelegenheid om deze factoren in zijn afweging te betrekken en daarover na te denken. De slotsom luidt dus dat medeverdachte de kennis en de gelegenheid heeft gehad om over de mogelijke gevolgen van zijn daad na te denken, om die daad vervolgens toch te plegen. Daarmee is sprake van voorbedachte raad, en dus sprake van een poging tot moord.

3.3.4.2. Medeplichtigheid

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte medeplichtig is geweest aan deze poging tot moord. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid geldt dat de medeplichtige zowel (voorwaardelijk) opzet op het medeplichtig zijn als (voorwaardelijk) opzet op het door de dader gepleegde misdrijf – het gronddelict – moet hebben gehad. De medeplichtige kan echter ook aansprakelijk worden gehouden voor een zwaarder misdrijf dan waarop zijn opzet was gericht, mits er tussen het door hem beoogde misdrijf en het door de dader gepleegde misdrijf voldoende verband bestaat.

Opzet op het medeplichtig zijn

De rechtbank oordeelt dat de verdachte behulpzaam is geweest aan en gelegenheid heeft verschaft voor de poging tot moord door de medeverdachte, door als chauffeur op te treden voor de medeverdachte: de verdachte heeft de medeverdachte opgehaald, heeft de medeverdachte gereden naar de plek waar hij het wapen op kon halen en naar de plek waar hij gezichtsbedekking op kon halen. Daarna is de verdachte met de medeverdachte naar de omgeving van de [straat] gereden, heeft hij de auto geparkeerd, waarna de medeverdachte is uitgestapt. De verdachte heeft gewacht tot de medeverdachte terugkwam en heeft de medeverdachte vervolgens weer thuisgebracht in Amsterdam. Gelet op het voorgaande heeft de verdachte de opzet gehad om zijn medeverdachte te helpen bij en gelegenheid te verschaffen tot het plegen van het gronddelict.

Opzet op het gronddelict

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gronddelict. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte op 8 april 2026 als getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij de verdachte heeft benaderd met de vraag voor hem op te treden als chauffeur. De medeverdachte heeft aan de verdachte verteld wat het plan was, namelijk dat hij (de medeverdachte) zou gaan schieten op een portiek en dat de verdachte daarbij als zijn chauffeur moest optreden. Dat wist de verdachte dus van tevoren. De verdachte zou daar € 1.000,00 voor krijgen. Ook heeft de medeverdachte tegen de verdachte verteld dat hij het wapen nog moest ophalen en heeft de medeverdachte hem ook naar de plek van het ophalen gereden. Vervolgens hebben de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk gezichtsbedekking opgehaald en zijn zij naar de plaats gereden waar het portiek is beschoten.

Aan de overtuiging van de rechtbank dat de verdachte wist wat er stond te gebeuren, draagt bij dat de verdachte, zoals blijkt uit onderzoek aan zijn telefoon, op 31 augustus 2025 om 13:01 uur, enkele uren voorafgaand aan de schietpartij, een Snapchat bericht heeft gestuurd met de tekst ‘bokke op osso’. De verbalisant heeft beschreven dat de term ‘bokken’ mogelijk kan betekenen: iemands gedrag remmen/afsnauwen/iemand op arrogante wijze de les lezen. Osso betekent, zo is de rechtbank ambtshalve bekend, een huis of iemands huis. Deze tekst, verzonden kort voorafgaand aan de schietpartij, duidt er dus op dat de verdachte onderweg was om iemand thuis de les te lezen.

Uit deze feiten en omstandigheden trekt de rechtbank de conclusie dat de verdachte tenminste de opzet heeft gehad om iemand te bedreigen doordat de medeverdachte diens woning onder vuur zou nemen. Op basis van het dossier kan niet geoordeeld kan worden dat de verdachte zelf ook (voorwaardelijk) opzet had op de door de medeverdachte gepleegde poging moord, omdat niet geoordeeld kan worden dat de verdachte op de hoogte was van alle risicoverhogende omstandigheden ter plaatse die tezamen maken dat een aanmerkelijke kans bestond op de dood van een persoon in het beschoten portiek, zoals de indeling van dat portiek en de wijze van vuren van de verdachte.

Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat tussen de gedraging waarop de verdachte wél opzet had – het bedreigen door middel van het schieten op een woning – en het uiteindelijke gronddelict – de poging moord – wel voldoende verband bestaat om de verdachte óók verantwoordelijk te houden voor dit, niet door hem beoogde, gronddelict. Het schieten op een woning betreft ernstig gevaarzettend handelen, waarbij in dit specifieke geval zwaar weegt dat dit schieten op een zondagmiddag zou gebeuren, wat de verdachte ook wist. De rechtbank acht voldoende voorzienbaar dat bij een beschieting van een flat op zo’n moment van de dag een beoogde bedreiging resulteert in een poging tot moord, dat de verdachte daarvoor mede verantwoordelijk kan worden gehouden.

3.3.4.3. Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan poging tot moord.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

subsidiair

[medeverdachte] op 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander/anderen, te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen van het leven te beroven, meermaals met een automatisch vuurwapen heeft geschoten op de portiek en ramen en ingang van een appartementencomplex, tot het plegen van welk misdrijf verdachte, op 31 augustus 2025 te Utrecht opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door

- [medeverdachte] thuis op te halen en

- [medeverdachte] met de auto naar de locatie van het misdrijf te vervoeren en

- in de auto op [medeverdachte] te wachten tijdens het misdrijf teneinde hem gelegenheid te verschaffen om te vluchten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

medeplichtigheid aan poging tot moord.

Strafbaarheid feit en de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op het advies van de reclassering. De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarden kort gezegd een contactverbod met de medeverdachte en een locatieverbod voor de stad Utrecht.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op de omstandigheid dat de verdachte een jonge jongen is en dat zijn normbesef nog onderontwikkeld is. De verdachte heeft zich tijdens de schorsing voorbeeldig gedragen. Een passende straf zou een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest zijn, met een voorwaardelijk deel en met het contactverbod met de medeverdachte als bijzondere voorwaarde. Het locatieverbod voor de stad Utrecht is niet noodzakelijk en een te zware maatregel, omdat er geen specifiek slachtoffer is, de verdachte per toeval voor deze opdracht in Utrecht is beland en hij relatief in de buurt van Utrecht woont. Mocht de rechtbank een aanvullende straf nodig vinden, verzoekt de advocaat een taakstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte is medeplichtig aan een poging tot moord waarbij op een zondagmiddag met een automatisch vuurwapen op een portiek van een bewoonde flat met 29 woningen is geschoten. De verdachte is door de medeverdachte gevraagd als chauffeur en hij wist dat er geschoten zou gaan worden op een portiek. De kogels van het automatische vuurwapen zijn dwars door de glazen van het portiek gegaan. Er zijn ook kogels ingeslagen op ‘lichaamshoogte’, waaruit blijkt dat de medeverdachte, die hoog wilde schieten, het automatisch vuurwapen niet onder controle had. Dat de gevolgen beperkt zijn gebleven en dat er niemand is komen te overlijden door het handelen van de medeverdachte, is geenszins aan de verdachte en de medeverdachte te danken. Het laat zich zeer gemakkelijk indenken wat een vrees een dergelijke publieke daad bij de bewoners en omwonenden van die flat moet hebben veroorzaakt. Het schieten met een automatisch vuurwapen op een portiek van een flat midden in de stad, op klaarlichte dag, roept echter niet alleen in de directe omgeving, maar in de gehele samenleving gevoelens van angst, onveiligheid en afschuw op. De verdachte is aan dit alles voorbij gegaan en had slechts oog voor zijn eigen financieel gewin: het geld dat hij met voor zijn behulpzaamheid zou verdienen. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij hier met zijn handelen aan heeft bijgedragen.

Daarbij merkt de rechtbank wel op dat niet is vastgesteld dat de verdachte de opzet heeft gehad om medeplichtig te zijn aan de door zijn medeverdachte gepleegde poging tot moord. Hoewel hij wel verantwoordelijk gehouden kan worden voor die poging tot moord, zag zijn opzet enkel op een bedreiging door middel van het schieten op een woning. Bij het bepalen van de straf en het strafmaximum zal de rechtbank daar rekening mee houden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij de strafoplegging kijkt de rechtbank naar het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en dat hij alleen twee strafbeschikkingen voor overtredingen heeft ontvangen. Zijn strafblad is dan ook geen reden voor een zwaardere straf.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 augustus 2026, opgemaakt door reclasseringswerker [A] . Daaruit volgt dat de reclassering door de proceshouding van de verdachte geen verbanden heeft kunnen leggen tussen de verschillende leefgebieden en onderhavige verdenking en dat het inzicht in mogelijke delictgerelateerde factoren ontbreekt. Wel is gebleken dat de verdachte ten tijde van de verdenking instabiliteit kende op het gebied van dagbesteding. Er is geen sprake van middelengebruik of psychosociale problemen. In het schorsingstoezicht heeft de verdachte zich aan de voorwaarden gehouden.

De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. De steun van zijn ouders is belangrijk voor de verdachte en er was ten tijde van het feit sprake van problematiek die aan zijn jeugdigheid kan worden gelinkt. De reclasseringswerker verwijst naar het reclasseringsadvies van 25 november 2025. Daarin heeft de reclassering beschreven dat er duidelijke indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht, met name vanwege de aanwezige pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden binnen het gezinssysteem. De verdachte bevindt zich nog in een fase waarin opvoedkundige sturing en begeleiding een belangrijke rol spelen in zijn dagelijks functioneren.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert wel het contact- en locatieverbod, dat als schorsingsvoorwaarde was opgelegd, te behouden

Jeugdstrafrecht

Ten tijde van het plegen van het feit was de verdachte 18 jaar oud. In beginsel is dan het strafrecht voor volwassenen aan de orde. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.

De rechtbank ziet in de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ook ziet de rechtbank een contra-indicatie in de proceshouding van de verdachte. Hoewel hij het recht heeft om zich te beroepen op zijn zwijgrecht, heeft de verdachte ervoor gekozen om tot aan de zitting op geen enkel punt inzicht of openheid van zaken te geven. Op de zitting heeft de verdachte op een deel van de vragen antwoord geven, maar zich ook deels op zijn zwijgrecht beroepen. Door deze houding heeft de rechtbank geen volledig beeld gekregen van wat zich nu precies heeft afgespeeld en welke afwegingen de verdachte daarbij heeft gemaakt.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het wegingskader adolescentenstrafrecht en heeft beoordeeld of pedagogische beïnvloeding van de verdachte mogelijk is. Uit het reclasseringsadviezen blijkt dat er nog pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden zijn binnen het gezin. De steun van zijn ouders is belangrijk voor de verdachte en zijn problematiek kan gelinkt worden aan zijn jeugdigheid. De verdachte lijkt daarbij baat te hebben bij de aanpak vanuit het jeugdstrafrecht. Hoewel de rechtbank daarbij dus wel contra-indicaties ziet, zal de rechtbank gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en het advies van de reclassering, het jeugdstrafrecht toepassen

Oplegging straf

Vanwege de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd mee: op een zondagmiddag, in een woonwijk, met een automatisch vuurwapen, op een flat met veel appartementen. De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte geen volledig inzicht heeft gegeven in zijn handelen, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen of de verdachte beseft hoe ernstig het feit is dat hij heeft vergemakkelijkt. Feiten zoals deze zorgen voor veel onrust in de maatschappij. Gelet hierop heeft de strafoplegging zowel een signaalfunctie voor de verdachte als voor de maatschappij. De rechtbank weegt in strafverminderende zin mee dat de opzet van verdachte niet op het gronddelict gericht is geweest Ook weegt de rechtbank in strafverminderende zin mee dat het bewezen verklaarde feit is gekwalificeerd als medeplichtigheid en de verdachte een kleinere rol heeft gehad dan de medeverdachte. De rechtbank merkt daarbij op dat de rol van de verdachte wel groter was dan ‘slechts’ chauffeur zijn van en naar de plaats van het misdrijf: de verdachte heeft ook gereden naar het park waar de medeverdachte het wapen moest ophalen en zij hebben daarna samen gezichtsbedekking opgehaald. De rechtbank vindt een aanzienlijke jeugddetentie dan ook op zijn plek.

De rechtbank legt aan de verdachte op een jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (139 dagen), waarvan 221 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Dat betekent dat de verdachte, als hij zich houdt aan de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarde van het contactverbod met de medeverdachte, niet terug naar de jeugdgevangenis hoeft. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel niet het locatieverbod voor de stad Utrecht verbinden, omdat de verdachte een losse opdracht heeft uitgevoerd en er geen sprake lijkt van een lopend conflict dat risico’s in de toekomst met zich brengt. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak tot een locatieverbod. De voorwaardelijke jeugddetentie dient als stok achter de deur voor de verdachte voor naleving van de voorwaarden.

Verder acht de rechtbank het, wederom gelet op de ernst van het feit en dat de rechtbank niet kan vaststellen of de verdachte inzicht heeft in de ernst van wat hij heeft gedaan, passend dat aan de verdachte daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf wordt opgelegd, zodat de verdachte ook iets terug doet voor de maatschappij. De rechtbank zal daarom, naast de jeugddetentie, ook een werkstraf opleggen van 120 uren.

De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt en de voorgestelde straf door de verdediging geen recht doet aan de ernst van het feit.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de inbeslaggenomen telefoons moeten worden teruggegeven aan de verdachte.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de inbeslaggenomen telefoons moet worden teruggeven aan de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen telefoons, die aan de verdachte toebehoren, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 45, 48, 49, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart het primaire feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het

nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- als bijzondere voorwaarde geldt dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [2005] . De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;

beslag

- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerpen;

- telefoon (goednummer: MD4R025099_867705);

- telefoon (goednummer: MD4R025099_869405);

- telefoon (goednummer: MD4R025099_869407);

- telefoon (goednummer: MD4R025099_869408);

- telefoon (goednummer: MD4R025099_869406);

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade een ander/anderen, te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen van het leven te beroven,

- meermaals met een (automatisch) vuurwapen heeft/hebben geschoten op de portiek en/of ramen en/of ingang van een appartementencomplex en/of

- een vluchtauto heeft/hebben bestuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade een ander/anderen, te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen van het leven te beroven, meermaals met een (automatisch) vuurwapen heeft/hebben geschoten op de portiek en/of ramen en/of ingang van een appartementencomplex tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- [medeverdachte] thuis op te halen en/of

- [medeverdachte] met de auto naar de locatie van het misdrijf te vervoeren en/of

- in de auto op [medeverdachte] te wachten tijdens het misdrijf teneinde hem gelegenheid te verschaffen om te vluchten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander/anderen, te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door meermaals met een (automatisch) vuurwapen te schieten op de portiek en/of ramen en/of ingang van een appartementencomplex;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander/anderen, te weten (een) onbekend gebleven persoon/personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door meermaals met een (automatisch) vuurwapen te schieten op de portiek en/of ramen en/of ingang van een appartementencomplex tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- [medeverdachte] thuis op te halen en/of

- [medeverdachte] met de auto naar de locatie van het misdrijf te vervoeren en/of

- in de auto op [medeverdachte] te wachten tijdens het misdrijf teneinde hem te helpen vluchten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Bijlage II: Bewijsmiddelen

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 31 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zondag 31 augustus 2025 om 15.51 uur, kreeg ik, verbalisant, het verzoek om te gaan naar de [adres] , aldaar zouden er 10 tot 15 schoten afkomstig van een machinegeweer gehoord worden.

Ik zag dat er op het wegdek en de naastgelegen stoep meerdere voorwerpen gelijkend op kogelhulzen lagen. Ik vermoed dat dit ongeveer 10 tot 30 kogelhulzen waren. Ik zag dat er in het raam, kozijn en stenen rand om het portiek [huisnummers] meerdere gaten gelijkend op kogelinslagen zaten.

Op genoemde dag had ik aan een bewoner van de [straat] , gevraagd of hij getuige was geweest van het incident wat plaatsvond op de [straat] . Ik hoorde dat de bewoner zei dat hij getuige was. Ik hoorde dat hij zei dat hij in zijn woning aanwezig was en dat zijn vrouw voordat het incident plaatsvond een persoon volledig in het zwart gekleed ongeveer twee tot drie keer in zeer korte tijd voorbij het portiek [huisnummers] heeft zien lopen. Ik hoorde dat hij zei dat hij later meerdere schoten van automatisch vuur in zeer korte tijd achter elkaar hoorde en dat hij naar buiten is gegaan.

- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [straat] ) met fotobijlage, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 31 augustus 2025 kwamen wij, naar aanleiding van een schietincident, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] . Het schietincident heeft zich

gericht op het portiek van de percelen [huisnummers] .

Binnenzijde portiek:

Wij zagen een lift en een deel van het trappenhuis, welke zich aan de linkerzijde van de lift bevond. Wij zagen in het portiek meerdere delen van projectielen verdeeld over de grond liggen. Wij zagen dat de projectieldelen, glas en delen van het houtenkozijn tot de deur aan achterzijde van het gebouw verspreid lagen. Ook lagen er delen van projectielen op de trap naar de ruimte waar de kelderboxen zich bevinden.

Schotbeschadigingen:

Wij zagen één schotbeschadiging in het klepje van de brievenbus. Wij zagen dat er meerdere schotbeschadigingen in de ruiten boven de brievenbussen zaten. Boven de centrale deur zagen wij een schotbeschadiging in het glas. Wij zagen dat er in de houtenkozijnen en in de betonnen bovenrand ook meerdere schotbeschadigingen zaten. In de ruit van de liftschacht, op een hoogte van ongeveer 5 meter, zagen wij ook een schotbeschadiging. Wij zagen dat meerdere van de genoemde schotbeschadigingen doorschoten betroffen. Wij zagen dat de schotbeschadigingen zich bevonden op hoogtes tussen de 1,44 meter (brievenbus) en 5 meter (ruit liftschacht).

- een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Utrecht op 31 augustus 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De afvuursporen in de hulzen worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een machinepistool van het kaliber 9mm Parabellum, type MP-40. De afvuursporen in de kogel en kegelmantels passen eveneens bij dit vuurwapen.

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 31 augustus 2025 werd de Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] , staande gehouden waarna de bestuurder werd aangehouden. Tijdens de aanhouding werd een Apple iPhone 16 aangetroffen en inbeslaggenomen. De omstandigheden waarin het toestel in beslag werd genomen maken het aannemelijk dat de telefoon afkomstig is van de verdachte [verdachte] .Gebaseerd op de bevindingen in het toestel is het voor het onderzoeksteam aannemelijk dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In belang van het onderzoek werd de Apple iPhone 16 inhoudelijk onderzocht.

Ik, verbalisant, zag een foto. Ik zag op de afbeelding de volgende tekst “Bokke op osso”. Ambtshalve is mij bekend dat de term “Bokken” mogelijk kan betekenen: iemands gedrag remmen/afsnauwen/iemand op arrogante wijze de les lezen.

Creation time: 31-8-2025 13.01:13 (UTC+02)

Sender: [Snapchat-accountnaam verdachte]

- het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] door de rechter-commissaris op 8 april 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ben jij die dag, 31 augustus 2025, opgehaald op de [adres] in [plaats] , waar

jouw vader woont?

Ja.

Door wie ben jij opgehaald?

Door [verdachte] .

Hoe is het zo gekomen dat [verdachte] jou heeft opgehaald?

Ik had hem benaderd of hij mij wou rijden.

Wat heb je hem verteld waarvoor hij jou noest rijden?

Ik zou gaan schieten op een portiek.

Dus dat wist [verdachte] van tevoren?

Ja.

Wat zou [verdachte] daarvoor krijgen?

Duizend euro.

Je hebt ook verklaard dat je het wapen hebt gekregen van de opdrachtgever. Het schieten op

de portiek was op 31 augustus 2025. Wanneer heb je het wapen gekregen?

Ook op 31 augustus 2025.

Toen jij dat wapen ging ophalen bij de opdrachtgever, was [verdachte] daarbij?

Ja, maar hij zat in de auto.

Hoe is dan de route geweest? Welke route hebben jullie gereden?

Volgens mij van […] via [plaats] , naar […] , waar ik het wapen heb opgehaald in het buurt van het Oosterpark en toen verder naar Utrecht.

Had je dat tegen [verdachte] gezegd dat je eerst nog het wapen moest ophalen?

Ja.

Er is gezien dat jij na het schieten aan de [straat] in grijze Volkswagen Golf bent gestapt.

Zat [verdachte] dan in de auto als bestuurder?

Ja.

Heb jij [verdachte] gelijk gezegd dat er geschoten moest gaan worden?

Ja, op een portiek.

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb gereden op 31 augustus 2025. Aan het begin van middag heb ik [medeverdachte] (de rechtbank: medeverdachte [medeverdachte]) opgehaald op de [straat] . Daarna zijn we naar Utrecht gereden. We gingen gezichtsbedekking halen. Dat heb ik gezien. Daarna zijn we naar de omgeving van de [straat] gereden en parkeerde ik de auto. [medeverdachte] stapte uit en ik wachtte tot hij terug was. Daarna kwam [medeverdachte] aanrennen en moest ik wegrijden. Het zou kunnen dat ik het machinegeweer heb gehoord voordat hij kwam aanrennen.

Het Snapchat-account [Snapchat-accountnaam verdachte] is van mij.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand