ECLI:NL:RBMNE:2026:661

ECLI:NL:RBMNE:2026:661

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 16-02-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 11946330 \ UE VERZ 25-333
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Billijke vergoeding en vergoeding voor werkelijke proceskosten nadat werkgever werknemer voor een tweede keer op staande voet ontslaat, terwijl een eerder gegeven ontslag op staande voet op dezelfde grond is vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 11946330 \ UE VERZ 25-333 BJvd/61169

Beschikking van 16 februari 2026

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend in [plaats] ,

verzoekende partij,

verwerende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. M.C.G.M. van den Heuvel,

tegen

[verweerder] ,

gevestigd in [plaats] ,

verwerende partij,

verzoekende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. R.K.A. Kop.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties 1 t/m 11,

- het verweerschrift, met een tegenverzoek en producties 1 t/m 3,

- de aanvullende productie bij het verweerschrift,

- de aanvullende producties 4 t/m 9 met bijlagen bij het verweerschrift.

Op 2 januari 2026 is namens [verweerder] verzocht om uitstel van de geplande mondelinge behandeling. [verzoekster] heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Namens de kantonrechter is aan partijen vervolgens bericht dat het verzochte uitstel niet wordt verleend en de mondelinge behandeling doorgang zal vinden zoals gepland.

Op 12 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen mevrouw [verzoekster] , bijgestaan door mr. M.C.G.M. van den Heuvel en mevrouw [persoon1] en de heer [persoon2] (gezamenlijk eigenaar van [verweerder] ), bijgestaan door mr. R.K.A. Kop. Aan de stukken zijn de pleitnota aan de zijde van [verzoekster] met aangehecht overzicht van de juridische kosten en de pleitnota aan de zijde van [verweerder] toegevoegd.

Vervolgens is de uitspraak van beschikking nader bepaald op vandaag.

2. De kern van de zaak

In deze zaak gaat het om de vraag of [verweerder] [verzoekster] voor de tweede keer op staande voet mocht ontslaan, nadat in een vorige procedure tussen partijen is geoordeeld dat een eerder gegeven ontslag op staande voet op nagenoeg dezelfde gronden niet rechtsgeldig was en dat ontslag op staande voet is vernietigd. De kantonrechter is van oordeel dat ook het tweede ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en kent [verzoekster] een billijke vergoeding en een vergoeding voor de werkelijke advocaatkosten toe. Voor het merendeel van de tegenverzoeken van [verweerder] oordeelt de kantonrechter dat [verweerder] niet-ontvankelijk is, omdat over deze verzoeken in een eerdere procedure al een oordeel is gegeven. Het tegenverzoek van [verweerder] tot betaling van de door haar betaalde kosten aan het CAK wordt toegewezen.

3. De achtergrond van de zaak

[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1991, is op 1 september 2021 in dienst getreden bij [verweerder] (een kinderopvang). De functie van [verzoekster] is [functie] met een loon van € 2.090,01 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag) op basis van een 24-urige werkweek. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Kinderopvang van toepassing.

Door uitval van de eigenaren in de periode van 2022 tot eind 2024 heeft [verzoekster] ook organisatorische werkzaamheden bij [verweerder] verricht. Op 7 maart 2025 is [verzoekster] op staande voet ontslagen, met als dringende reden: (i) diefstal van salaris, dan wel dagdieverij, doordat [verzoekster] bewust minder uren zou hebben gewerkt dan het aantal contracturen dat zij uitbetaald heeft gekregen en (ii) diefstal, dan wel frauduleus handelen door [verzoekster] met betrekking tot de opvanguren van haar dochter [naam 1] bij [verweerder] .

In de beschikking van deze rechtbank van 18 juli 2025 is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, omdat [verweerder] onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het geven van het ontslag op staande voet. Op 25 februari 2025 ontstond vanuit [verweerder] wantrouwen richting [verzoekster] met betrekking tot de uren die zij had gewerkt en het betalen voor de opvang van [naam 1] . Op die dag heeft [verweerder] ook al aangegeven bij [verzoekster] dat er afscheid genomen moest worden, terwijl [verzoekster] pas op 7 maart 2025 op staande voet werd ontslagen. Het ontslag op staande voet werd vernietigd en er is op het verzoek van [verweerder] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden bepaald dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden per 1 september 2025 omdat de verhouding tussen partijen is verstoord. Ook is in de beschikking geoordeeld dat [verzoekster] niet verwijtbaar heeft gehandeld, omdat niet is komen vast te staan dat [verzoekster] meer uren betaald heeft gekregen dan zij heeft gewerkt of dat [verzoekster] niet heeft betaald voor de opvang van [naam 1] terwijl zij dat wel had moeten doen.

Op 30 augustus 2025 is [verzoekster] opnieuw op staande voet ontslagen. In de elf pagina’s tellende ontslagbrief komt naar voren dat [verzoekster] op staande voet is ontslagen op de volgende gronden: (i) dagdieverij, in die zin dat [verzoekster] bewust minder uren heeft gewerkt dan het aantal contracturen dat zij uitbetaald heeft gekregen en dat [verzoekster] op woensdagmiddag meerdere keren met haar stiefdochter [naam 2] naar zwemles ging en (ii) diefstal, dan wel frauduleus handelen door [verzoekster] met betrekking tot de opvanguren van haar dochter [naam 1] bij [verweerder] .

4. De beoordeling van de verzoeken

Het juridisch kader bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet

Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.

Het (tweede) ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat ook het tweede ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Het ontslag op staande voet van 30 augustus 2025 is vrijwel op dezelfde feiten en omstandigheden gebaseerd als het eerste ontslag op staande voet, namelijk frauduleus handelen van [verzoekster] ten aanzien van haar werkuren en de opvang van [naam 1] , afgezien dat [verweerder] [verzoekster] nu ook verwijt dat [verzoekster] met haar stiefdochter [naam 2] naar zwemles ging onder werktijd. Ook deze gebeurtenis heeft lang geleden plaatsgevonden, namelijk in de periode vóór het eerste ontslag op staande voet op 7 maart 2025. [verweerder] heeft dit eind juli 2025 ontdekt en is vervolgens pas op 30 augustus 2025 overgegaan tot een tweede ontslag op staande voet. Niet gebleken is dat de tussenperiode gebruikt is voor diepgaand onderzoek. Dat maakt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven.

Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat de dringende reden grotendeels bestaat uit -vermeende- feiten en omstandigheden die bij [verweerder] al lang bekend waren ten tijde van het tweede ontslag op staande voet. Voor zover beoogd is enkel de omstandigheid dat [verzoekster] haar stiefdochter onder werktijd naar zwemles zou hebben gebracht aan de dringende reden ten grondslag te leggen is de kantonrechter van oordeel dat ter zitting niet is gebleken dat in die periode woensdagmiddag de vaste werkdag van [verzoekster] was. [verzoekster] heeft uitgelegd dat zij op verschillende dagen van de week beschikbaar moest zijn en dat zij ook kon worden ingeroosterd op die verschillende dagen. Dit is niet weerlegd en gezien de combinatie van werkzaamheden ook niet onaannemelijk. In dat opzicht was er dan ook geen sprake van een dringende reden.

[verweerder] moet [verzoekster] een billijke vergoeding betalen

[verzoekster] verzoekt een billijke vergoeding ter hoogte van:

i) € 2.087,32 netto wegens onnodig gemaakte kosten en ‘pestgedrag’ van [verweerder] . Dit zijn de kosten van de deurwaarder voor het betekenen van de beschikking maar ook voor het leggen van beslag voor het innen van de betalingen die voortvloeien uit de veroordelingen in de beschikking van 18 juli 2025. Volgens [verzoekster] heeft [verweerder] haar onnodig op kosten gejaagd door niet tot betaling van haar vorderingen over te gaan en is dit bewust pestgedrag van [verweerder] ;

ii) € 10.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding. [verzoekster] stelt dat de situatie met [verweerder] psychisch leed heeft veroorzaakt;

iii) € 15.000,00 bruto als ontmoediging voor ernstig verwijtbaar handelen. Dit bedrag moet voorkomen dat werkgevers roekeloos een ontslag op staande voet geven.

Het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.

Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.

De hoogte van de billijke vergoeding wordt vastgesteld op € 1.000,00 netto

De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 1.000,00 netto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. De kosten die [verzoekster] verzoekt onder (i) hebben geen betrekking op het tweede ontslag op staande voet, maar op de afwikkeling van de vorige procedure die tussen partijen is gevoerd. Omdat de kosten niet met de ontslaggrond in deze zaak zijn verbonden, komen deze niet voor vergoeding in aanmerking. Bovendien is niet duidelijk of de beslagkosten uiteindelijk voor rekening van [verzoekster] zijn gebleven.

Het bedrag dat [verzoekster] verzoekt ter ontmoediging van ernstig verwijtbaar handelen (ii) is verweven met het verzoek van [verzoekster] tot betaling van de werkelijke proceskosten. Hieronder zal worden geoordeeld dat [verweerder] de werkelijke proceskosten van [verzoekster] moet betalen, omdat zij haar onnodig met een procedure heeft belast. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] hiermee voldoende wordt gecompenseerd en ziet daarom geen aanleiding om hier een extra vergoeding aan te verbinden.

Het is aannemelijk dat de belasting van een extra procedure van een tweede ontslag op staande voet (op basis van oude ontslaggronden waarover al een oordeel is gegeven in een vorige procedure) spanningen en stress voor [verzoekster] hebben meegebracht. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] daarom een vergoeding voor immateriële schade toekomt. Omdat niet is gebleken van verdere psychische schade zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op € 1.000,00 netto.

[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 1.000,00 netto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.

[verweerder] moet de werkelijke proceskosten van [verzoekster] betalen

De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] ongelijk krijgt. [verzoekster] verzoekt een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Dit verzoek zal worden toegewezen. Uit vaste rechtspraak volgt dat in een procedure slechts bij hoge uitzondering aanleiding bestaat voor vergoeding van de volledige advocaatkosten. Er moet dan sprake zijn van misbruik van procesrecht. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden had [verweerder] het tweede ontslag op staande voet, vanwege de evidente ongegrondheid ervan, achterwege moeten laten. [verweerder] had moeten weten dat een tweede ontslag op staande voet op nagenoeg dezelfde gronden niet rechtsgeldig zou zijn, omdat hierover al een zodanig oordeel is gegeven in een eerdere procedure en omdat dat oordeel tussen partijen vaststaat. Het desondanks toch overgaan tot een tweede ontslag, dat voor de eerdere en belangrijkste gronden onmiskenbaar niet onverwijld zou zijn, waardoor [verzoekster] genoodzaakt werd tot het voeren van onderhavige procedure levert daarom misbruik van procesrecht op. [verzoekster] is door het handelen van [verweerder] onnodig en onterecht op (hoge) kosten gejaagd. Daarbij weegt ten nadele van [verweerder] mee, dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2025 door de ontbindingsbeschikking van 18 juli 2025 toch al tot een einde zou komen. Dat [verweerder] om haar moverende redenen heeft gekozen om niet in appel te gaan tegen die beschikking, moet voor haar rekening blijven. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat een veroordeling van [verweerder] in de volledige proceskosten gerechtvaardigd is.

[verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen de vergoeding, omdat de specificaties van de juridische kosten pas tijdens de zitting zijn overgelegd ondanks herhaaldelijk verzoek van [verweerder] om de specificaties eerder op te sturen zodat zij hiertegen verweer kon voeren. De kantonrechter is van oordeel dat tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig de tijd is genomen om de urenspecificatie te bespreken en [verweerder] heeft hier tijdens de zitting verweer op gevoerd.

Ter onderbouwing van de door [verzoekster] gestelde daadwerkelijk gemaakte proceskosten heeft [verzoekster] een factuur van haar gemachtigde overgelegd van 18 oktober 2025 met een totaalbedrag van € 12.568,75 en een urenspecificatie waaruit blijkt dat er nog 22,4 uren tegen een uurtarief van € 285,00 per uur exclusief btw openstaat. Op de factuur van 18 oktober 2025 staat vermeld: ‘urenafwikkeling beschikking d.d. 18 juli 2025, inning en beslag’. Deze kosten zien dus op de afwikkeling van de vorige procedure, maar die kosten zijn in deze procedure niet toewijsbaar, omdat ze geen verband houden met het tweede ontslag op staande voet. Overigens heeft de kantonrechter in de beschikking van 18 juli 2025 het verzoek tot vergoeding van de werkelijke proceskosten ten aanzien van het eerste ontslag al afgewezen. In deze procedure komen daarom alleen de werkelijke advocaatkosten die ten behoeve van het tweede ontslag op staande voet zijn gemaakt in aanmerking voor een vergoeding. Het staat vast dat de factuur van 18 oktober 2025 niet ziet op de handelingen die in het kader van deze procedure zijn gemaakt. Uit de overgelegde urenspecificatie blijkt wel dat het gaat om werkzaamheden die ten behoeve van deze procedure zijn gemaakt. De urenspecificatie is ook voldoende gespecificeerd. Deze kosten komen daarom voor een vergoeding in aanmerking.

Gelet op het bovenstaande komt de aan [verzoekster] toegekende proceskostenvergoeding uit op 22,4 × € 285,00 = € 6.384,00 exclusief btw. Daar komen ook nog het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 753,00 en € 144,00 aan nakosten bij. [verweerder] moet ook de verzochte wettelijke rente over de werkelijke proceskosten betalen.

De verzochte dwangsommen over de geldbedragen zullen worden afgewezen

[verzoekster] verzoekt om aan de betaling van de bedragen die zien op de billijke vergoeding en werkelijke advocaatkosten een dwangsom te verbinden van € 1.000,00 per dag. Dit verzoek zal worden afgewezen, omdat in de wet staat dat een dwangsom niet kan worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom.

[verweerder] moet het rectificatiebericht sturen waartoe zij is veroordeeld in de vorige procedure

In de beschikking van 18 juli 2025 is [verweerder] veroordeeld tot het sturen van het volgende rectificatiebericht:

‘’Op 4 april jl. heeft u van ons een onjuist bericht ontvangen over de afwezigheid van [verzoekster] . Waar wij hebben geschreven dat zij ons zou hebben benadeeld, is dat onjuist en mag u dit bericht als niet verzonden beschouwen.’’

[verzoekster] heeft verzocht dat dit bericht moet worden gestuurd aan iedereen naar wie het onjuiste bericht van 4 april 2025 is verstuurd. Omdat het rectificatiebericht door [verweerder] ondanks veroordeling daartoe niet is verstuurd, heeft [verzoekster] in deze procedure nogmaals verzocht om een veroordeling tot het versturen van dit bericht. Ter zitting heeft [verzoekster] laten weten dat zij alsnog aansluit bij de tekst zoals deze is opgenomen in de beschikking van 18 juli 2025. [verzoekster] heeft verder ter zitting haar verzoek tot het verstrekken van persoonsgegevens van personen aan wie het bericht van 4 april 2025 is verstuurd ingetrokken, alsook het verzoek tot het ontvangen van screenshots als bewijs van het versturen van het rectificatiebericht aan de afzonderlijke persoon.

[verweerder] moet de veroordeling tot het versturen van het rectificatiebericht aan de personen aan wie zij het bericht van 4 april 2025 heeft verstuurd nakomen. Omdat is gebleken dat [verweerder] haar veroordeling niet zonder meer zal nakomen, zal de kantonrechter hier een dwangsom aan verbinden van € 1.000,00 per dag als prikkel tot nakoming. De dwangsom zal worden gemaximeerd op € 10.000,00.

De tegenverzoeken van [verweerder] die zien op de verzoeken van [verzoekster] zullen worden afgewezen

[verweerder] heeft ten aanzien van de verzoeken van [verzoekster] de volgende tegenverzoeken ingediend:

Het verzoek van [verzoekster] tot het toewijzen van een billijke vergoeding af te wijzen, dan wel de billijke vergoeding te matigen en op nihil te stellen, dan wel te bepalen dat naast de transitievergoeding niets anders verschuldigd was en is;

De overige verzoeken van [verzoekster] af te wijzen;

Te verklaren voor recht dat [verweerder] zich niet schuldig heeft gemaakt aan bewust pestgedrag, dan wel misbruik van recht;

Te verklaren voor recht dat het tweede ontslag op staande voet terecht is gegeven.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden deze verzoeken afgewezen.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

De beslissing op de verzoeken zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals is verzocht door [verzoekster] . [verweerder] heeft enkel verzocht om de verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen, maar heeft dit niet nader gemotiveerd of onderbouwd. Daar staat het belang van [verzoekster] van de tenuitvoerlegging van de beschikking tegenover.

5. De beoordeling van de zelfstandige tegenverzoeken

[verweerder] heeft een aantal zelfstandige tegenverzoeken ingediend waarvan [verzoekster] stelt dat deze moeten worden afgewezen, omdat hierover al is geoordeeld in de beschikking van 18 juli 2025. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld en dus is de beschikking volgens [verzoekster] in kracht van gewijsde gegaan.

De oordelen van de kantonrechter uit de beschikking van 18 juli 2025

In de beschikking van 18 juli 2025 heeft de kantonrechter het volgende bepaald:

[verzoekster] hoeft geen loon terug te betalen aan [verweerder] ;

[verzoekster] hoeft de opvang van [naam 1] niet te betalen;

[verzoekster] hoeft de factuur voor het rijbewijs niet te betalen;

[verzoekster] hoeft de fiets niet in te leveren.

Het juridisch kader

De wet bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn hervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis (of beschikking), in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Met andere woorden, een definitieve beslissing over een geschil tussen dezelfde partijen moet ook in een ander proces worden gevolgd. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen hetzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing berust op een beslissing over dat geschilpunt. Als het andere geding (mede) betrekking heeft op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten. Bij een beroep op het gezag van gewijsde kunnen feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet zijn gebruikt om dezelfde grondslag te ondersteunen, niet later in een ander proces voor diezelfde grondslag worden ingediend. Deze strenge toets is ter voorkoming van het ontstaan van tegenstrijdige beslissingen.

[verweerder] is in een deel van haar tegenverzoeken niet-ontvankelijk

De volgende verzoeken van [verweerder] zijn gelijk aan de verzoeken die [verweerder] in de eerder tussen partijen gevoerde procedure heeft ingediend:

Betaling van € 15.327,50 netto aan te weinig betaalde opvanguren voor [naam 1] ;

Betaling van € 10.024,93 bruto aan te weinig gewerkte uren;

Betaling van € 2.651,23 aan kosten die [verzoekster] zou moeten terugbetalen aan [verweerder] voor het op kosten van [verweerder] behalen van haar rijbewijs;

Een veroordeling van [verzoekster] tot het inleveren van de aan haar ter beschikking gestelde fiets en als zij dat niet doet betaling van € 2.786,40;

De kantonrechter is van oordeel dat het tweede ontslag op staande voet en de daaropvolgende eindafrekening geen nieuwe grondslag bieden voor bovenstaande verzoeken van [verweerder] . Alle feiten en verzoeken die ten grondslag liggen aan het tweede ontslag op staande voet waren al bij het eerste ontslag op staande voet ook aan de orde, met uitzondering van de blote stelling van [verweerder] ‘dat het allemaal veel erger bleek te zijn dan zij dacht’. Ook het vermeende nieuwe feit dat [verzoekster] haar dochter [naam 2] naar zwemles zou hebben gebracht onder werktijd brengt geen nieuwe grondslag voor de verzoeken met zich mee, maar is slechts een nadere onderbouwing van de eerder gestelde grondslag. Daarbij bevestigt het gegeven dat [verweerder] geen rechtsgevolgen ten aanzien van de hoogte van de verzochte bedragen heeft gekoppeld aan de door haar gestelde nieuwe feiten de kantonrechter in het oordeel dat deze gestelde nieuwe feiten slechts dienen voor een nadere onderbouwing van de eerdere grondslag. Ten aanzien van de bedragen die zien op de terugbetaling van het rijbewijs en de fiets geldt hetzelfde. Het aanvullen van bewijs hoort niet thuis in een nieuwe procedure, maar in een procedure in hoger beroep. Dit geldt ook voor het door [verweerder] verzochte nadere getuigenverhoor, dat met name ziet op de kwestie van de gewerkte uren en de kosten voor opvang. Anders zou er een onaanvaardbaar risico op tegenstrijdige beslissingen kunnen ontstaan. De conclusie moet dan ook zijn dat ten aanzien van elk van bovenstaande verzoeken op dezelfde grondslag al een beslissing is gegeven. [verweerder] is daarom niet-ontvankelijk in bovenstaande verzoeken.

[verweerder] is ook niet-ontvankelijk in haar verzoek tot een verklaring van recht dat de eerder gevraagde rectificatie en rehabilitatie niet langer heeft te gelden. [verweerder] is namelijk al veroordeeld tot het afgeven van de rectificatie in de beschikking van 18 juli 2025. Ook deze beslissing heeft gezag van gewijsde tussen partijen..

[verzoekster] moet [verweerder] betalen voor het CAK

[verweerder] verzoekt te verklaren dat het minimale totale bedrag waar [verweerder] recht op heeft van [verzoekster] € 19.194,76 is en dat bedrag ook aan haar toe te kennen. Volgens [verweerder] is dit de eindafrekening waar zij bij het einde van het dienstverband minimaal recht op heeft. In de tweede ontslagbrief is [verzoekster] aangemaand dit bedrag te betalen, wat volgens [verweerder] bestaat uit de kosten voor het rijbewijs, de fiets, de te weinig gewerkte uren, de te weinig betaalde opvanguren van [naam 1] en kosten van het CAK. Omdat hiervoor al is geoordeeld dat [verweerder] niet-ontvankelijk is in eerder genoemde verzoeken, zal de kantonrechter het deel van de vordering dat niet gaat over de CAK-betalingen afwijzen. Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat [verweerder] in totaal drie keer aan het CAK voor de zorgverzekering van [verzoekster] een betaling heeft gedaan die zij vanwege de afwikkeling van de procedure tussen partijen niet kon inhouden op het salaris van [verzoekster] . [verzoekster] heeft bevestigd dat de vorderingen van het CAK normaal gesproken werden ingehouden op haar salaris. Omdat partijen uit elkaar zijn gegaan ontving [verzoekster] geen salaris meer, maar [verweerder] moest nog wel de vorderingen van het CAK betalen. Dat moet [verzoekster] aan [verweerder] terugbetalen. Het gaat om 3 × € 172,33 = € 516,99, door [verweerder] respectievelijk betaald op 26 maart, 30 juli en 15 september 2025 Dat [verzoekster] deze bedragen verschuldigd is, is door haar onvoldoende gemotiveerd weersproken, waarbij de kantonrechter ervan uitgaat dat de laatste betaling ziet op juli 2025. Ter zake van dit onderdeel mag [verweerder] verrekenen. Voor een verdere verklaring van recht om te mogen verrekenen, zoals is gevorderd, is er geen reden.

De overige verzoeken van [verweerder] zullen worden afgewezen

Over de overige verzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen. [verweerder] verzoekt een verklaring van recht dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan bewust pestgedrag, dan wel misbruik van recht en een verklaring van recht dat het tweede ontslag op staande voet terecht is gegeven. Gelet op hetgeen hiervoor in deze beschikking is overwogen, wijst de kantonrechter deze verzoeken af.

[verweerder] heeft ter uitvoering van de ontbindingsbeschikking aan [verzoekster] een transitievergoeding betaald en verzoekt in deze procedure een veroordeling van [verzoekster] tot terugbetaling hiervan, omdat de arbeidsovereenkomst door toedoen van [verzoekster] niet door ontbinding per 1 september 2025 tot een einde is gekomen. Ook dit verzoek zal worden afgewezen, omdat ook terzake van het einde van het dienstverband per 30 augustus 2025 een transitievergoeding verschuldigd is, nu de arbeidsovereenkomst niet door toedoen van [verzoekster] maar door toedoen van [verweerder] (eerder) tot een einde is gekomen. De transitievergoeding is daarom terecht aan [verzoekster] betaald en zij hoeft deze niet terug te betalen.

[verweerder] verzoekt de kantonrechter verder te bepalen dat er een getuigenverhoor zal moeten plaatsvinden om aan te tonen dat [verweerder] een dringende reden voor ontslag had en dat [verzoekster] niet aan de op haar rustende waarheidsplicht heeft voldaan. [verweerder] wenst met name medewerksters van de kinderopvang te horen, omdat zij zouden kunnen verklaren over de dagdieverij van [verzoekster] , de opvang van [naam 1] en het brengen en halen van [naam 2] onder werktijd. Ook dit verzoek wordt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 5.5. is overwogen, afgewezen.

[verweerder] moet de proceskosten in het tegenverzoek betalen

[verweerder] verzoekt tot slot veroordeling van [verzoekster] in de werkelijke proceskosten van € 12.883,00 exclusief btw. [verweerder] krijgt geen vergoeding voor de werkelijke proceskosten, omdat eerder in deze beschikking al is geoordeeld dat niet [verzoekster] maar [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. Omdat [verzoekster] de werkelijke proceskosten vergoed krijgt, wordt aan de proceskosten in het tegenverzoek geen extra bedrag gekoppeld.

6. De beslissing

De kantonrechter

op het verzoek

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen, vastgesteld op € 1.000,00 netto te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 6.384,00 exclusief btw, plus € 897,00 inclusief btw te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt [verweerder] om binnen vijf dagen na de datum van deze beschikking een rectificatiebericht te versturen zoals vermeld in 4.17 van deze beschikking aan iedereen naar wie ook het bericht van 4 april 2025 is verstuurd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [verweerder] niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

wijst de tegenverzoeken van [verweerder] op het verzoek af,

op het zelfstandige tegenverzoek

verklaart [verweerder] niet-ontvankelijk in haar verzoeken zoals genoemd in haar verweerschrift onder I, II, III, IV en IX, tweede volzin,

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van € 516,99 netto aan [verweerder] ,

wijst voor het overige de verzoeken af,

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, in het tegenverzoek begroot op nihil,

op het verzoek en op het tegenverzoek

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?