Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 616945 HA RK 26-169
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 22 september 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 28 augustus 2026 mr. G. Schnitzler (hierna: de rechter) gewraakt. De rechter is de behandelend rechter in de zaken met de zaaknummers UTR 25/820, 25/1304, UTR 25/1305, UTR 25/1306, UTR 25/1307, UTR 25/1598, UTR 25/1599, UTR 15/1601, UTR 25/1604, UTR 25/2029, UTR 25/2366, UTR 25/2809 en UTR 25/3435 (hierna: de hoofdzaken).
Het wrakingsverzoek is op 8 september 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer.
Bij de zitting waren aanwezig:
verzoeker digitaal via Teams,
de rechter en
[A] als toehoorder namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Bij verzoeker is door de wijze waarop de voorbehandeling van zijn beroepen is verlopen ernstige twijfel ontstaan over de vraag of de rechter voldoende afstand houdt tot de standpunten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: het college) en de hoofdzaken nog wel voldoende onafhankelijk bekijkt. Het gaat verzoeker in het bijzonder om de afhandeling van zijn beroepen op betalingsonmacht griffierecht (hierna: bobog) en de rol die het college daarbij speelt, en daarnaast het afwijzen van zijn verzoek tot uitstel van de zitting. Verzoeker ervaart onvoldoende ruimte om zijn situatie en zijn argumenten inhoudelijk naar voren te brengen. Hij vraagt om een eerlijke en zorgvuldige inhoudelijke behandeling van zijn zaken, waarbij zijn argumenten en de door hem naar voren gebrachte relevante feiten daadwerkelijk worden gehoord. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat zijn vrees dat zijn zaken niet inhoudelijk zullen worden behandeld door de rechter, mede is ingegeven doordat eerdere beroepen van hem niet-ontvankelijk zijn verklaard. Dit was om dezelfde reden, namelijk omdat hij geen griffierecht had betaald.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie en op de zitting heeft de rechter dit uitgelegd. De verzoeken van verzoeker om vrijstelling van het griffierecht zijn vooralsnog ‘slechts’ op voorhand afgewezen door de griffier. Die voorlopige reactie is weliswaar met de rechter afgestemd, maar het heffen van griffierecht zou op de zitting nog ter sprake komen. Daarna zou de rechter definitieve beslissingen op de verzoeken hebben genomen. Over het plannen van de zitting voor de mondelinge behandeling van de dertien beroepen van verzoeker is door de rechtbank al vanaf april 2026 met verzoeker gecorrespondeerd, ook over de datum van de zitting. Zijn verzoek om de zaken niet geclusterd op één zitting te behandelen is niet door de rechter, maar door de teamvoorzitter van het team dat de zaken behandelt afgewezen. Op 8 juli 2026 is aan verzoeker de brief gestuurd met daarin de bevestiging van de definitieve zittingsdatum van 8 september 2026. Op 5 augustus 2026 heeft verzoeker om uitstel van de zitting gevraagd. Dit verzoek om uitstel was ongemotiveerd en werd gedaan zonder uitleg waarom het verzoek tot uitstel pas toen werd gedaan. Daarom heeft de rechter het verzoek afgewezen. Verzoeker heeft zijn verzoek om uitstel nog een keer herhaald en de rechter heeft dat verzoek opnieuw afgewezen.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 8:15 Awb staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
Verzoeker is ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter. De beslissing van de rechter om de geplande zitting niet uit te stellen en de beslissing op verzoekers bobog zijn procesbeslissingen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep. Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.
Daarvan is in dit geval geen sprake. De wrakingskamer stelt voorop dat uit de voorgeschiedenis in de hoofdzaken met de gemeente Utrecht – die verzoeker in zijn nadere schriftelijke toelichting op zijn wrakingsverzoek van 7 september 2026 heeft beschreven – geen vooringenomenheid van de rechter kan blijken. Van een handelen van de rechter is hierbij immers geen sprake geweest. Hetzelfde geldt voor de beslissingen op de bobog van verzoeker. De beslissingen zoals gecommuniceerd door de griffier hebben een voorlopig karakter. De rechter heeft daarover nog geen definitieve beslissingen genomen. De bedoeling van de rechter was juist om verzoeker op de zitting in de gelegenheid te stellen deze beroepen toe te lichten. Pas daarna zou hij op deze bobog beslissingen hebben genomen. Op de zitting van de wrakingskamer heeft de rechter toegelicht dat wat het college hierover eventueel aanvoert niet iets is wat hij bij zijn beoordeling van de bobog zou betrekken. Dat is een aangelegenheid tussen verzoeker en de rechtbank. De wrakingskamer twijfelt niet aan deze verklaring van de rechter. Ook de motivering van de beslissing om het verzoek tot uitstel van de zitting in de hoofdzaak af te wijzen, zoals vermeld bij 2.2, geeft naar het oordeel van de wrakingskamer geen blijk van vooringenomenheid van de rechter.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedures van verzoeker met de zaaknummers UTR 25/820, UTR 25/1304, UTR 25/1305, UTR 25/1306, UTR 25/1307, UTR 25/1598, UTR 25/1599, UTR 15/1601, UTR 25/1604, UTR 25/2029, UTR 25/2366, UTR 25/2809 en UTR 25/3435 moeten worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. C.A.Y. van Yperen, voorzitter, en mr. D. Wachter en mr. C.S.K. Fung Fen Chung als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door
mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier, en bij afwezigheid van de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026 en ondertekend door mr. D. Wachter.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.