[eiser] , uit [plaats] (Verenigde Arabische Emiraten), eiser
(gemachtigde: mr. P.E. Epping),
en
Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 4 augustus 2025 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk [kenmerk 1] .
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Standpunt verweerder
1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Rotterdam, die het vervolgens heeft
doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiser te beslissen.
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig
is.
3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het
beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van
29 april 2026, ontvangen door verweerder op 30 april 2026, is verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 14 juli 2026, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.
5. Het beroep is gegrond.
6. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1746), verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Daaraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Op 30 maart 2022 is een beschikking gegeven in het kader van de integrale herbeoordeling met kenmerk [kenmerk 2] . Daartegen is bezwaar gemaakt en op 26 juni 2025 is op dat bezwaar besloten. Tussentijds zijn meerder beroepen niet tijdig ingediend en door de rechtbank gegrond verklaard en zijn (bestuurlijke) dwangsommen verbeurd. Het besluit waar in deze zaak bezwaar tegen is gemaakt, hangt inhoudelijk sterk samen met het besluit met kenmerk [kenmerk 2] . Beide besluiten berusten namelijk op dezelfde wettelijke grondslag en het onderhavige bezwaar ‘vormt geen zelfstanding rechtsbelang dat los kan worden gezien van de eerdere beschikkingen’. Volgens verweerder is zij daarom niet nogmaals dwangsommen verschuldigd en moet het beroep ongegrond worden verklaard.
7. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling ziet op een andere situatie. In die zaak waren de ‘samenhangende’ besluiten gelijktijdig genomen en bovendien inhoudelijk gelijkluidend. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er zit een aantal jaar tussen de twee genomen besluiten en in die besluiten is over andere jaren beoordeeld of er recht bestaat op compensatie in het kader van de integrale herbeoordeling. Bij beide bezwaarprocedures bestaat dan ook een zelfstandig belang. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het beroep ongegrond te verklaren of geen nadere dwangsom op te leggen.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
8. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
9. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke
beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025 uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling.
10. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 26 mei 2025 de
definitieve beschikking genomen. Het bezwaarschrift van eiser tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 4 augustus 2025. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 5 augustus 2025 en verliep op 8 december 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 1 februari 2027.
11. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken.
Proceskosten en griffierecht 12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij
heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-. 13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door
hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 1 februari 2027 een besluit op bezwaar bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
De griffier is niet in de gelegenheidte ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: