RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 op het verzet van
Stichting Coloriet, te Lelystad, opposante,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3278-V
(gemachtigde: N.J. van Houwelingen),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om herbeoordeling.
In de uitspraak van 16 juni 2026 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 juni 2026 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet is betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 16 juni 2026 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 16 juni 2026 niet juist. Opposante betwist namelijk dat zij de aangetekende brief van 13 mei 2026 heeft ontvangen.
4. De rechtbank stelt vast dat met dagtekening 13 mei 2026 een aangetekende griffierechtnota naar de gemachtigde van opposante is verzonden, met het verzoek om het verschuldigde griffierecht van € 397,- binnen twee weken te voldoen. Verder is vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het griffierecht niet op tijd wordt betaald. Uit de track & tracé van de aangetekende brief blijkt dat de brief op 16 mei 2026 is afgeleverd bij een PostNL-punt. Vervolgens is de brief op 18 mei 2026 afgehaald, waarbij voor ontvangst is getekend. Opposante heeft in verzet geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat moet worden getwijfeld aan de ontvangst van de aangetekend verzonden brief.
5. Verder heeft opposante in verzet ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar maakt. De verstuurde nota is duidelijk: de nota moet tijdig betaald worden, anders loopt opposante het risico dat het beroepschrift niet ontvankelijk wordt verklaard. De rechtbank heeft de zaak daarom vereenvoudigd af mogen doen en heeft mogen oordelen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 16 juni 2026 in stand blijft
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
de griffier is niet in de gelegenheidte ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.