ECLI:NL:RBMNE:2026:6459

ECLI:NL:RBMNE:2026:6459

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer UTR 26/2259
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Verzet gegrond; beroep gegrond; pkv afgewezen;

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 op het verzet van

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2259-V

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, opposante,

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat geopposeerde heeft ingediend omdat opposante niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 26 mei 2025.

In de uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en heeft opposante veroordeelt tot het betalen van de proceskosten van € 467,- aan geopposeerde.

Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzet

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 april 2026 het beroep gegrond verklaard, omdat opposante niet tijdig een besluit heeft genomen op het bezwaar van geopposeerde.

Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2026 niet juist was.

3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2025 niet juist omdat er geen sprake is van het inschakelen van een professionele (juridische) rechtshulpverlener. Volgens opposante heeft opposante zelf het beroepschrift ingediend.

4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet kennelijk (dus buiten redelijke twijfel) gegrond verklaard had mogen worden.

5. Omdat het verzet zich enkel richt tegen de toepassing van artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding om de uitspraak van 22 april 2026 volledig vervallen te verklaren. De rechtbank zal deze dan ook alleen laten vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van de Awb is toegepast. Omdat het alleen gaat om de hoogte van de proceskostenveroordeling,

zal de rechtbank de beoordeling van het beroep daartoe beperken.

Ten aanzien van het beroep

6. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep.

7. Opposante zal hierna verder worden aangeduid als verweerder.

8. Uit het dossier en de Landelijke Advocaten Tabel blijkt dat de gemachtigde van eiseres in dienst is bij eiseres zelf. Geopposeerde heeft voor de beroepsprocedure dus gebruik gemaakt van een van haar eigen advocaten. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb kan een vergoeding van proceskosten alleen betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Een eigen advocaat kwalificeert niet als een derde.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep blijft gegrond.

10. De rechtbank ziet aanleiding om de uitspraak van 22 april 2026 in afwijking van artikel 8:55, negende lid, van de Awb gedeeltelijk vervallen te verklaren. Dit geldt ten aanzien van r.o. 8 en dat deel van het dictum dat gaat over de toekenning van de proceskosten. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak, voor zover de overwegingen daarvan zien op de toekenning van proceskosten in de beroepsprocedure daarvoor in de plaats treedt.

11. Eiseres heeft geen kosten gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank kent dus geen vergoeding van proceskosten toe.

Beslissing

De rechtbank

In het verzet met het kenmerk UTR 26/2259-V:

- verklaart het verzet gegrond.

In het verzet met het kenmerk UTR 26/2259:

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.

de griffier is verhinderd deze uitspraak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, dan kunt u hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. U moet dit doen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Helmich

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand