ECLI:NL:RBMNE:2026:6484

ECLI:NL:RBMNE:2026:6484

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer C/16/615839 / KG ZA 26-494
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Kort geding. Verstrekken gegevens en toelaten tot behandelruimte om te beoordelen of ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld bij mri-onderzoek. Vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/615839 / KG ZA 26-494

Vonnis in kort geding van 16 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. J.W. Janssens,

tegen

UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM UTRECHT,

te Utrecht,

gedaagde partij,

hierna te noemen: UMCU,

advocaat: mr. P.J. Klein Gunnewiek

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de producties 1 tot en met 7 van [eiser] ,- de producties 1 tot en met 3 van UMCU,- de mondelinge behandeling van 2 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van UMCU,

- de intrekking van de vordering tot het verstrekken van gebruikershandleidingen door [eiser] .

2. De kern van het kort geding

[eiser] heeft op 21 oktober 2025 een MRI-onderzoek ondergaan in het UMCU. [eiser] stelt zich op het standpunt dat dit onzorgvuldig is gebeurd en dat door dit onderzoek zijn al licht aanwezige vorm van tinnitus een zeer ernstige vorm heeft aangenomen. [eiser] wil het UMCU daarvoor aansprakelijk stellen en wil daarvoor eerst bewijs verzamelen.

In dit kort geding vordert [eiser] daarom, na wijziging van eis, dat het UMCU wordt geboden om hem:

de werkinstructies van de laboranten te verstrekken,

de namen van de (drie) laboranten die bij zijn MRI-onderzoek betrokken waren te verstrekken,

samen met een medisch adviseur toe te laten tot de ruimte waarin zijn MRI-onderzoek heeft plaatsgevonden.

3. De beoordeling

Benadrukt wordt dat het in dit kort geding niet gaat om de beantwoording van de vraag of het UMCU bij de uitvoering van het MRI-onderzoek onzorgvuldig tegenover [eiser] heeft gehandeld. Het gaat in dit kort geding alleen om de vraag of het UMCU verplicht is om [eiser]

de door hem gevorderde gegevens te verstrekken,

toe te laten tot de behandelruimte waar het MRI-onderzoek heeft plaatsgevonden.

Verstrekken van gegevens

[eiser] baseert de vorderingen zoals genoemd in 2.2. onder 1 en 2 op artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor toewijzing van de vorderingen op grond van dit artikel is vereist dat:

sprake is van spoedeisend belang bij de vorderingen, en

er een verplichting is om de gegevens te verstrekken.

Uitgangspunt is dat voor het verkrijgen van gegevens een verzoekschriftprocedure moet worden gevoerd (artikel 195 Rv). In spoedeisende gevallen kunnen de gegevens echter ook via een kort geding worden verkregen (artikel 197 Rv).

Vereisten voor het verstrekken van gegevens zijn dat:

sprake is van een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker partij is,

het gaat om bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking,

de aangesproken partij over deze gegevens beschikt, en

er een voldoende belang is bij het verstrekken van de gegevens. (zie artikel 194 Rv)

Er bestaat ook als aan deze vereisten is voldaan toch geen verplichting om gegevens te verstrekken als:

degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht toekomt op grond van artikel 165 lid 2 Rv (artikel 194 lid 2 onder a Rv),

sprake is van gewichtige redenen die zich verzetten tegen het geven van inzage in de gegevens (artikel 194 lid 2 onder b Rv), of als

sprake is van misbruik van recht en/of strijd met de goede procesorde (artikel 3:13 lid 2 BW).

Afwijzing vordering tot verstrekken van werkinstructies

De vordering tot het verstrekken van de werkinstructies wordt al afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat UMCU beschikt over de door [eiser] gevorderde schriftelijke werkinstructies. Het UMCU heeft dat gemotiveerd betwist. Het UMCU heeft aangevoerd dat de werkinstructies, waarnaar zij in correspondentie met [eiser] heeft verwezen, mondeling worden gegeven. Nieuwe laboranten krijgen een mondelinge toelichting en training over het MRI-onderzoek en in dat verband het gebruik van oordoppen en een hoofdtelefoon. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat er schriftelijke werkinstructies bestaan. De omstandigheid dat in correspondentie is verwezen naar werkinstructies en dat daarbij niet is aangegeven dat het om mondelinge instructies gaat, is daarvoor onvoldoende. Ook zijn er geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de betwisting van het UMCU te twijfelen. Het wordt er daarom voor gehouden dat er geen schriftelijke werkinstructies bestaan.

Ook als er wel schriftelijke werkinstructies zouden bestaan, zou de vordering om die instructies te verstrekken worden afgewezen, omdat, zoals het UMCU aanvoert, daarbij geen spoedeisend belang is. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht waarin dit spoedeisende belang is gelegen.

Afwijzing vordering tot het verstrekken van de namen van de laboranten

De vordering tot het verstrekken van de namen van de laboranten die bij het

MRI-onderzoek van [eiser] betrokken zijn geweest wordt afgewezen, omdat sprake is van gewichtige redenen die zich op dit moment ertegen verzetten dat deze namen worden gegeven.

[eiser] wil dat UMCU hem de namen verstrekt van de laboranten (volgens hem 2 vrouwen en 1 man) die bij zijn MRI-onderzoek betrokken zijn geweest. [eiser] heeft deze namen nodig om een voorlopig getuigenverhoor tegen hen te starten. [eiser] wil dit voorlopig getuigenverhoor houden om te kunnen onderbouwen dat het MRI-onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. [eiser] zal via een verzoekschriftprocedure toestemming aan de rechter moeten vragen voor dit voorlopige getuigenverhoor. Het is op dit moment onduidelijk of die toestemming wel of niet zal worden gegeven. Wanneer de toestemming niet wordt gegeven en UMCU, via dit kort geding, wordt gedwongen om de namen van haar laboranten te geven, dan heeft dit, zoals UMCU aanvoert, tot gevolg dat de privacy van de laboranten onomkeerbaar wordt geschonden. Dat is een onwenselijke situatie. UMCU heeft als werkgever van de laboranten de verplichting om de privacy van hen te waarborgen. Er bestaat een mogelijkheid om deze onwenselijke situatie te voorkomen. [eiser] kan een verzoekschriftprocedure (voorlopige bewijsverrichtingen) starten waarin hij een gecombineerd verzoek indient tot het verstrekken van de namen van de laboranten en het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Van [eiser] kan worden verlangd dat hij deze mogelijkheid benut. Dat leidt mogelijk tot enige vertraging, maar dat weegt minder zwaar dan het recht op privacy van de laboranten. Overigens wordt de vertraging vooral veroorzaakt doordat [eiser] de verzoekschriftprocedure tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor nog moet starten. Meeweegt ook dat [eiser] het aanbod van UMCU om een gesprek te hebben met de laboranten heeft afgewezen. Van belang is verder dat [eiser] al veel eerder de hiervoor geschetste verzoekschriftprocedure had kunnen starten. Hij had dat parallel aan de klachtenprocedure kunnen doen, maar in ieder geval kort nadat zijn klacht op 29 april 2026 ongegrond was verklaard.

Het voorgaande maakt dat sprake is van gewichtige redenen die zich op dit moment ertegen verzetten dat de namen van de laboranten worden gegeven. De daartoe strekkende vordering wordt daarom afgewezen.

Toelaten tot MRI-ruimte

Dan vordert [eiser] nog dat hij samen met een medisch adviseur wordt toegelaten tot de ruimte waar zijn MRI-onderzoek heeft plaatsgevonden.

UMCU is daartoe in beginsel bereid, maar zegt tegelijkertijd dat dit weinig zinvol is omdat de ruimte is gerenoveerd en de hoofdtelefoon die bij [eiser] is gebruikt niet in de ruimte aanwezig is.

Deze vordering wordt afgewezen. Het is in de eerste plaats onduidelijk wat daarvoor de grondslag is. [eiser] heeft dat onvoldoende toegelicht. Hij heeft slechts gesteld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van het UMCU. Maar ook als wordt aangenomen dat op UMCU de verplichting rust om [eiser] toegang tot de behandelruimte te geven, geldt dat zij dat in dit geval niet hoeft te doen, omdat [eiser] daarbij onvoldoende belang heeft. Er zijn geen aanknopingspunten dat de stelling van UMCU dat de ruimte is gerenoveerd en dat de hoofdtelefoon die bij [eiser] is gebruikt er niet meer hangt onjuist is. Gelet op die omstandigheid valt niet in te zien welk belang [eiser] bij bezichtiging van de behandelruimte heeft.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van UMCU worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.101,00

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

4374

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand