VoetbalTV B.V., uit Zeist, verzoekster
(gemachtigden: mr. Q.R. Kroes en mr. M. Rijsenbrij),
en
Autoriteit Persoonsgegevens, verder te noemen: de AP, verweerder
(gemachtigde: mr. dr. B.J.P.G. Roozendaal en mr. S.D. Hendriks).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om schadevergoeding van verzoekster van € 25.000,-.
Verzoekster heeft op 12 juli 2024 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de AP met het verzoek om aansprakelijkheid te erkennen. De AP heeft dit verzoek afgewezen op 5 september 2024.
Verzoekster heeft op 25 september 2024 bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend. De AP heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het verzoek op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben aan de kant van verzoekster deelgenomen: [A] (bestuurder), [B] (Chief Corporate officer-Talpa) en haar gemachtigden en aan de kant van de AP: mr. [C] (senior-adviseur afdeling beroep) en haar gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging er aan het verzoek om schadevergoeding vooraf?
2. Verzoekster exploiteerde een videoplatform voor het amateurvoetbal. Zij maakte in opdracht van voetbalclubs videoregistraties van wedstrijden in het amateurvoetbal. Begin 2020 namen 153 clubs deel aan VoetbalTV en werden er maandelijks ongeveer 2500 tot 3000 wedstrijden opgenomen en uitgezonden. Daarnaast was VoetbalTV een sociaal platform. De VoetbalTV-app werd naar schatting door 520.000 mensen gebruikt. Op het VoetbalTV-platform kon men voetbalmomenten terugkijken, wedstrijden analyseren, gegevens verzamelen en delen met anderen. Een eigen redactie van eiseres verzamelde verder ‘highlights’ zoals doelpunten en kansen en vertoonde die. Ook konden trainers/analisten gebruik maken van een analysetool.
3. De AP heeft onderzoek gedaan naar de privacy van spelers en toeschouwers bij VoetbalTV. Dit onderzoek leidde tot een concept onderzoeksrapport van 15 mei 2019 en na een zienswijze van eiseres tot een definitief onderzoeksrapport van 6 november 2019. Hierin concludeerde de AP dat eiseres onrechtmatig persoonsgegevens verwerkte. De AP heeft vervolgens op 22 november 2019 het voornemen uitgebracht om tot handhaving over te gaan. Op 29 november 2019 heeft verzoekster een zienswijze ingediend. Omdat een besluit tot handhaving uitbleef, heeft eiseres op 20 mei 2020 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen door de AP.
4. De AP heeft vervolgens met haar besluit van 16 juli 2020 aan verzoekster een boete opgelegd van € 575.000,- voor het onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens. Volgens de AP had verzoekster een zuiver economisch belang bij de verwerking van persoonsgegevens en kan dat nooit een gerechtvaardigd belang zijn, omdat een gerechtvaardigd belang een belang is dat in (algemene) wetgeving of elders in het recht is benoemd als een rechtsbelang. De verwerking van die persoonsgegevens was daarom niet noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, zodat verzoekster in strijd heeft gehandeld met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, en niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
5. Op 11 september 2020 heeft de rechtbank Midden-Nederland het faillissement van verzoekster uitgesproken
6. De rechtbank Midden-Nederland heeft in haar uitspraak van 23 november 2020 geoordeeld dat de toetsing van de AP in dit geval uitgaat van een verkeerde interpretatie van het begrip ‘gerechtvaardigd belang’ en daarom in strijd is met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG. De AP heeft daarna niet de vereiste noodzakelijkheidstoets (stap 2) en belangenafweging (stap 3) gemaakt en daarmee de verwerking van de persoonsgegevens niet volledig onderzocht. De rechtbank heeft het besluit van 16 juli 2020 vernietigd en bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
7. Met de uitspraak van 27 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) – kort gezegd – de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Wat verzoekt verzoekster?
8. Verzoekster verzoekt een schadevergoeding van € 25.000,- omdat zij schade heeft geleden door onrechtmatig handelen van de AP. De AP heeft de bedrijfsvoering van verzoekster kort na de lancering van Voetbal TV in kwaad (privacy)daglicht gesteld, zonder enig voorafgaand onderzoek. Verzoekster heeft een jaar moeten wachten op een boeterapport en het voornemen is gebaseerd op een te strenge wetsuitleg zonder precedent. Ondanks kritiek op de interpretatie door de AP van het ‘gerechtvaardigd belang’ vanuit de wetenschap en zelfs de Europese Commissie, heeft de AP volhard in haar voornemen om een boete op te leggen. Verzoekster stelt dat zij schade heeft geleden door het onrechtmatige besluit, door de wijze waarop dat tot stand is gekomen, en door de volharding van de AP in de onjuiste normuitleg sindsdien. Hieronder vallen volgens verzoekster het definitieve boeterapport en het voornemen. Verzoekster heeft hierdoor in 2018 en 2019 haar voorgenomen activiteiten beperkt kunnen ontplooien en in 2020 door het handelen van de AP volledig moeten staken. Verzoekster stelt dat zij aanmerkelijke schade heeft geleden in verband met gederfde inkomsten, kosten in verband met gedwongen afschaling van bedrijfsactiviteiten, kosten voor vaststelling van schade en schade aan het merk en de goodwill van verzoekster. Het bedrag van € 25.000,- verzoekt verzoekster wegens inkomstenderving. Verzoekster gaat voor dit bedrag uit van gemiste sponsorinkomsten en nieuwe clubcontracten.
Wat vindt de AP?
9. De AP stelt zich op het standpunt dat het vernietigde besluit van 16 juli 2020 weliswaar een onrechtmatig besluit is, maar dat de gestelde geleden schade niet het gevolg is van het vernietigde onrechtmatige besluit, maar het gevolg is van feitelijk handelen van de AP. Tot vergoeding van die schade is de bestuursrechter niet bevoegd. Alleen gedragingen die genoemd zijn in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen aan een verzoek om schadevergoeding bij de bestuursrechter ten grondslag worden gelegd. Verzoekster maakt echter niet duidelijk welke gedragingen zij – anders dan het onrechtmatige besluit – aan het verzoek om schadevergoeding ten grondslag legt. Verzoekster legt niet uit wat er bedoeld wordt met ‘de wijze waarop het handhavingsbesluit tot stand is gekomen”. Verzoekster wijst alleen naar een vernietigd besluit waarvan de onrechtmatigheid vast zou staan. Verzoekster stelt dat het stellen van vragen en het doen van onderzoek - wat deel is van de wettelijke taak van de AP - de schadeoorzaak is en onrechtmatig is. Maar het stellen van vragen, het doen van onderzoek, het opstellen van een (ontwerp)rapport, hetgeen heeft uitgemond in een voornemen tot handhaving, valt niet onder artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en valt dus buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter. Ook betekent de omstandigheid dat het besluit van 16 juli 2020 onrechtmatig is, niet dat handelingen die daaraan vooraf zijn gegaan onrechtmatig zijn. Tot slot stelt de AP dat verzoekster zich ter onderbouwing van de bevoegdheid van de bestuursrechter niet beroept op het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, onder b, van de Awb. Daarbij moet het namelijk gaan om handelingen met het oog op het verkrijgen van een bepaald besluit dat voldoet aan de door een bestuursorgaan gestelde eisen. Gelet op al het voorgaande kan deze procedure alleen gaan om schade die het gevolg zou zijn van het handhavingsbesluit van 16 juli 2020.
Toetsingskader
10. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, voor zover hier van belang, een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
11. Bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding zoekt de rechtbank zoveel mogelijk aansluiting bij het schadevergoedingsrecht in het Burgerlijk Wetboek (BW).
Beoordeling
Is er sprake van een onrechtmatig besluit?
12. Met de (gehele of gedeeltelijke) vernietiging door de rechter van een besluit (art. 8:72, eerste lid, van de Awb) is de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven. Dat het door de rechtbank vernietigde besluit van 16 juli 2020 onrechtmatig is, is ook niet in geschil. Verzoekster heeft dit onrechtmatige besluit mede aan haar verzoek ten grondslag gelegd.
Is er sprake van een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit
13. Het gaat hierbij om een categorie handelingen die op zichzelf in beginsel niet vatbaar zijn voor bezwaar of beroep. De voorbereidingshandeling moet onrechtmatig zijn en om een ingang bij de bestuursrechter te hebben moet ook het daaropvolgende besluit onrechtmatig zijn. De AP heeft onder meer gesteld dat verzoekster ten aanzien van de onrechtmatige voorbereidingshandeling geen ingang heeft bij de bestuursrechter, omdat zij niet duidelijk maakt om welke schadeoorzaak het naast het onrechtmatige besluit van 16 juli 2020 gaat en het enkel om feitelijk handelen zou gaan. De rechtbank oordeelt anders. Verzoekster heeft, omdat het besluit van 16 juli 2020 onrechtmatig is en zij stelt dat er sprake is van een onrechtmatige voorbereidingshandeling, een ingang bij de bestuursrechter. Daarnaast blijkt uit de tekst van het verzoekschrift voldoende duidelijk dat verzoekster de ‘onrechtmatige voorbereidingshandeling’ van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb ook aan haar verzoek ten grondslag legt.
14. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er in deze zaak sprake is van een onrechtmatige voorbereidingshandeling. De rechtbank overweegt in dit verband dat de AP bevoegd is om een onderzoek in te stellen naar de verwerking van videobeelden van voetbalwedstrijden door VoetbalTV. Dit is ook niet betwist. Verder is niet aangevoerd of gebleken dat de onderzoeksmethode zelf onrechtmatig is geweest. Ook is niet aangevoerd of gebleken dat het opstellen van een boeterapport als zodanig naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek onrechtmatig is. Deze voorbereidingshandelingen leiden de rechtbank daarom niet tot het oordeel dat er sprake is van een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
15. De rechtbank oordeelt echter dat dit anders is ten aanzien van het voornemen. Een voornemen is een handeling ter voorbereiding van een besluit. Of het voornemen in dit geval een voorbereidingshandeling is die onrechtmatig is, hangt af van de vraag of de AP bij de totstandkoming van dat voornemen de zorgvuldigheid in acht heeft genomen, die van haar gevergd mocht worden met het oog op de voor haar kenbare belangen van verzoekster.
Die zorgvuldigheid heeft de AP naar het oordeel van de rechtbank niet betracht. De AP heeft haar voornemen immers gebaseerd op een onjuiste interpretatie van het begrip ‘gerechtvaardigd belang’. Daardoor is de AP niet toegekomen aan een volledig onderzoek naar Voetbal TV, terwijl er in de toen bestaande (Europese) jurisprudentie geen aanknopingspunten waren voor de door de AP gehanteerde uitleg. Het Hof van Justitie van de Europese Unie had bij herhaling bevestigd dat het lidstaten niet vrijstaat om een beroep op het gerechtvaardigd belang voor bepaalde categorieën verwerkingen op voorhand of categorisch uit te sluiten. De uitleg van de AP strookte ook niet met de uitleg hiervan in de opinie van Werkgroep artikel 29. de AP had juist gelet op de bestaande jurisprudentie – ook achteraf bezien – het begrip moeten interpreteren aan de hand van de (Europese) jurisprudentie. Door dat niet op een open en flexibele manier te doen heeft AP niet de vereiste noodzakelijkheidstoets en belangenafweging gemaakt en is zij niet zorgvuldig omgegaan met de kenbare belangen van verzoekster. Verzoekster voert in dit verband dan ook terecht aan dat het gaat om een voornemen dat onrechtmatig is.
Tussenconclusie
16. De rechtbank oordeelt dat het vernietigde besluit van 16 juli 2020 een onrechtmatig besluit is als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Het voornemen van 22 november 2019 is een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.
Is er sprake van causaal verband tussen de gestelde schade en het bestreden besluit?
17. De rechtbank stelt vast dat de gestelde geleden schade als aangevoerd door verzoekster in deze procedure gebaseerd is op het afhaken van sponsoren in november 2019 en het niet aansluiten van nieuwe clubs nadien. Deze gestelde schadeoorzaken vonden plaats naar aanleiding van het boeterapport/voornemen voorafgaand aan het nemen van het onrechtmatige besluit. De rechtbank ziet om deze reden geen causaal verband tussen de thans gestelde geleden schade en het onrechtmatige besluit.
Is er sprake van een causaal verband tussen de gestelde schade en het voornemen?
18. Uit artikel 6:162, eerste lid, van het BW, vloeit voort dat voor vergoeding van de door verzoekster gestelde geleden schade onder meer is vereist dat er een verband is tussen de gestelde schadeoorzaak en de gestelde schade. Dit oorzakelijk verband, het zogenoemde conditio sine qua non-verband (csqn-verband), wordt vastgesteld door het maken van een vergelijking tussen de situatie waarin verzoekster in werkelijkheid na het voornemen verkeerde en de hypothetische situatie waarin zij zich zonder de gestelde schadeoorzaak zou hebben bevonden. De hoofdregel is dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van het csqn-verband op de benadeelde rusten. Bij deze beoordeling moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop het onrechtmatige voornemen is genomen. Verder komt, gelet op het bepaalde in artikel 6:98 van het BW, slechts voor vergoeding in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
19. Verzoekster voert aan dat er een csqn-verband is tussen onder meer het onrechtmatige voornemen van de AP en de gestelde schade. Door het voornemen is zij genoodzaakt geweest de sponsoren in te lichten over een op handen zijnde boete of last onder dwangsom en zijn in ieder geval de grote sponsoren ING en KPN afgehaakt, hebben nieuwe voetbalclubs zich niet gemeld, dan wel heeft verzoekster geen nieuwe voetbalclubs meer aangesloten. Als de AP een hypothetisch rechtmatig besluit had genomen dan had verzoekster het concept VoetbalTV kunnen aanpassen en was er volgens verzoekster geen schade, of niet dezelfde schade geleden. Volgens verzoekster is er geen hypothetisch rechtmatig besluit denkbaar, dat naar aard en omvang dezelfde schade had veroorzaakt als VoetbalTV nu daadwerkelijk heeft geleden. Volgens verzoekster was het enige rechtmatige hypothetische alternatief voor het onrechtmatige besluit namelijk dat de AP had afgezien van het opleggen van een boete aan VoetbalTV. Verzoekster stelt verder dat het, mede gelet op de (proces)houding van de AP, niet aannemelijk is dat de AP daadwerkelijk een rechtmatig besluit zou hebben genomen.
20. Volgens de AP is het onaannemelijk dat verzoekster de gestelde schade niet had geleden. De AP had in een hypothetisch rechtmatige situatie geoordeeld dat er een rechtmatig belang voor verwerking van persoonsgegevens aanwezig was voor VoetbalTV. Maar vervolgens had de AP moeten toetsen of de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk was voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang (stap 2). Tot slot had een afweging moeten plaatsvinden tussen de belangen van de VoetbalTV en de betrokken voetballers en toeschouwers (stap 3). Volgens de AP zou in een hypothetisch rechtmatige situatie ook een boete zijn opgelegd, omdat door verzoekster niet werd voldaan aan stap 2 en de belangenafweging van stap 3 in haar nadeel zou uitvallen. Ook dan hadden sponsoren en investeerders de onderhandelingen en samenwerking stopgezet.
21. De rechtbank stelt voorop dat zij het causale verband beoordeelt tussen het onrechtmatige voornemen en de gestelde geleden schade. De rechtbank moet daarvoor de situatie die is ontstaan door het onrechtmatig gebleken voornemen vergelijken met de situatie waarin direct bij aanvang wel een rechtmatig voornemen zou zijn genomen. Omdat dat laatste onzeker is, omdat er geen afweging ten aanzien van stap 2 en stap 3 is gemaakt, zal de rechtbank daarover een redelijke inschatting moeten maken. Als de schade in de hypothetische situatie dat er vanaf het begin een rechtmatig voornemen was genomen naar aard en omvang hetzelfde was geweest als bij het onrechtmatige voornemen, dan is er geen causaal verband.
22. Ongeacht de vraag of het gelet op de (proces)houding van de AP aannemelijk is dat de AP een hypothetisch rechtmatig voornemen zou hebben genomen, oordeelt de rechtbank dat het bij een hypothetisch rechtmatig voornemen in dit geval niet voor de hand ligt, dat de aard en omvang van de schade gelijk zou zijn geweest aan de omvang van de schade die verzoekster thans stelt geleden te hebben. De rechtbank vindt dat het redelijk is om te veronderstellen dat bij een hypothetisch rechtmatig voornemen, waarbij stap 2 en stap 3 wel door de AP waren onderzocht, er misschien nog steeds een boete opgelegd was (of een last onder dwangsom), maar dat verzoekster schadebeperkend had kunnen optreden door haar concept aan te passen. In dit kader overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat de tweede stap (de noodzakelijkheid van de gegevensverwerking voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang) genomen zou zijn, omdat de AP geen reëel alternatief heeft genoemd voor VoetbalTV. Het schrijven van artikelen of filmende coaches zijn wezenlijk anders dan het product dat verzoekster voor ogen stond en vormen daarvoor dan ook geen reëel alternatief. Verder is denkbaar dat een belangenafweging tot de conclusie had geleid dat er nadere voorwaarden zouden zijn gesteld zoals bijvoorbeeld beperking naar regio, uitzenden met vertraging, zodat beelden aangepast kunnen worden of aanpassen van de minimale leeftijd naar bijvoorbeeld 18 jaar. Verzoeksters concept had daarop aangepast kunnen worden, zonder dat het meteen geheel zou hoeven verdwijnen. Verzoekster heeft steeds aangegeven bereid te zijn hierover in gesprek te gaan met de AP, waaruit ook blijkt dat zij graag verder wilde met haar project. Als er nadere voorwaarden zouden zijn gesteld had verzoekster zich niet genoodzaakt hoeven voelen haar sponsoren te informeren over het standpunt van de AP dat zij geen ‘gerechtvaardigd belang’ had. Het ontbreken van een gerechtvaardigd belang heeft namelijk een veel verdergaande strekking dan het aanpassen van de plannen zou hebben gehad. Doordat nu is vastgesteld dat geen gerechtvaardigd belang bestond, kon verzoekster niet verder met VoetbalTV. Wellicht was VoetbalTV na aanpassingen minder interessant geweest voor sommige sponsoren, maar er is geen aanleiding om aan te nemen dat de sponsoren volledig afgehaakt zouden zijn. De rechtbank houdt het ervoor dat verzoekster dan minder schade had geleden.
23. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat er een causaal verband is tussen het onrechtmatige voornemen en door verzoekster gestelde schade.
24. Omdat een causaal verband wordt aangenomen tussen het onrechtmatige voornemen en de gestelde schade moet de rechtbank beoordelen of de gestelde schade in redelijkheid als gevolg van dat voornemen is aan te merken. De rechtbank overweegt daarover als volgt. In het voornemen verwijst de AP naar het definitieve boeterapport en deelt mee dat zij gelet daarop voornemens is een boete of een last onder dwangsom op te leggen. Verzoekster heeft zich op grond daarvan genoodzaakt gezien om de twee grote sponsoren KPN en ING te informeren over dit standpunt, waarna zij beiden zijn afgehaakt. Dat de sponsoren zijn afgehaakt is neergelegd in onder meer een gezamenlijke verklaring van de voormalig CEO van verzoekster en de voormalig commercieel en algemeen directeur van de KNVB van 24 september 2024. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen, te meer nu deze verklaring op zitting door de voormalig CEO van verzoekster is bevestigd. De rechtbank heeft ook geen reden om te twijfelen aan de mededeling van verzoekster dat zij als gevolg van het voornemen geen nieuwe voetbalclubs meer heeft aangesloten en niet op zoek is gegaan naar nieuwe sponsorpartnerships. In de wetenschap wat haar op basis van het voornemen wellicht boven het hoofd hing, lag dat ook niet voor de hand. Vervolgens vindt de rechtbank ook dat het afhaken van sponsoren en het niet verder aansluiten van nieuwe voetbalclubs als gevolg van dat voornemen is te kwalificeren. In het voornemen stelt de AP immers dat verzoekster geen ‘gerechtvaardigd belang’ heeft bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van VoetbalTV en beboet zal worden of een last onder dwangsom opgelegd zal krijgen. Tegen deze achtergrond is het logisch dat verzoekster de sponsoren, waarmee zij vergaand in onderhandeling is, hierover inlicht en dat die vervolgens afhaken ook. Het standpunt van de AP bood immers geen perspectief voor verzoekster om VoetbalTV (in een eventueel gewijzigde vorm) voort te zetten. De rechtbank vindt tot slot dat de AP ook heeft moeten begrijpen dat VoetbalTV als gevolg van het voornemen van de AP actie zou (moeten) ondernemen die tot schade zou leiden. Het voornemen hield immers in dat VoetbalTV geen gerechtvaardigd belang had bij de verwerking van de persoonsgegevens. Gelet op al het voorgaande kan de gestelde schade als gevolg van het onrechtmatige voornemen worden aangemerkt.
Tussenconclusie
25. De rechtbank vindt dat er een causaal verband is tussen het onrechtmatige voornemen en de gestelde schade en dat de gestelde schade in redelijkheid als gevolg van dat voornemen is aan te merken.
Omvang van de schade
26. Verzoekster stelt dat er verschillende soorten schade zijn, waarvan gederfde inkomsten de meest omvangrijke schadepost is. Die gederfde inkomsten hebben onder meer betrekking op het mislopen van sponsorgelden en inkomsten uit club-abonnementen. Volgens verzoekster blijkt uit het feitenrelaas genoegzaam dat die inkomstenderving heeft plaatsgevonden als gevolg van het optreden van de AP en is voldoende aannemelijk gemaakt dat de geleden schade in ieder geval meer is dan € 25.000,-. Om die reden zal verzoekster – kort gezegd – geen nadere onderbouwing geven van de totale omvang van deze schadepost of ingaan op andere schadeposten. Wel biedt verzoekster nadere onderbouwing en bewijs aan van alle geleden schade voor het geval de rechtbank van mening is dat het bestaan van € 25.000,- aan door verzoekster geleden schade onvoldoende aannemelijk zou zijn gemaakt.
27. De AP betwist de omvang van de schade. Dat het afnemen van sponsorgelden achterbleef bij de verwachtingen betekent volgens de AP niet dat dit komt door handelen van de AP. In de stukken zit geen enkele verklaring van een potentiële sponsor die aangeeft afgehaakt te zijn als gevolg van gedragingen van de AP. De AP heeft ook geen bewijs aangetroffen van de afspraken die met ING en KPN als launching partners over sponsoring zouden zijn gemaakt. Het ‘memo schadebegroting VoetbalTV’ van [naam] van 12 september 2024 volstaat niet als bewijs. De AP betwist verder ook het realiteitsgehalte van de prognoses over de groei van aangesloten voetbalclubs. Het achterblijven van de groei van de aangesloten clubs kan betekenen dat de verwachte groei te optimistisch was. De in het memo van [naam] gestelde verwachting over de groei kan niet beschouwd worden als bewijs van schade. Verder stelt de AP dat verzoekster als gevolg van het faillissement schuldenvrij is en een voordeel heeft genoten van vier miljoen euro. Daarom is volstrekt onduidelijk hoe zij kan stellen schade te hebben geleden. VoetbalTV is er bij een vergelijking van de vermogenspositie voor en na het beweerdelijk onrechtmatig handelen financieel flink op vooruit gegaan.
28. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen onder 24 heeft de rechtbank geen reden om eraan te twijfelen dat KPN en ING grote sponsoren van VoetbalTV zouden zijn en dat zij als gevolg van het onrechtmatige voornemen zijn afgehaakt. Welke schade verzoekster heeft geleden door het afhaken van deze sponsoren, is in deze procedure echter onvoldoende komen vast te staan. Als uitgangspunt in (ook) het bestuursrecht geldt dat het op de weg ligt van degene die stelt schade te hebben geleden door een onrechtmatige voorbereidingshandeling om die schade te bewijzen. Dat betekent dat verzoekster de schade moet bewijzen. Daar is verzoekster naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de betwisting van de gestelde schade, niet in geslaagd. Zij heeft de geleden schade niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Verzoekster heeft weliswaar het memo schadebegroting van [naam] overgelegd, maar verzoekster heeft geen (concept)sponsorcontracten of advertentieovereenkomsten overgelegd. Ook heeft ze geen andere bewijsstukken ter onderbouwing van de op handen zijnde sponsorovereenkomst met KPN en ING overgelegd. Uit de eenzijdige verklaring van de voormalig CEO van verzoekster en commercieel en algemeen directeur van de KNVB van 24 september 2024 is onvoldoende af te leiden welke concrete afspraken over sponsoring er waren gemaakt met KPN en ING. Verzoekster heeft hierdoor op het cruciale punt van de inkomstenderving door het afhaken van sponsors onvoldoende onderbouwing gegeven van de door haar gestelde schade. Overigens geldt dit ook voor de andere door verzoekster gestelde inkomstenderving zoals het niet aansluiten van nieuwe voetbalclubs. Ook daar heeft verzoekster geen bewijsstukken van overgelegd.
Tussenconclusie
29. Verzoekster is er niet in geslaagd om de omvang van haar schade te bewijzen.
Bewijsaanbod
30. Verzoekster heeft een bewijsaanbod gedaan ten aanzien van de gestelde schade. De rechtbank gaat aan dat aanbod voorbij om proceseconomische redenen. De procedure zal naar verwachting aanmerkelijk verlengd worden als verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld om de gestelde schade te onderbouwen. Verder is duidelijk dat zij stelt dat zij meer schade heeft geleden dan de gevorderde € 25.000,- zodat het geschil met een eventuele toewijzing daarvan niet zal zijn beëindigd. Gelet op de geschilpunten die de rechtbank in het voordeel van verzoekster heeft beslist, kunnen partijen in onderling overleg afspraken maken over de schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
31. Het verzoek wordt afgewezen, omdat verzoekster geen onderbouwing heeft gegeven van de door haar gestelde schade.
32. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de AP te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Dit omdat verzoekster op de meest principiële punten in het gelijk is gesteld; het voornemen is een onrechtmatige voorbereidingshandeling, er is een causaal verband tussen het onrechtmatige voornemen en de gestelde schade en de gestelde schade is in redelijkheid als gevolg van dat onrechtmatige voornemen aan te merken.
33. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank zal verder bepalen dat de AP aan verzoekster het betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat de AP het griffierecht van € 371,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de AP tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, mr. J.W. Wagenaar en mr. S.C.A. van Kuijeren, leden, in aanwezigheid van mr.L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.