RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/325386-25; 10-138829-25 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2007] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair op 29 november 2025 in Almere samen met anderen met geweld en/of bedreiging met geweld één of meer sieraden heeft gestolen van [winkel] ;
subsidiair ten laste gelegd als een poging daartoe;
feit 2
primair op 29 november 2025 in Almere geprobeerd heeft om [slachtoffer 2] van het leven te beroven, door met kracht met een hamer richting zijn hoofd, nek of lichaam te slaan;
subsidiair ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging (feit 1 primair) en poging tot zware mishandeling (feit 2 subsidiair). De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van poging tot doodslag (feit 2 primair).
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs van feit 1 en feit 2 subsidiair.
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag).
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank komt, net als de officier van justitie en de verdediging, tot de conclusie dat de poging tot doodslag (feit 2 primair) niet kan worden bewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De rechtbank baseert zich op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
[verdachte] bekent dat hij feit 1 heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt voor dat feit daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feit 2 – poging doodslag of poging zware mishandeling?
[verdachte] wordt verweten dat hij heeft geprobeerd het slachtoffer te doden, door met een hamer met kracht in de richting van het hoofd, nek of het lichaam van het slachtoffer te slaan.
De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] met zijn handelen vol opzet had op de dood van het slachtoffer. De rechtbank is ook van oordeel dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.
De rechtbank stelt vast dat op de beelden te zien is dat [verdachte] met het slachtoffer in een worsteling raakt en daarbij een zwaaiende beweging maakt met een hamer richting het slachtoffer. Op grond van het vastgestelde letsel bij het slachtoffer en de beelden komt de rechtbank niet tot de conclusie dat de hamer het hoofd heeft geraakt. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte aangegeven dat hij direct pijn voelde bij zijn nek en schouders. Op basis hiervan en op basis van de beelden stelt de rechtbank vast dat de hamer in ieder geval is geslagen in de richting van, en ook tegen, de nek en schouders. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld of er ook in de directe richting van het hoofd is geslagen, en zo ja, met welke kracht. Het dossier bevat bovendien geen forensische beschouwing over de richting en kracht van de slag, of over de gevolgen die zouden zijn ontstaan als de hamer het hoofd wel had geraakt. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het zwaaien met de hamer door [verdachte] een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer met zich bracht. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van poging tot doodslag.
De rechtbank is wel van oordeel dat er sprake is van een poging tot zware mishandeling. De rechtbank acht feit 2 subsidiair daarom wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1 primair
op 29 november 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen,
sieraden, die geheel of ten dele aan [winkel] toebehoorden,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de juwelier binnen te rennen met gezichtsbedekkende kleding, een hamer, een vuurwapen en een tas,
- te roepen: "overval, overval!",
- een vuurwapen op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] te richten, en
- met een hamer de vitrines kapot te slaan;
feit 2 subsidiair
op 29 november 2025 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met kracht met een hamer richting het hoofd en/of nek, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 primair: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2 subsidiair: poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5. Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vraagt om het jeugdstrafrecht toe te passen en eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging vraagt om geen langere jeugddetentie op te leggen dan de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De verdediging voert aan dat het weliswaar om ernstige feiten gaat, maar dat de ingeslagen weg en het plan van de reclassering doorkruist zou worden als hij opnieuw gedetineerd zou raken. De eis van de officier van justitie wijkt bovendien ook af van het reclasseringsadvies.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Jeugdstrafrecht
De rechtbank past bij de strafoplegging het jeugdstrafrecht toe. Hoewel de reclassering twijfels heeft over de pedagogische mogelijkheden, ziet zij sterke indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Daarbij wijst de reclassering op het vonnis dat de rechtbank Rotterdam kort voor het plegen van deze feiten heeft gewezen, waarbij het jeugdstrafrecht is toegepast. Ook noemt de reclassering tekorten in zijn handelingsvaardigheden, waaronder zijn impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en de sociaal-emotioneel beperkte indruk die hij wekt. De reclassering adviseert dan ook het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank neemt dit advies over.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft samen met anderen op klaarlichte dag een gewapende overval gepleegd bij een juwelier, waarbij onder meer een vuurwapen en een hamer zijn gebruikt. [verdachte] heeft verklaard dat zijn rol was om met de hamer de vitrines kapot te slaan zodat de sieraden konden worden weggenomen. Gebleken is echter dat [verdachte] de hamer niet alleen heeft gebruikt om de sieraden weg te nemen, maar dat hij de hamer ook als wapen tegen een van de slachtoffers heeft gebruikt door daarmee in diens richting te zwaaien. Er mag van geluk worden gesproken dat het slachtoffer daarbij niet ernstig letsel heeft opgelopen.
Het doel van de overval was om snel en gemakkelijk geld te verdienen. [verdachte] en zijn medeverdachten hebben daarbij geen enkel oog gehad voor het leed dat zij hebben veroorzaakt bij de twee medewerkers van de juwelier en de klant die op dat moment aanwezig waren. Uit de tijdens de zitting voorgehouden slachtofferverklaringen is duidelijk geworden dat zij alle drie een groot trauma hebben overgehouden aan de overval.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 10 augustus 2026. Daaruit blijkt dat [verdachte] een maand voor het plegen van deze feiten ook al is veroordeeld voor een overval op een juwelier. De rechtbank vindt dit strafverzwarend.
De rechtbank houdt verder rekening met een Pro Justitia-rapportage van 3 oktober 2025, waarbij [verdachte] is onderzocht door een psycholoog. Een beperking hiervan is dat dit rapport is opgesteld in het kader van een andere zaak bij de rechtbank Rotterdam. De feiten in deze zaak zijn daarin niet betrokken. Toch is een aantal conclusies ook relevant voor deze zaak. De onderzoeker concludeert in het rapport dat sprake is van een ernstige verstoring in de persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en borderline trekken, en ook van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. De onderzoeker beschrijft dat [verdachte] moeite heeft om de gevolgen van zijn handelen te overzien en dat hij naïef en impulsief handelt. Zonder passende hulpverlening schat de onderzoeker het recidiverisico in als matig tot hoog.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met een rapport van de reclassering van 7 september 2026. Uit het rapport blijkt dat het reclasseringstoezicht stroef is gestart, maar dat [verdachte] inmiddels een positieve en meewerkende houding laat zien. Ook heeft hij dagbesteding gevonden. De reclassering ziet dit als positief, net als de steunende rol van zijn ouders. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld tot hoog en vindt het noodzakelijk dat maatregelen van kracht blijven. Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarom een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarbij gaat het om een meldplicht en een behandelverplichting. Daarnaast adviseert de reclassering dat [verdachte] meewerkt aan plaatsing in een passende woonvorm zodra die beschikbaar is. Gelet op de ernst en aard van het delict adviseert de reclassering ook een locatieverbod en een locatiegebod, beide met elektronische monitoring. Het locatieverbod is bedoeld als bescherming van de slachtoffers. Met het locatiegebod kan volgens de reclassering een vaste dagstructuur worden afgedwongen, waarbij [verdachte] overdag naar school gaat en/of werkt en in de avond en nacht thuis verblijft. Verder moet [verdachte] zich inzetten voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding. Tot slot adviseert de reclassering een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachten.
Strafkader
De rechtbank vindt het zorgelijk dat [verdachte] op zijn leeftijd heeft deelgenomen aan dit soort ernstige strafbare feiten. [verdachte] heeft geen enkel oog gehad voor het leed dat hij de slachtoffers heeft aangedaan, en dat rekent de rechtbank hem zwaar aan. Des te ernstiger is het dat [verdachte] kort voor het plegen van deze feiten al door de rechtbank Rotterdam was veroordeeld tot een forse straf, ook voor een overval op een juwelier. De waarschuwing die hij daarbij heeft gekregen, heeft kennelijk geen aanleiding gevormd om niet opnieuw de fout in te gaan. Dat [verdachte] nu opnieuw een ernstig en soortgelijk strafbaar feit heeft gepleegd kan een reden zijn om hem nu hard te straffen om hem duidelijk te maken dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is en veel leed veroorzaakt. De rechtbank ziet echter ook dat de behandeling na de veroordeling door de rechtbank Rotterdam nog niet goed van de grond heeft kunnen komen. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat [verdachte] de juiste behandeling en begeleiding krijgt, zodat hij niet opnieuw de fout in gaat. Het strakke kader dat nu voorligt, met onder meer elektronische monitoring, waarbij hij op sommige dagen 22 uur per dag thuis moet blijven, zorgt ervoor dat hij continu in de gaten kan worden gehouden terwijl hij werkt aan zijn gedrag. De rechtbank vindt het belangrijk dat dit toezichtkader kan starten, zodat [verdachte] kan laten zien dat hij zijn leven op de rit kan krijgen. De rechtbank legt daarom, in afwijking van de eis van de officier van justitie, geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op dan de tijd die [verdachte] nu al heeft vastgezeten. Wel zal de rechtbank een forse voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, met daaraan gekoppeld het brede pakket aan voorwaarden dat is geadviseerd door de reclassering. Naast dat er iets boven het hoofd blijft hangen bij [verdachte] , vindt de rechtbank het belangrijk dat [verdachte] de gevolgen voelt van het plegen van deze feiten, en zal zij daarom ook een werkstraf opleggen.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie op van 300 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 199 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank verbindt aan deze straf de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De volledige tekst van de aan de proeftijd verbonden voorwaarden is opgenomen onder de beslissing in paragraaf 8.
Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op in de vorm van een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie bij het niet of niet goed uitvoeren daarvan.
Dadelijk uitvoerbaar
Omdat er gelet op de aard en ernst van de feiten ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen (of gevaar veroorzaakt voor) de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, bepaalt de rechtbank dat de
opgelegde voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6. Vorderingen benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Mevrouw [slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 15.385,- voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Gevorderd wordt om het bedrag hoofdelijk toe te wijzen. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 15.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld), en uit € 365,- voor vergoeding van materiële schade, voor het opgemaakte eigen risico.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vraagt om een bedrag van € 5.000,- hoofdelijk toe te wijzen, als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie vraagt om de materiële schade en meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat onvoldoende is onderbouwd waaraan het eigen risico precies is opgegaan, en of er niet al andere factoren speelden waardoor het eigen risico is opgemaakt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij geen slachtoffer is in deze zaak, en dat er in dat kader ook geen rechtstreeks verband is tussen het strafbare feit en de schade die de benadeelde stelt te lijden als gevolg daarvan. Primair verzoekt de verdediging om de vordering af te wijzen, subsidiair om deze in het geheel niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van de rechtbank
Rechtstreekse schade
Een slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering is degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Alleen schade die rechtstreeks door een slachtoffer is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde was in de winkel aanwezig toen de overval plaatsvond, heeft een vuurwapen gezien waarmee werd gedreigd en heeft de winkel uit moeten vluchten door het geweld. De benadeelde stelt hiervan schade te lijden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de diefstal met geweld, en dat de benadeelde partij dus slachtoffer is in deze zaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij ontvankelijk is om een vordering tot schadevergoeding in te dienen in deze zaak.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft het materiële gedeelte van de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Zo zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt waaraan het eigen risico precies is opgemaakt, en of het opmaken van het eigen risico een rechtstreeks gevolg is van dit feit. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door [verdachte] gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de overgelegde stukken volgt dat bij de benadeelde PTSS is gediagnosticeerd, en dat zij een traumagerichte behandeling ondergaat bij een psycholoog.
De ernstige gevolgen die het feit voor het slachtoffer hebben (gehad), zijn tijdens de zitting verder toegelicht. Wel houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat op dit moment onduidelijk is hoe de behandeling zal verlopen en hoe de benadeelde zal herstellen van haar PTSS-klachten.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 14.2 categorie c (PTSS, middelzwaar) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- tot uitgangspunt.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijke toewijzing
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 10.000,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als [verdachte] de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft [verdachte] dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De heer [slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 51.525,- voor feit 1 en feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Gevorderd wordt om het bedrag hoofdelijk toe te wijzen. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 20.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld), en € 31.525,- voor vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten: studievertraging (€ 27.525,-) en voor een behandeling bij de psycholoog, gevorderd als toekomstige schade (€4.000,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de post die ziet op studievertraging onvoldoende onderbouwd. Ook de toekomstige kosten voor de psycholoog zijn onvoldoende onderbouwd; onduidelijk is namelijk of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt. De officier van justitie verzoekt de vordering tot materiële schadevergoeding daarom geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op immateriële schade, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat weliswaar PTSS is geconstateerd, maar dat nog weinig bekend is over de prognose daarvan. De officier van justitie vordert daarom om toewijzing van een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schadevergoeding en om het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging acht de posten die zien op studievertraging en toekomstige zorgkosten onvoldoende onderbouwd en verzoekt deze niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding voert de verdediging aan dat niet moet worden gekeken naar de huidige situatie van de PTSS, waarin mogelijk nog geen verbetering is opgetreden. De verdediging verzoekt om een bedrag van € 6.000,- toe te wijzen als vergoeding van immateriële schade.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van schade door opgelopen studievertraging onvoldoende onderbouwd. Zo ontbreekt een bewijs van inschrijving over het studiejaar 2025-2026, en is onvoldoende onderbouwd op welke manier studievertraging zou zijn opgelopen en of deze het gevolg is van de strafbare feiten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit deel van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van toekomstige zorgkosten, overweegt de rechtbank dat dit toekomstige schade betreft. Op dit moment is nog niet duidelijk of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze eerste en laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Uit het dossier en de vordering volgt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een breuk aan zijn pink. De benadeelde partij heeft daarnaast voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door [verdachte] gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat bij de benadeelde sprake is van ernstige en invaliderende PTSS, waarbij de klachten hem op allerlei leefgebieden beperken. Uit een stuk van een psycholoog volgt dat vanwege de ernst van de klachten direct gestart is met een EMDR-behandeling.
De ernstige gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad, zijn tijdens de zitting verder toegelicht. Wel houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat op dit moment onduidelijk is hoe de behandeling zal verlopen en hoe de benadeelde zal herstellen van de PTSS-klachten.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
Gelet op het feit dat de benadeelde partij in de onderhavige zaak verschillende soorten letsel heeft opgelopen, maakt de rechtbank een onderscheid tussen primair en secundair letsel. Voor wat betreft het primaire letsel, het voornaamste (zwaarste) letsel, neemt de rechtbank het volledige bedrag (of de bandbreedte) van de toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal tot uitgangspunt. Voor wat betreft het secundaire letsel (het overige letsel), neemt de rechtbank de helft van het bedrag (of van de bandbreedte) van de toepasselijke categorie tot uitgangspunt. Deze bedragen worden bij elkaar opgeteld. In deze zaak gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire letsel bestaat uit de bij de benadeelde partij vastgestelde PTSS en dat het secundaire letsel bestaat uit een breuk in de pink.
Het primaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank onder categorie 14.2, categorie c, van de Rotterdamse schaal, te weten PTSS, middelzwaar. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- tot uitgangspunt.
Het secundaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank onder categorie 13.a van de Rotterdamse schaal, te weten licht letsel. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 1.450,- tot € 2.675,- tot uitgangspunt en zal, zoals gezegd, uitgaan van de helft hiervan. De rechtbank gaat niet uit van de categorie vingerletsel, als bedoeld in hoofdstuk 5.11 f tot en met i, omdat het daarbij gaat om blijvend letsel. Uit objectieve stukken blijkt niet wat de hersteltijd van de pink is en of de pink daadwerkelijk niet zal herstellen.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijke toewijzing
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 10.000,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als [verdachte] de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft [verdachte] dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De heer [slachtoffer 3] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 35.139,73 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Gevorderd wordt om het bedrag hoofdelijk toe te wijzen. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 16.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld), en € 19.139,73 voor vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten: verkoopwaarde gestolen juwelen (€ 12.210,-), schade aan vitrines (€ 5.658,98) en schade aan etalagepoppen (€ 1.270,75).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de post die ziet op de gestolen sieraden onvoldoende is onderbouwd. Er zijn weinig stukken overgelegd waaruit blijkt welke stukken daadwerkelijk missen. Gevraagd wordt om dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie acht de post die ziet op de schade aan de vitrines voldoende onderbouwd, en vraagt om dit deel toe te wijzen.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op immateriële schade, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er weliswaar PTSS is geconstateerd, maar dat er nog heel weinig bekend is over de prognose daarvan. De officier van justitie vordert een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen, en de rest niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de post die ziet op de sieraden verzoekt de verdediging primair om deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende is onderbouwd welke sieraden ontbreken of gestolen zouden zijn. Subsidiair verzoekt de verdediging om bij een eventuele toewijzing uit te gaan van de inkoop- of goudwaarde van de sieraden, en niet van de verkoopwaarde.
Ten aanzien van de post die ziet op de vitrines verzoekt de verdediging deze primair niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er te veel tijd zit tussen de offerte en het incident. Subsidiair wordt verzocht de kosten te schatten en uit te gaan van 50% van het geoffreerde bedrag.
Ten aanzien van de post die ziet op de etalagepoppen verzoekt de verdediging uit te gaan van een bedrag van maximaal € 420,08. Daarbij gaat de verdediging ervan uit dat 50% van de op de factuur genoemde voorwerpen beschadigd zou zijn, met een afschrijvingspercentage van 20%. Het overige verzoekt de verdediging af te wijzen dan wel de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren. Tot slot verzoekt de verdediging het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 5.000,-.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op de sieraden niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is door de verdediging betwist. De rechtbank constateert dat geen stukken zijn overgelegd, zoals een bedrijfsinventaris of administratieve gegevens, waaruit blijkt dat de goederen daadwerkelijk ontbreken. Gelet hierop is de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit deel van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de vitrines is voldoende onderbouwd. Weliswaar is slechts een offerte overgelegd die enige tijd na de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgesteld, maar de rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe, tot een bedrag van € 5.658,98.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op schade aan de etalagepoppen, stelt de rechtbank op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting vast dat er schade is ontstaan die in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Onvoldoende onderbouwd is echter waarom het in dit geval nodig is om alle etalagepoppen te vervangen, zoals ook door de verdediging is gesteld. Niet is gebleken dat alle etalagepoppen vernield zijn. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit deel van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank stelt wel vast dat er enige schade is geleden en schat de schade daarom. De rechtbank komt hierdoor uit op een bedrag van € 300,-. De rechtbank wijst deze post tot dit bedrag toe en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door [verdachte] gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de overgelegde stukken volgt dat de benadeelde een traumagerichte behandeling krijgt voor PTSS-klachten, als gevolg van dit feit.
De ernstige gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad, zijn tijdens de zitting verder toegelicht. Wel houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat op dit moment onduidelijk is hoe de behandeling zal verlopen en hoe de benadeelde zal herstellen van zijn PTSS-klachten.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 14.2 categorie c (PTSS, middelzwaar) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- tot uitgangspunt.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijke toewijzing
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 15.958,98 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als [verdachte] de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 104 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft [verdachte] dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De rechtbank Rotterdam heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 10-138829-25 op 29 oktober 2025 een jeugddetentie van twee maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van drie jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De verdediging heeft meegegeven dat het mogelijk handig is om de onder dit parketnummer opgelegde voorwaarden – op de algemene voorwaarde na – op te heffen. Op die manier wordt voorkomen dat [verdachte] in een dubbel toezicht belandt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank acht het onwenselijk dat [verdachte] opnieuw gedetineerd zou raken, in lijn met hetgeen is overwogen bij de strafoplegging. Wel zal de rechtbank bepalen dat de eerder opgelegde bijzondere voorwaarden komen te vervallen, zodat hij niet in twee verschillende toezichtkaders zal belanden.
De rechtbank bepaalt dat de eerder opgelegde voorwaarden worden gewijzigd, in zoverre dat de eerder opgelegde voorwaarden komen te vervallen, en worden vervangen door de algemene voorwaarde dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de opgelegde bijzondere voorwaarden in deze zaak dadelijk uitvoerbaar zijn, zodat [verdachte] ook als hij hoger beroep instelt, onder toezicht van de reclassering blijft staan.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikel 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 300 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 199 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen.
- als bijzondere voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met [verdachte] opnemen voor de eerste afspraak;
* zich laat behandelen door forensische psychiatrische polikliniek Fivoor of een
soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* meewerkt aan het vinden van een geschikte plek in een beschermd of begeleid wonen instelling of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een woon-/opvangplaats voor [verdachte] beschikbaar is. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
* op geen enkele wijze direct of indirect - contact opneemt, zoekt of heeft met de volgende personen:
1) [slachtoffer 3] (geboren op [1960] );
2) [slachtoffer 2] (geboren op [1997] );
3) [slachtoffer 1] (geboren op [1965] );
4) [A] (geboren op [2006] );
5) [B] (geboren op [2011] );
6) [C] (geboren op [2002] );
7) [D] (geboren op [2003] );
De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;
* zich tijdens de proeftijd niet bevindt in de gemeente Almere. Hij werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan [verdachte] toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. [verdachte] werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. [verdachte] gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat [verdachte] in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen;
* tijdens de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient [verdachte] op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met [verdachte] en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] , [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. [verdachte] werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Ook is het zo dat [verdachte] voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;
* zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk, school en of stage, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. [verdachte] werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan met de GPS-gegevens van het elektronisch toezicht zien of [verdachte] zich houdt aan afspraken over de dagbesteding;
- waarbij aan de reclassering, met uitzondering van het contactverbod, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1 en 2)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 1)
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-138829-25)
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;
- bepaalt dat de eerder opgelegde voorwaarden worden gewijzigd, in zoverre dat de eerder opgelegde voorwaarden komen te vervallen, met uitzondering van de algemene voorwaarde dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter, mr. H. den Haan en mr. K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 29 november 2025 te Almere, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n),heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijldeze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging metgeweld tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor tebereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijfhetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- de juwelier binnen te rennen met gezichtsbedekkende kleding en/of een hamer en/of een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, en/of een tas,- te roepen: "overval, overval!",- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] te richten, en/of- met een hamer de vitrines kapot te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 november 2025 te Almere, althans in Nederland, |tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf omeen of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn rnededader(s) toebehoorde(n),weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenenen deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen vangeweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met hetoogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bijbetrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij devlucht mogelijk te maken,hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- de juwelier binnen is gerend met gezichtsbedekkende kleding en/of een hamer en/of een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, en/of een tas,- heeft geroepen: "overval, overval!",- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht, en/of- met een hamer de vitrines kapot heeft geslagen;terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op of omstreeks 29 november 2025 te Almere, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven,met kracht met een hamer richting het hoofd en/of nek, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 november 2025 te Almere, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] ,opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,met kracht met een hamer richting het hoofd en/of nek, althans het lichaam van die [slachtoffer 2]heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feit 1
- de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 15 september 2026;
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 29 november 2025;
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 29 november 2025;
- een proces-verbaal van bevindingen (beschrijving camerabeelden) van 30 november 2025.
Bewijsmiddelen feit 2
Een proces-verbaal van bevindingen van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Tijdens de overval die gepleegd is op 29 november 2025 in Almere was ik aanwezig in de winkel. Ik zag dat de persoon met de hamer in zijn hand deze liet vallen nadat diegene een paar keer sloeg tegen de vitrine. Toen dit gebeurde dacht ik, dit is mijn kans om in te grijpen. Ik zag dat deze persoon de hamer wel snel weer oppakte. Ik rende op deze persoon in. Toen ik op de persoon sprong voelde ik dat deze persoon op mij in begon te slaan. Ik pakte deze persoon beter vast omdat ik voelde dat hij probeerde weg te komen. Ik voelde dat hij dit deed door op mij in te slaan met de hamer die hij bij zich had. Ik voelde klappen tegen mijn hoofd aan de onderkant. Ik voelde een klap tegen mijn nek en schouders. Ik voelde direct een pijn in mijn lichaam.
Een proces-verbaal van bevindingen van beschrijving camerabeelden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
11:27:25 uur: Te zien is hoe het tweede slachtoffer persoon 1 probeert vast te pakken. Zij raken in een gevecht. Persoon 1 heeft nog steeds een hamer vast.
11:27:27 uur: Te zien is dat persoon 1 probeert om het tweede slachtoffer met de hamer op zijn hoofd te slaan. Op de beelden is te zien dat persoon 1 zijn rechterarm, waarin hij de hamer vastheeft, met kracht naar beneden slaat in de richting van het hoofd van het tweede slachtoffer. Het tweede slachtoffer probeert zijn hoofd te beschermen door zijn handen boven zijn hoofd te houden.
De verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 15 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik werd aangevallen, en toen ben ik een beetje gaan zwaaien met de hamer.