RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/178809-26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2005] in [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 23 oktober 2025 in Amersfoort:
primair: als bestuurder van een auto op de A28 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door het stuur enige tijd niet vast te houden, met beslagen ruiten en met hoge snelheid te rijden, een auto van rechts in te halen, een abrupte stuurbeweging te maken naar rijstrook 1 en daarbij een rood kruis op die rijstrook te negeren en vervolgens in een slip te raken, waardoor de auto onder andere tegen een rimpelbuisobstakelbeveiliger is gebotst en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen;
subsidiair: op de hiervoor beschreven manier opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden;
meer subsidiair: op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd. Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval gaat de officier van justitie uit van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarnaast vindt zij dat het letsel van [slachtoffer 1] moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel en het letsel van [slachtoffer 2] als letsel dat heeft geleid tot tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire en subsidiaire feit. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 3.3.
De advocaat voert geen verweer over het bewijs van het meer subsidiaire feit en refereert zich voor wat betreft een bewezenverklaring van dat feit aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen primaire feit
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (het veroorzaken van een verkeersongeval door schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW)) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
3.3.2.1. Vastgestelde feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan.
Op 23 oktober 2025 heeft er een eenzijdig ongeval plaatsgevonden op de A28 in Amersfoort, waarbij een door de verdachte bestuurde auto op enig moment in een slip is geraakt en is gebotst tegen een rimpelbuisobstakelbeveiliger (hierna: RIMOB) aan de rechterzijde van de weg en daarna tegen een metalen barrière en betonblokken aan de linkerzijde van de weg. De verdachte reed met twee inzittenden in zijn auto, [slachtoffer 2] als bijrijder en [slachtoffer 1] achterin, en zij hebben alle drie door deze botsing letsel opgelopen.
De A28 bestond ter hoogte van de plaats van het ongeval uit drie rijstroken en een (vierde) uitrijstrook (afrit Leusden). Tussen rijstrook 3 en 4 bevond zich ten behoeve van de uitrijstrook een puntstuk (een getekend vlak met witte schuine strepen op het wegdek) en de RIMOB. De RIMOB schermt de pijler van het viaduct af dat op die plek over de A28 ligt. Ten tijde van het ongeval was rijstrook 1 gesloten en dat werd aangegeven met rode kruizen op matrixborden boven de snelweg. De maximumsnelheid ter plaatse is permanent 100 km/u.
Op basis van de getuigenverklaringen in het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval met een hoge snelheid heeft gereden, in elk geval harder dan ter plaatse was toegestaan. Meerdere getuigen hebben de verdachte zien rijden en hebben onder andere verklaard dat de verdachte hen “voorbij vloog” of dat het snelheidsverschil tussen de getuige (die zijn cruisecontrol op 110 km/u had staan) en de verdachte aanzienlijk was. Zij schatten de snelheid van de verdachte op ongeveer 130 km/u.
Op basis van diezelfde verklaringen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op enig moment op rijstrook 2 achter een andere auto reed, dat hij deze auto van rechts (via rijstrook 3) met onverminderde snelheid inhaalde en daarna een (abrupte) stuurbeweging terug naar links (rijstrook 2) maakte. De verdachte schoot vervolgens door naar rijstrook 1, stuurde terug naar rechts en belandde daarop in een slip. Uit de verkeersongevalanalyse volgt dat hij toen eerst aan de ene kant van de weg (rechts) tegen de RIMOB aanbotste, toen aan de andere kant van de weg (links) tegen betonblokken om uiteindelijk midden op de snelweg tot stilstand te komen.
De verdachte heeft verklaard dat hij nog wel weet dat hij de desbetreffende dag met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in zijn auto is gestapt en dat hij de bestuurder was, maar dat hij zich verder niets kan herinneren over de wijze waarop het ongeval heeft plaatsgevonden of wat er aan het ongeval vooraf is gegaan.
3.3.2.2. Het stuur enige tijd niet vasthouden en rijden met beslagen ruiten
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij enige tijd zijn handen niet aan het stuur heeft gehouden en dat hij met beslagen ruiten heeft gereden.
De persoon die achterin de auto van de verdachte zat ( [slachtoffer 1] ), heeft een video aan de politie verstrekt. De politie heeft deze beelden uitgekeken en beschrijft dat op deze beelden te zien is dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden zijn handen boven zijn hoofd houdt en dat de bijrijder het stuur vast heeft. Van deze video zitten screenshots in het dossier. De verdachte heeft op de zitting erkend dat op deze screenshots de binnenkant van zijn auto te zien is, dat hij als bestuurder te zien is en dat [slachtoffer 2] als bijrijder te zien is. Tegelijkertijd heeft de verdachte ook verklaard dat hij niet weet wanneer deze video gemaakt is en of dit dus op de avond van het ongeval is geweest. Hij zat namelijk vaker met deze twee vrienden in de auto. Ook de politie heeft in het proces-verbaal opgeschreven dat het filmpje geen datum- en tijdsaanduiding bevat. Hoewel de beelden gevaarlijk en zorgelijk zijn, kan de rechtbank gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden niet vaststellen wanneer deze video is gemaakt en wanneer deze gedragingen dus hebben plaatsgevonden, laat staan dat zij kan vaststellen dat het ongeval (mede) door deze gedragingen is veroorzaakt.
De officier van justitie vindt daarnaast dat er aanknopingspunten zijn dat de verdachte met beslagen ruiten heeft gereden. Zij verwijst daarbij naar de foto die getuige [A] heeft gemaakt van de auto van de verdachte na het ongeval en de foto die gemaakt is door [slachtoffer 1] waarop een beslagen ruit te zien is (pagina 152).
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in de verklaring en de foto van getuige [A] onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachte met beslagen ruiten heeft gereden. Allereerst verklaart de getuige expliciet dat hij, toen hij van rechts werd ingehaald door de verdachte, niet heeft gezien dat de autoruiten van de verdachte beslagen waren. Na het ongeval zag hij dat de achterruiten van de auto van de verdachte beslagen waren en kon hij daardoor niet naar binnen kijken. De voorruit heeft de getuige niet gezien. Op de foto die de getuige van afstand heeft gemaakt, lijkt te zien te zijn dat een zijruit van de auto (deels) beslagen is. De achterruit, voorruit en overige zijruiten zijn niet zichtbaar op deze foto. Daar komt bij dat deze foto volgens de getuige pas tien minuten nadat het ongeval heeft plaatsgevonden, is gemaakt. Gelet op dit tijdsverloop kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte met (deels) beslagen ruiten heeft gereden en als dit al het geval zou zijn, kan de rechtbank bovendien niet vaststellen of dat heeft bijgedragen aan het ongeval.
Ook in de foto die [slachtoffer 1] heeft gemaakt ziet de rechtbank onvoldoende steun om aan te nemen dat de verdachte met beslagen ruiten heeft gereden. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de persoon is die op de desbetreffende foto als bestuurder van de auto is te zien. Op de foto is te zien dat de zijruit aan de bestuurderskant (deels) beslagen is. Net zoals eerder is overwogen met betrekking tot de video van [slachtoffer 1] , geldt voor deze foto ook dat in de eerste plaats niet vastgesteld kan worden wanneer (op welke datum en tijdstip) deze foto is gemaakt en wanneer dit dus heeft plaatsgevonden, waardoor de rechtbank ook niet kan vaststellen dat de verdachte ten tijde van het ongeval met beslagen ruiten heeft gereden. Daar komt bij dat op de foto slechts een (deels) beslagen zijruit is te zien. De voorruit is op deze foto niet beslagen en er is goed zicht op de weg. Ook als deze foto dus wel (vlak) voor het ongeval zou zijn gemaakt, kan de rechtbank op basis van die foto alleen ook niet vaststellen dat de (deels) beslagen zijruit heeft bijgedragen aan het veroorzaken van een ongeval.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de bijrijder [slachtoffer 2] weliswaar in zijn eerste verklaring heeft verklaard dat de ruiten beslagen waren en hij daardoor slecht zicht had op de weg, maar dat hij in zijn verklaring daarna daar weer op terugkomt en verklaart dat de ramen schoon en niet beslagen waren. De rechtbank vindt deze wisselende en tegenstrijdige verklaringen op dit punt niet bruikbaar.
Met de advocaat is de rechtbank daarom van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval enige tijd zijn handen niet aan het stuur heeft gehad en dat hij heeft gereden met beslagen ruiten. De verdachte zal daarom vrijgesproken worden van deze ten laste gelegde gedragingen. De rechtbank zal deze gedragingen dan ook niet meewegen in haar verdere beoordeling over de hierna te bespreken (mate van) schuld van de verdachte.
3.3.2.3. Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Juridisch kader
De verdachte wordt er onder het primaire feit van beschuldigd dat hij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor (een) ander(en) ernstig lichamelijk letsel heeft of hebben opgelopen. Voor een bewezenverklaring van deze schuld, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
Kwalificatie van de gedragingen
Bij de beoordeling van de (mate van) schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de onder 3.3.2.1 vastgestelde feiten en omstandigheden.
De verdachte reed op de snelweg met hoge snelheid en in ieder geval harder dan was toegestaan. Op enig moment naderde de verdachte een auto die voor hem reed op rijstrook 2. In plaats van zijn rijgedrag aan te passen aan het overige verkeer (en dus langzamer te rijden), haalde de verdachte met onverminderde snelheid de auto voor hem via rechts (rijstrook 3) in en stuurde daarna abrupt terug naar links (rijstrook 2). Een getuige omschreef dit rijgedrag van de verdachte als een “kamikaze-actie”.
De rechtbank vindt bewezen dat dit rijgedrag, te weten het te hard rijden in combinatie met de gevaarlijke inhaalmanoeuvre, ertoe heeft geleid dat de verdachte doorschoot naar rijstrook 1 en in een slip is geraakt en vindt dus bewezen dat deze gedragingen de oorzaak zijn geweest van het verkeersongeval. Uit het forensisch onderzoek op de plaats delict volgt immers dat de toedracht van het verkeersongeval niet was gelegen in de lichtgesteldheid, het weer, de weg of aan technische mankementen aan de auto van de verdachte. Van een andere oorzaak is verder ook niet gebleken.
Met het (hiervoor beschreven) verkeersgedrag is de verdachte tekortgeschoten ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. De rechtbank kwalificeert deze combinatie van gedragingen als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag (ernstige schuld) of een nog zwaardere vorm van schuld (roekeloosheid). Om vast te kunnen stellen dat daarvan sprake is, is namelijk meer nodig dan wat er in deze zaak bewezen kan worden. Zoals eerder overwogen, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval enige tijd heeft gereden zonder zijn handen aan het stuur te houden en met beslagen ruiten. Ook is verder niet van andere verwijtbare verkeersgedragingen gebleken. De rechtbank weegt bij het bepalen van de mate van schuld ook mee dat niet (objectief) kan worden vastgesteld hoe hard de verdachte daadwerkelijk heeft gereden, waardoor ook niet vastgesteld kan worden dat de verdachte deze verkeersregel opzettelijk en in ernstige mate heeft overtreden. Tot slot weegt de rechtbank bij de mate van schuld niet de gedraging mee dat de verdachte een rood kruis heeft genegeerd. Weliswaar is bewezen dat de verdachte op enig moment met zijn auto op rijstrook 1 (waar een rood kruis gold) is beland, maar niet is gebleken dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan en dat deze gedraging heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. De verdachte is namelijk op die rijstrook terechtgekomen als gevolg van zijn eerdere stuurbeweging/stuurfout, waarbij hij doorschoot naar rijstrook 1 en daarna in een slip belandde. Uit het dossier volgt ook dat de verdachte meteen weer naar rechts heeft gestuurd toen hij op die rijstrook kwam.
Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de zwaardere ten laste gelegde schuldgradaties van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag en roekeloosheid.
(Zwaar) lichamelijk letsel
Door het ongeval hebben de inzittenden, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , letsel opgelopen. Bij de beoordeling of juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de ernst, de noodzaak en aard van (eventueel) medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel gezichtspunten die van belang zijn. Ook kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat volgens algemeen spraakgebruik zo kan worden genoemd. Volgens de advocaat kan het letsel van de slachtoffers niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Uit de medische informatie en de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat hij als gevolg van het ongeval onder andere een gebroken nekwervel, gebroken rib, gebroken elleboog, gekneusde heup en een longkneuzing heeft opgelopen. Ook heeft hij minstens 12 weken een haloframe om zijn nek gehad. Dit letsel kan vanwege de aard van het letsel, de duur van het herstel, maar ook naar algemeen spraakgebruik, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Uit de geneeskundige verklaring ten aanzien van het letsel van [slachtoffer 2] blijkt dat hij door het ongeval schaafwonden, een kneuzing in de knieën en een hersenschudding heeft opgelopen. De geschatte duur van de genezing was enkele weken. Ongeveer twee weken na het ongeval heeft het slachtoffer verklaard dat hij nog pijn had aan zijn knieën en nog niet kon werken, omdat hij dat maar twee uur per dag volhoudt. Het dossier bevat verder geen nadere objectieve medische gegevens over het letsel van [slachtoffer 2] , maar uit deze latere verklaring van het slachtoffer volgt dat hij in ieder geval langere tijd niet (volledig) heeft kunnen werken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 2] , gelet op de eerdergenoemde gezichtspunten, niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel, maar dat hij door het ongeval zodanig letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale uitoefening van de bezigheden is ontstaan.
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen vindt dat de verdachte artikel 6 WVW heeft overtreden, dat hij aanmerkelijke schuld heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval en dat de slachtoffers hierdoor zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, dan wel letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale uitoefening van de bezigheden is ontstaan. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primaire feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Primair:
op 23 oktober 2025, te Amersfoort, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A28, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en gelet op de situatie ter plaatse voor een veilig verkeer verantwoord was te rijden en- (vervolgens) met onverminderde snelheid een personenauto (die op rijstrook 2 reed) rechts in te halen (via rijstrook 3) en- (vervolgens) een abrupte en/of plotselinge beweging met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rijstrook 1 te maken en (daarbij) een rood kruis te negeren en- (vervolgens) in een slip te geraken en de controle over de door hem, verdachte, bestuurde personenauto te verliezen, en- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze te regelen dat hij, verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en- (vervolgens) met de voorzijde tegen een rimpelbuisobstakelbeveiliger (RIMOB) gelegen aan de rechterzijde van de rijbaan aan te botsen en vervolgens een metalen barrière en betonblokken te raken, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een taakstraf van 160 uur, waarvan een gedeelte van 80 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van één jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de impact die het ongeval zelf op de verdachte heeft gehad. Daartoe voert de advocaat aan dat de verdachte door de fysieke beperkingen die hij aan dit ongeval heeft overgehouden niet meer thuis kan wonen, niet meer kan sporten of werken en met zijn opleiding is gestopt. Dit alles heeft ook weerslag op zijn sociale leven. Naast de psychische gevolgen heeft het ongeval ook grote financiële gevolgen voor de verdachte.
De advocaat verzoekt verder om bij een voorwaardelijk strafdeel de voorwaarden uit het reclasseringsadvies over te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een eenzijdig verkeersongeval op de A28 door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte heeft harder gereden dan was toegestaan en heeft tegelijkertijd een gevaarlijke inhaalmanoeuvre uitgevoerd door een auto van rechts in te halen en met aan abrupte stuurbeweging terug te sturen, waardoor hij in een slip is geraakt en uiteindelijk tegen een RIMOB, een metalen barrière en betonblokken is gebotst. Zowel de twee inzittenden als de verdachte zelf hebben hierdoor (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen.
Met zijn rijgedrag heeft de verdachte de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, de veiligheid van de inzittenden maar ook zijn eigen veiligheid ernstig in gevaar gebracht. Hoewel de gevolgen al groot zijn, had het nog veel erger kunnen aflopen. De verdachte kan van geluk spreken dat hij en de inzittenden het ongeluk hebben overleefd en dat er geen andere weggebruikers betrokken zijn geraakt bij het ongeval.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 5 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Ook na dit verkeersongeval is de verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 9 september 2026. In het rapport staat dat er zorgen over de verdachte zijn. Als gevolg van het opgelopen letsel door het ongeval heeft de verdachte zijn studie en werk moeten staken, heeft hij een huis nodig dat passend is bij zijn fysieke beperkingen, zijn er schulden ontstaan en moet hij nog geopereerd worden en revalideren. Daarnaast heeft de verdachte te kampen met psychische klachten als gevolg van deze situatie. Vanuit het oogpunt van zorg vindt de reclassering begeleiding van de verdachte belangrijk. Begeleiding zal er op gericht moeten zijn om de verdachte te ondersteunen bij het vorm geven van zijn leven in combinatie met het accepteren van zijn fysieke beperkingen. De reclassering adviseert daarom naast een meldplicht intensieve en outreachende ondersteuning bij [organisatie 2] . De verdachte kan zich in het advies van de reclassering vinden.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van zes maanden als uitgangspunt genomen.
De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt als uitgangspunt. De rechtbank ziet wel aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van dit uitgangspunt en een deel van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Daarbij houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het gepleegde feit en het gegeven dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Daarnaast is de verdachte zelf ook enorm getroffen door de gevolgen van het ongeval. De verdachte ondervindt tot aan de dag van vandaag de fysieke gevolgen van zijn handelen. Zo loopt hij met krukken, omdat hij blijvend letsel heeft opgelopen aan zijn knie. Zijn knie is chronisch verstijfd waardoor hij deze – ondanks dat hij hieraan geopereerd is - niet meer kan buigen. De verdachte kan hierdoor geen trappen meer lopen, wat ertoe heeft geleid dat hij zelfs niet meer thuis kan wonen. Binnenkort wordt de verdachte nogmaals geopereerd en krijgt hij een kunstheup. Daarnaast heeft de verdachte mentale klachten door het ongeval en de gevolgen van het ongeval en heeft hij moeten stoppen met zijn opleiding en werk als gevolg van het ongeval.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in combinatie met het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring en daarmee tot een lagere schuldgradatie komt dan de officier van justitie (namelijk aanmerkelijke schuld in plaats van ernstige schuld), zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan is gevorderd.
Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die zijn geadviseerd door de reclassering en die nader staan omschreven in de beslissing (punt 7 van dit vonnis). De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte met deze bijzondere voorwaarden hulp krijgt bij het vormgeven van zijn leven na het ongeval. De verdachte heeft op de zitting ook aangegeven deze hulp graag te willen.
Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging van zes maanden opleggen.
6. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
7. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
- bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 60 uur, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte:
* meldplicht
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de [organisatie 1] , op de [adres 2] in [plaats] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
* ambulante begeleiding
zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door [organisatie 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink, voorzitter, mr. L.M. Reijnierse en mr. L.L. Veendrick, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 23 oktober 2025, te Amersfoort, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A28, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- door het stuur van het voertuig enige tijd niet vast te houden, en/of
- terwijl de ruiten van voornoemd voertuig (deels) beslagen waren en/of
- met een hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse voor een veilig verkeer verantwoord was te rijden en/of
- ( vervolgens) met onverminderde snelheid een personenauto (die op rijstrook 2 reed) rechts in te halen (via rijstrook 3) en/of
- ( vervolgens) een abrupte en/of plotselinge beweging met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rijstrook 1 te maken en/of (daarbij) een rood kruis te negeren en/of
- ( vervolgens) in een slip te geraken en/of de controle over de door hem, verdachte, bestuurde personenauto te verliezen, althans de door hem verdachte, bestuurde personenauto, niet, althans niet voldoende, voortdurend onder controle te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze te regelen dat hij, verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) met de voorzijde tegen een rimpelbuisobstakelbeveiliger (RIMOB) gelegen aan de rechterzijde van de rijbaan aan te botsen en/of (vervolgens) een metalen barrière en/of betonblokken te raken, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 23 oktober 2025, te Amersfoort, althans in Nederland, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
- het stuur van het voertuig enige tijd niet vast te houden, en/of
- terwijl de ruiten van voornoemd voertuig (deels) beslagen waren en/of
- met een hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse voor een veilig verkeer verantwoord was te rijden en/of
- ( vervolgens) met onverminderde snelheid een personenauto (die op rijstrook 2 reed) rechts in te halen (via rijstrook 3) en/of
- ( vervolgens) een abrupte en/of plotselinge beweging met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rijstrook 1 te maken en/of (daarbij) een rood kruis te negeren en/of
- ( vervolgens) in een slip te geraken en/of de controle over de door hem, verdachte, bestuurde personenauto te verliezen, althans de door hem verdachte, bestuurde personenauto, niet, althans niet voldoende, voortdurend onder controle te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze te regelen dat hij, verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) met de voorzijde tegen een rimpelbuisobstakelbeveiliger (RIMOB) gelegen aan de rechterzijde van de rijbaan aan te botsen en/of (vervolgens) een metalen barrière en/of betonblokken te raken, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 23 oktober 2025, te Amersfoort, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A28,
- door het stuur van het voertuig enige tijd niet vast te houden, en/of
- terwijl de ruiten van voornoemd voertuig (deels) beslagen waren en/of
- met een hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse
toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of gelet op de situatie
ter plaatse voor een veilig verkeer verantwoord was heeft gereden en/of
- ( vervolgens) met onverminderde snelheid een personenauto (die op rijstrook 2
reed) rechts heeft ingehaald (via rijstrook 3) en/of
- ( vervolgens) een abrupte en/of plotselinge beweging met de door hem, verdachte,
bestuurde personenauto naar rijstrook 1 heeft gemaakt en/of (daarbij) een rood
kruis heeft genegeerd en/of
- ( vervolgens) in een slip is geraakt en/of de controle over de door hem, verdachte,
bestuurde personenauto heeft verloren, althans de door hem verdachte, bestuurde
personenauto, niet, althans niet voldoende, voortdurend onder controle heeft
gehouden en/of
- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990
de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige
wijze heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te
brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) met de voorzijde tegen een rimpelbuisobstakelbeveiliger (RIMOB)
gelegen aan de rechterzijde van de rijbaan is gebotst en/of (vervolgens) een metalen
barrière en/of betonblokken heeft geraakt,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van aanrijding, voor zover inhoudende:
Locatie ongeval
Datum: 23 oktober 2025
Locatienaam: A28
Plaats: Amersfoort
Maximum snelheid: 100 km per uur.
Verdachte: [verdachte] , bestuurder Renault [kenteken] .
Bij het ongeval hebben de volgende personen letsel opgelopen:
[slachtoffer 1] , passagier.
[slachtoffer 2] , passagier.
Een proces-verbaal FO verkeer, voor zover inhoudende:
Op 23 oktober 2025 had op de Rijksweg A28 in Amersfoort een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit verkeersongeval was een Renault Clio betrokken.
De Renault is in een slip geraakt voor de RIMOB. Vervolgens is de Renault tegen de RIMOB gebotst.In de uitloop na de botsing heeft de Renault aan de linkerzijde van de rijbaan de metalen barrière en de betonblokken geraakt.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende:
De weginspecteurs van Rijkswaterstaat hebben op 23 oktober 2025 verteld dat rijstrook 1 ten tijde van de aanrijding gesloten was middels rode kruizen op de matrixborden boven de snelweg.
Een proces-verbaal van de verklaring van getuige [A] , voor zover inhoudende:
Op 23 oktober 2025 zag ik in de spiegels lampen op mijn auto aan komen rijden met een enorme snelheid. Ik zag daarna die auto rechts kort voor mij langs schieten. Daarna schoot hij rechts naar de punt van de vangrail en botste daar tegen aan.
Ik reed rond de 115 km/u.
V: Wat is uw inschatting van de snelheid van het verongelukte voertuig?A: Dat zal zeker 140 km/h zijn geweest, hij vloog ons voorbij.
Een proces-verbaal van de eerste verklaring van getuige [B] , voor zover inhoudende:
Ik reed op rijstrook 3. Ik zag dat op rijstrook 2 een voertuig met kenteken [kenteken] mij in kwam halen. Ik schat dat dit voertuig ongeveer 130 kilometer per uur reed, want het snelheidsverschil met mijn voertuig was aanzienlijk. Ik zag dat het voertuig voor mij langs weer naar rijstrook 3 kwam. Ik zag dat het voornoemde voertuig aan de rechterzijde een Audi inhaalde die op rijstrook 2 reed. Ik zag dat het voornoemde voertuig voor de Audi langs schoot rijstrook 2 op en doorschoot naar rijstrook 1. Ik zag dat het voertuig terwijl het doorschoot naar rijstrook 1, probeerde terug te sturen naar rijstrook 2, om niet de vangrails te raken.
Een proces-verbaal van de tweede verklaring van getuige [B] , voor zover inhoudende:
De Renault kwam met een behoorlijk snelheid aangereden wat ik in mijn spiegel zag, ik zag hem naar de meest rechter baan gaan nadat hij mij had ingehaald, hij schoot naar rechts, de Audi voorbij rijdend en daarna voor die Audi terug gaan naar links, kort voor de Audi langs. Het was een krachtige beweging, een soort kamikaze-actie.Rijstrook 1 was afgekruisd, ik zag dat de Renault naar rijstrook 1 schoot en weer vol naar rechts stuurde als in een stuurcorrectie. Ik zag dat de Renault tegen de vangrail aankwam. De auto reed naar mijn inschatting ongeveer 130 km/u, het was een aanzienlijk snelheidsverschil met mij. Ik had de cruisecontrol aanstaan en ingesteld op 110 km/h.
Een geneeskundige verklaring met betrekking tot [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende:
[slachtoffer 2]
Datum onderzoek: 24/10/2025
Uitwendig waargenomen letsel:
- kneuzing knieën
- hersenschudding
Geschatte duur genezing: enkele weken.
Een proces-verbaal van de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 2] op 8 november 2025, voor zover inhoudende:
Ik kan nog niet op mijn rechter knie staan en loop op krukken. Ik kan nu niet werken, ik hou dat maximaal twee uur vol.
Een brief van de orthopeed met betrekking tot [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende:
[slachtoffer 1]
Dit zijn alle fracturen:
24-10
1. C2 #hangman fractuur
2. C6# teardrop fracture type B3
3. Fractuur costa9 links. Conservatief
4. Longcontusie haarden linker bovenkwab. Conservatief
5. Kaliberwisseling en onregelmatig verloop van de arteria vertebralis links net proximaal van de C2 fractuur, cave dissectie.
6. Linker elleboog processus coronoideus fractuur.
Een proces-verbaal van de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] op 9 december 2025, voor zover inhoudende:
V: Wat is uw aard van het letsel?A: Gebroken nek, gebroken ribben, linker gebroken arm, gekneusde long, gekneusde heup. V: Is er uitzicht op en de duur van de genezing van uw verwondingen?A: Langer dan 12 weken, haloframe draag ik zelf 12 weken.