ECLI:NL:RBMNE:2026:6495

ECLI:NL:RBMNE:2026:6495

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 16/218361-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Veroordeling voor het veroorzaken van een (eenzijdig) verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank concludeert dat het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat zij vanwege het tijdsverloop de noodzaak van een onvoorwaardelijke rijontzegging niet ziet en zodat dit als stok achter de deur kan dienen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/218361-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 september 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2001] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1. ZITTING

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 september 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. TENLASTELEGGING

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 19 april 2025 in Eemnes, samengevat:

Primair

roekeloos, dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, in een bedrijfsauto heeft gereden en dat het zijn schuld is dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar gewond is geraakt.

Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. BEWIJS

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire feit.

De advocaat refereert zich met betrekking tot het subsidiaire feit aan het oordeel van de rechtbank.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen zoals die onder 3.4. is opgenomen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

De vastgestelde gang van zaken

De rechtbank staat voor de vraag of uit de bewijsmiddelen volgt dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Allereerst dient de toedracht van het ongeval te worden vastgesteld. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast, die overigens niet ter discussie hebben gestaan tussen partijen.

Op 19 april 2025 heeft in Eemnes een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte en zijn twee vrienden betrokken waren. De verdachte was de bestuurder van de bedrijfsauto. De getuige [getuige] was de bijrijder en het slachtoffer [slachtoffer] zat op een bankje in de laadruimte. De verdachte is in de auto gestapt nadat hij die avond alcohol had genuttigd. De auto had een grijs kenteken. Dit houdt in dat er niet meer dan twee personen, inclusief de bestuurder, vervoerd mogen worden. De verdachte heeft in de laadruimte van zijn auto een bankje gemonteerd, waarbij er geen deugdelijke gordel aanwezig was. Dit was niet toegestaan en de verdachte wist dat. De verdachte heeft er toch voor gekozen om het latere slachtoffer mee te laten rijden. De verdachte heeft na het passeren van het verkeerslicht de bocht naar links op de kruising te scherp en te strak genomen voor de snelheid waarmee hij reed, waardoor hij de controle over de door hem bestuurde bedrijfsauto is verloren. De bedrijfsauto is toen in de bocht gaan overhellen en gaan kantelen, waarna die tegen een mast voor fietsers voor een verkeerslicht aan is gebotst. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen en ondervindt hij tot op de dag van vandaag de gevolgen hiervan. Het slachtoffer kan nog steeds niet werken en is verhinderd in de uitoefening van de normale bezigheden.

Juridische kwalificatie

Vervolgens moet worden beoordeeld wat de hierboven genoemde handelingen in juridische zin betekenen.

De verdachte wordt er primair van beschuldigd dat hij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Er moet tenminste sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

In het algemeen geldt dat onder 'schuld' als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft".

Van een bestuurder van een auto mag in het algemeen voorzichtigheid verwacht worden, in die zin dat hij of zij niet door een bocht rijdt op een manier waarbij de binnenste wielen los komen van de grond. Van een bestuurder van een bedrijfsauto waarin, ook al is het in strijd met hetgeen is toegestaan, een persoon los in de laadbak vervoerd wordt, zoals verdachte, wordt een veel grotere mate van voorzichtigheid verwacht en geëist. Het voertuig heeft door zijn constructie immers een hoog zwaartepunt en door het gewicht van een passagier bovenop de laadbak wordt het risico van omvallen in een bocht nog eens extra vergroot. Een zeer lage bochtsnelheid is derhalve vereist.

De omstandigheden dat verdachte de bocht naar links, mede gelet op zijn snelheid, te strak en te scherp heeft genomen, waardoor hij de controle over de bedrijfsauto is verloren en vervolgens is gekanteld en tegen een mast van een verkeerslicht voor fietsers is gebotst, leiden volgens de rechtbank tot het oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte substantieel afwijkt van het gedrag dat in dit geval van een voorzichtig verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Voorts leiden deze omstandigheden volgens de rechtbank tot het oordeel dat verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, "aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend" heeft gereden, maar zij zijn niet toereikend voor het oordeel dat de verdachte "roekeloos" in voornoemde zin heeft gereden, zodat de verdachte van dat deel van de beschuldiging zal worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dat hij tot op de dag van vandaag niet heeft kunnen werken en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ondervindt.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

primair

op 19 april 2025, te Eemnes als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Suzuki S04v), daarmede rijdende over de weg, Stadwijksingel, en kruising van de Stadwijksingel en de Zuidersingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, een persoon vervoerd heeft vervoerd en

- een passagier heeft vervoerd op een ondeugdelijk zelf, door verdachte, gemonteerd bankje en niet-goedgekeurde zitplaats en

- een passagier heeft vervoerd, terwijl hij geen deugdelijke gordel om had en geen deugdelijke gordel aanwezig was en

- vervolgens de bocht naar links op de kruising te scherp en te strak heeft genomen en

- hij, verdachte, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren en daarbij vervolgens met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de bocht is gaan overhellen en kantelen en

- daarbij vervolgens tegen een verkeerslicht is gebotst,

waardoor een ander ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken kuitbeen/oogkassen/jukbenen/schedel/ribben/neus/tand, twee klaplongen, gescheurde meniscus, ac luxatie schouder, beschadiging kraakbeen in knie werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. STRAF

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 6 maanden.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om bij de bepaling van de straf de verkeersovertreding die is begaan als uitgangspunt te nemen. Verder voert de advocaat aan dat de aansprakelijkheidsverzekering van de verdachte de kosten niet dekt en de verzekering op dit moment met een vordering van € 112.461,27 bij de verdachte heeft gemeld. Deze kosten zullen waarschijnlijk nog oplopen. De advocaat verzoekt de rechtbank om bij de strafoplegging rekening te houden met deze omstandigheid. De advocaat verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring een geldboete van € 1.000,- op te leggen en aansluiting te zoeken bij de richtlijn van artikel 5 WVW. Op deze manier kan de verdachte geld blijven verdienen en zich voorbereiden op de te betalen vordering van de verzekering. Daarnaast verzoekt de advocaat om geen rijontzegging op te leggen, nu een rijontzegging ook verstrekkende financiële gevolgen voor de verdachte heeft.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd, zoals van één en ander op de zitting is gebleken. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft in de avond van 19 april 2025 met zijn bedrijfsauto een (eenzijdig) verkeersongeval veroorzaakt. Daarbij is het slachtoffer ernstig gewond geraakt. De verdachte was met vrienden een avondje uit en heeft daarbij alcohol gedronken. Op de terugweg heeft de verdachte het slachtoffer, naast een andere vriend die al meereed, aangeboden om mee te rijden. Ondanks dat de verdachte wist dat een derde passagier niet was toegestaan, heeft hij dit gedaan. De verdachte heeft met zijn handelen die avond meerdere overtredingen begaan. Om te beginnen mocht hij geen passagier meenemen op de geïmproviseerde stoel in de laadruimte van zijn auto, waar ook geen deugdelijke gordel aanwezig was. Daarnaast was er een stuurknuppel op zijn stuur gevestigd, wat evenmin is toegestaan. Tot slot heeft hij dit wetende een te scherpe en strakke bocht genomen, waardoor de bedrijfsauto is gaan kantelen en uiteindelijk tegen een mast voor een fietsverkeerslicht aan is gebotst. Hierbij is het slachtoffer onder de bedrijfsauto terechtgekomen.

De verdachte had voorzichtiger moeten handelen. Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen en ondervindt hij nog steeds gevolgen ervan. Dat het slachtoffer nog altijd veel hinder ondervindt van het ongeval, blijkt uit de slachtofferverklaring die namens hem op de zitting is voorgelezen. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. Met zijn rijgedrag heeft de verdachte zichzelf, zijn medepassagiers en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, door zijn verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer te veronachtzamen. De rechtbank weegt ook in strafverzwarende zin mee dat de verdachte voor de tweede keer met alcohol op heeft gereden waarna hij bij een ongeval betrokken was.

In strafverminderende zin houdt rechtbank rekening met de proceshouding van de verdachte. De verdachte heeft vanaf het begin bekend en heeft een schuldbewuste houding. Daarnaast volgt uit het dossier dat de verdachte geen ‘wegpiraat’ is. Hij heeft weliswaar meerdere voorschriften overtreden, maar heeft geen roekeloos rijgedrag vertoond. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de financiële gevolgen van het ongeval voor de verdachte. De verzekering van de verdachte dekt de kosten niet. Hierdoor zal de verdachte zelf alle kosten moeten betalen. Op de zitting is naar voren gekomen dat de kosten op dit moment al aanzienlijk zijn en dat deze nog hoger zullen uitvallen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 5 augustus 2026. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Wel volgt uit het strafblad dat een zaak tegen de verdachte op 10 maart 2022 voor het rijden onder invloed van alcohol is geseponeerd met als sepotgrond ‘verhouding tot benadeelde geregeld’.

Straf

Om in vergelijkbare zaken zo veel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel met alcohol waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld betreft een onvoorwaardelijke taakstraf van 160 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 18 maanden. De rechtbank zal dit dan ook als uitgangspunt nemen, maar zal gelet op de strafverminderende omstandigheden een lagere straf opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde, mede vanuit een oogpunt van normbevestiging en generale preventie, in beginsel een geheel onvoorwaardelijke straf rechtvaardigt. De rechtbank ziet echter in het licht van de speciale preventie en gelet op de houding van de verdachte aanleiding om een geheel voorwaardelijke rijontzegging en een lagere taakstraf op te leggen. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Hij heeft zijn leven op orde. Ook heeft de verdachte oprecht berouw getoond. De voorwaardelijke rijontzegging zal aan de verdachte worden opgelegd met het doel om hem gedurende een proeftijd van twee jaar (blijvend) te motiveren tot het in acht nemen van de in het verkeer benodigde voorzichtigheid en oplettendheid.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar op. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij dit een passende straf vindt. De rechtbank ziet aanleiding om aan de verdachte een lagere en geheel voorwaardelijke rijontzegging op te leggen, omdat zij gelet op het tijdsverloop de noodzaak van een onvoorwaardelijke rijontzegging niet ziet en zodat dit als stok achter de deur kan dienen.

6. TOEGEPASTE WETSARTIKELEN

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

7. DE BESLISSING

waardoor een ander ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken kuitbeen/oogkassen/jukbenen/schedel/ribben/neus/tand, twee klaplongen, gescheurde meniscus, ac luxatie schouder, beschadiging kraakbeen in knie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uur;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;

- ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Pouw, voorzitter, mr. H. den Haan en mr. K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.Z. Turan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 19 april 2025, te Eemnes, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Suzuki S04v), daarmede rijdende over de weg, Stadwijksingel, en/of kruising van de Stadwijksingel en de Zuidersingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, een persoon vervoerd heeft vervoerd en/of

- een passagier heeft vervoerd op een ondeugdelijk zelf gemonteerd, door verdachte, bankje en/of niet-goedgekeurde zitplaats en/of

- een passagier heeft vervoerd, terwijl hij geen deugdelijke gordel(s) om had(den) en/of geen deugdelijke gordel aanwezig was en/of

- (vervolgens) de bocht naar links op de kruising te scherp en/of te strak heeft genomen en/of

- hij, verdachte, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de bocht is gaan overhellen en/of kantelen en/of

- vervolgens en/of daarbij (vervolgens) tegen een verkeerslicht is gebotst,

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 april 2025, te Eemnes, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Suzuki S04v), daarmede rijdende over de weg, Stadwijksingel, en/of kruising van de Stadswijksingel en de Zuidersingel, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd door

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, een persoon heeft vervoerd en/of

- een passagier heeft vervoerd op een ondeugdelijk zelf gemonteerd, door verdachte, bankje niet-goedgekeurde zitplaats en/of

- een passagier heeft vervoerd, terwijl hij geen deugdelijke gordel(s) om had(den) en/of geen deugdelijke gordel aanwezig was en/of

- (vervolgens) de bocht naar links op de kruising te scherp en/of te strak heeft genomen en/of

- hij, verdachte, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de bocht is gaan overhellen en/of kantelen en/of

- vervolgens en/of daarbij (vervolgens) tegen een verkeerslicht is gebotst, waardoor de inzittenden van die bedrijfsauto (Suzuki S04v), [slachtoffer] , gewond is/zijn geraakt.

Bijlage II: De bewijsmiddelen

1. In een proces-verbaal FO Verkeer van 29 juni 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

7. Interpretatie van het onderzoek

Op 19 april 2025 had op de Stadwijksingel in de gemeente Eemnes een verkeersongeval

plaatsgevonden. Bij dit verkeersongeval was een bedrijfsauto betrokken, een Suzuki met twee zitplaatsen.

De bestuurder van de Suzuki reed op de Zuidersingel, komende uit de richting van de rotonde met de Verlegde Laarderweg en sloeg op het kruispunt met de Stadwijksingel linksaf richting de Stadwijksingel.

Op de camerabeelden is te zien dat de Suzuki, in de bocht naar links in de richting van de Stadwijksingel, met de linker wielen loskomt van het wegdek. Hierbij werden geen abrupte stuurbewegingen waargenomen. De snelheid van de Suzuki waarmee de bocht werd genomen, in combinatie van het hoge zwaartepunt, heeft er zeer waarschijnlijk voor gezorgd dat de Suzuki in een drift/slip is geraakt en is gaan kantelen. De Suzuki kantelt op zijn rechterzijde en komt tot stilstand tegen een drukknopmast. Zeer waarschijnlijk ligt één van de inzittende onder de rechterachterzijde van de Suzuki. Twee andere inzittenden duwen de Suzuki vervolgens tegen het verkeerslicht aan, mogelijk om het voertuig van de persoon af te halen.

Wij hebben geen reden om aan te nemen dat het rem- of stuursysteem van de Suzuki voorafgaand aan het verkeersongeval niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Wij zagen dat de Suzuki was voorzien van twee deugdelijke zitplaatsen bestemd voor zowel de bestuurder als de passagier naast de bestuurder. Het gemonteerde bankje in de laadruimte is geen goedgekeurde zitplaats voor een rijdende bedrijfsauto volgens de RDW. Deze zitplaats was ook niet voorzien van een veiligheidsgordel. Tevens is het verboden om personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig.

Uit ons onderzoek is gebleken dat de toedracht van dit verkeersongeval niet is gelegen in de weersgesteldheid, de infrastructuur of een combinatie hiervan.

2. In een geneeskundig rapport van [eenmanszaak] van 3 oktober 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende weergegeven:

Toedracht ongeval, letsels en persoonlijke situatie

Op basis van de beschikbare medische gegevens is sprake van de volgende letsels, direct veroorzaakt door het ongeval:

- meervoudige schedel- en aangezichtsfracturen, waaronder complexe fracturen van het voorhoofd, beide oogkassen, jukbeenderen, neus en neusseptum;

- hersenschudding met kortdurend bewustzijnsverlies en kleine bloedingen onder het hersenvlies;

- gebroken ribben: costa 1-2 links en costa 1-4 rechts;

- klaplongen aan beide zijden, uitgebreid longletsel (longcontusie), luchtlekkage in het mediastinum en onderhuids;

- fractuur van het rechter kuitbeen (fibula);

- knieletsel rechts: partiële scheur van de voorste kruisband, scheur van de laterale meniscus, kraakbeenschade met losse botfragmenten, subcapitale fibulafractuur;

- tandletsel: afgebroken voortand;

- vermoedelijke AC-gewricht luxatie links;

- diverse oppervlakkige verwondingen, waaronder hoofdwonden en hematomen.

Actuele situatie en beperkingen

Ten tijde van dit advies is er nog geen sprake van een (relatieve) medische eindsituatie. Betrokkene ondergaat nog actieve behandeling en heeft een grote orthopedische ingreep in het vooruitzicht. De volgende beperkingen en klachten zijn actueel en direct te relateren aan het ongeval:

- beperkingen in het functioneren van de rechterknie (pijn, zwelling, instabiliteit, beperkte mobiliteit, niet kunnen hurken of knielen, brace wordt gedragen);

- verminderde belastbaarheid van de schouder, ribbenkast en sleutelbeen (pijn, krachtsverlies, bewegingsbeperking);

- pijn- en gevoelsstoornissen in het hoofd, aangezicht en ribbenkast, periodieke hoofdpijn;

- beperkingen in mondfunctie, pijn en gevoeligheid van de voortand;

- dubbelzien bij naar links kijken;

- vermoeidheid, slaapproblemen en cognitieve klachten (moeite met concentreren en korte termijn geheugen);

- psychische klachten: angst, paniekreacties, prikkelbaarheid, onzekerheid en beperkte sociale participatie.

3. De verdachte heeft op de terechtzitting van 9 september 2026 verklaard:

Ik reed op 19 april 2025 als bestuurder van een bedrijfsauto, een Suzuki S04v, op de Stadwijksingel en de kruising van de Stadwijksingel en de Zuidersingel in Eemnes. Dit betreft een auto met een grijs kenteken. Ik weet dat je geen passagier in de laadruimte mag vervoeren en dat deze auto daarvoor ongeschikt is. Ik heb die avond aan [slachtoffer] aangeboden om hem thuis af te zetten. Ik had zelf een bankje in de laadruimte gemonteerd. Ik wist dat je daarop geen mensen mag vervoeren op de openbare weg. Ik heb op dit bankje [slachtoffer] vervoerd. Ik wist dat er niet meer dan twee personen (inclusief de bestuurder) vervoerd mochten worden. Er was geen gordel aanwezig op het bankje in de laadruimte. [slachtoffer] had dan ook geen gordel om.

Op een gegeven moment kwam ik bij een stoplicht aan waarbij ik naar links moest. Ik ben waarschijnlijk iets te hard door de bocht gegaan en heb de bocht te scherp genomen. Ik voelde dat het niet goed ging. Wij hebben vrij lang op twee wielen gereden. Ik heb een stuurknuppel op mijn stuur en daarmee probeerde ik terug te sturen. Ik probeerde met mijn rechterhand [getuige] , bijrijder) tegen te houden en met mijn linkerhand probeerde ik tegen te sturen. Dit lukte echter niet. Ik heb de controle over auto verloren en ben in de bocht gaan kantelen. Ik ben tegen een verkeerslicht aan gebotst. De auto lag op de rechterkant tegen de verkeerspaal aan. Het was een hele harde klap. Ik had zelf ook geen gordel om. [slachtoffer] lag onder de auto.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand