RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12004852 \ UE VERZ 25-385
Beschikking van 16 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. P.A. van Stempvoort.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met vier producties, door de kantonrechter ontvangen op 5 december 2025,
- het verweerschrift met drie producties,
- de mail van 27 januari 2026 met een onttrekking aan de zaak door de gemachtigde van [verzoeker] .
Op 5 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan de zitting heeft de griffier contact gehad met de voormalig gemachtigde van [verzoeker] , mr. S.L.T.A. Scheepers. Hij heeft laten weten dat hij zijn client op de hoogte heeft gesteld van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling en van zijn onttrekking. [verzoeker] is niet verschenen op de mondelinge behandeling. [verweerder] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling laten vertegenwoordigen door mr. Van Stempvoort. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
[verzoeker] is op staande voet ontslagen vanwege rijden onder invloed en het veroorzaken van een aanrijding in die toestand tussen twee voertuigen van [verweerder] , met schade aan de auto’s als gevolg. [verzoeker] zegt dat dit nooit gebeurd is, maar [verweerder] heeft in haar verweer uitvoering onderbouwd dat dit wel zo is. [verzoeker] heeft daarop niet meer gereageerd. De door [verweerder] beschreven feiten leveren zonder meer een dringende reden op voor de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en nu ook aan de overige voorwaarden voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is voldaan, wijst de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] af. De kantonrechter stelt daarnaast op verzoek van [verweerder] vast dat [verweerder] bij de eindafrekening een bedrag van € 680,00 mocht verrekenen, voor de reparatie aan de aangereden auto en een openstaande verkeersboete van [verzoeker] .
3. De achtergrond van de zaak
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 2000, is per 4 augustus 2025 in dienst getreden bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is [functie] , met een loon van € 23,97 bruto per uur, voor een dienstverband van 40 uur per week.
Op 6 oktober 2005 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Dit ontslag is per Whatsapp en per e-mail aan [verzoeker] bevestigd. Uit de e-mail blijkt dat als dringende reden voor het ontslag op staande voet is opgegeven het rijden onder invloed en daarbij tegen een ander voertuig van [verweerder] aanbotsen. Deze zaken hebben zich voorgedaan op vrijdag 3 oktober 2025 en zaterdag 4 oktober 2025.
Omdat [verzoeker] gebruik maakte van door [verweerder] verschafte woonruimte, is hij ook gesommeerd die per direct te verlaten. Dat heeft [verzoeker] vervolgens ook gedaan.
4. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter het op 6 oktober 2025 verleende ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon. Voor zover de kantonrechter daartoe overgaat verzoekt [verzoeker] in het verlengde daarvan dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst alsnog onbindt, onder toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig omdat geen sprake was van een dringende reden. [verzoeker] betwist de onder 3.2 van dit vonnis beschreven gedragingen.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens [verweerder] was de dringende reden wel aanwezig. [verweerder] heeft dat nader onderbouwd met onder meer Whatsapp berichten van [verzoeker] , waarin hij de gedragingen erkent, zijn excuses aanbiedt en om een tweede kans vraagt en daarnaast met meerdere verklaringen van collega’s die het gestelde bevestigen.
[verweerder] heeft een bedrag van € 680,00 verrekend bij de eindafrekening na het ontslag op staande voet. Dit bestaat uit een verkeersboete van € 90,00 die is opgelegd ten aanzien van een door [verzoeker] gebruikt voertuig en een bedrag van € 590,00 voor de schade die is ontstaan aan de door [verzoeker] aangereden auto. [verweerder] heeft de kantonrechter verzocht dit bedrag als schadevergoeding toe te wijzen.
5. De beoordeling
Het gaat in deze zaak in eerste instantie om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van loon. Pas wanneer daarvan sprake is komt de kantonrechter toe aan de vraag of de arbeidsovereenkomst, die dan nog bestaat, moet worden ontbonden.
Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven
Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is gegeven.
Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder dat de werknemer daarmee schriftelijk instemt. Dat is anders als er sprake is van een dringende reden op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang mag beëindigen, ook wel een ontslag op staande voet genoemd.
De wet stelt drie eisen aan het ontslag op staande voet. Alleen als aan alle drie de eisen wordt voldaan is het ontslag op staande voet rechtsgeldig.
Allereerst moet er een dringende reden zijn. Een dringende reden kan bestaan als de werknemer zich zó gedraagt, dat het niet redelijk is om van de werkgever te verlangen dat hij hem nog in dienst houdt. Daarnaast moet het ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven en moet de dringende reden onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren.
Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het ontslag op staande voet aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. Dat wordt hierna toegelicht.
De onverwijldheid en de directe mededeling aan [verzoeker] worden door hem niet betwist. Ook wordt niet betwist dat áls vast komt te staan dat [verzoeker] onder invloed heeft gereden en een ongeval heeft veroorzaakt, inderdaad sprake is van een dringende reden voor onmiddellijke beëindiging van het dienstverband. Het verzoekschrift van [verzoeker] concentreert zich op de juistheid van de toedracht. [verzoeker] stelt dat geen van de door [verweerder] gestelde feiten hebben plaatsgevonden, dat niemand hem daadwerkelijk heeft zien drinken en dit ook niet door een blaas- of bloedtest of enig ander bewijsmiddel is vastgesteld.
[verweerder] heeft dit naar het oordeel van de kantonrechter in haar verweerschrift weerlegd. [verweerder] heeft de Whatsapp conversatie overgelegd waarin [verzoeker] zelf toegeeft dat hij de schade heeft veroorzaakt, zijn excuses aanbiedt, aanbiedt de schade te vergoeden en vraagt om een tweede kans. Daarnaast heeft [verweerder] verschillende verklaringen overgelegd van collega’s, die uit eigen waarneming hebben verklaard dat [verzoeker] gedurende de hele nacht van 3 op 4 oktober 2025 alcohol heeft gedronken en daarna zonder toestemming van [verweerder] in haar bedrijfsauto heeft gereden en een aanrijding heeft veroorzaakt met een ander voertuig van [verweerder] . Daarnaast is verklaard dat hij verschillende collega’s in beschonken toestand heeft gebeld buiten werktijd. Naast het feit dat [verzoeker] dit daarna niet meer heeft weersproken, terwijl hij daarvoor nog wel de gelegenheid had, is de kantonrechter van oordeel dat de overgelegde verklaringen authentiek en geloofwaardig zijn en bovendien worden ondersteund door de eigen woorden van [verzoeker] in de Whatsapp conversatie. De kantonrechter is van oordeel dat daarom de dringende reden wel vast staat.
Nu aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is voldaan, wijst de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] af. Het ontbindingsverzoek is daarom ook niet meer aan de orde.
[verweerder] mocht het bedrag van € 680,00 verrekenen met de eindafrekening
Met betrekking tot de door [verweerder] verzochte toekenning van een schadevergoeding van in totaal € 680,00 overweegt de kantonrechter als volgt.
[verweerder] heeft de kantonrechter verzocht vast te stellen dat zij het hiervoor genoemde bedrag mocht verrekenen. Hoewel dit in het verzoekschrift is geformuleerd als het toekennen van een schadevergoeding, heeft de gemachtigde van [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het bedrag door de verrekening reeds is voldaan en de bedoeling is dat de kantonrechter vast stelt dat deze verrekening juist was. De kantonrechter begrijpt dit zo dat eigenlijk een verklaring voor recht wordt gevraagd.
De kantonrechter overweegt dat de verkeersboete is onderbouwd met een schriftelijk stuk en verder niet is weersproken. Die staat daarmee vast. De kosten voor reparatie van de door [verzoeker] aangereden auto bedragen volgens [verweerder] € 590,00. Dit betreft herstel aan een velg en een spiegel. Hoewel er geen factuur is overgelegd staat mede op grond van de appberichten van [verzoeker] wel vast dat [verzoeker] schade heeft veroorzaakt aan de auto en uit de overgelegde verklaringen blijkt dat hij inderdaad tegen de zijkant van de auto is aangereden. [verzoeker] heeft deze schade ook niet (meer) betwist. De kantonrechter vindt het opgevoerde bedrag aan schade niet buitensporig en zal daarom de bedoelde verklaring voor recht toewijzen.
[verzoeker] wordt in de proceskosten veroordeeld
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
De door [verweerder] verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad wordt ook toegewezen. Dat betekent dat partijen direct aan de beschikking moeten voldoen, ook als één van partijen hoger beroep instelt.
6. De beslissing
De kantonrechter
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
verklaart voor recht dat [verweerder] een bedrag aan € 680,00 mocht verrekenen bij de eindafrekening,
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
184