RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16.174035.25 & 16.238040.24 (vord. tul);
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1998] in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
16 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 2 juni 2025 in [woonplaats] een auto heeft vernield met een cobra 6 en dat hij op die datum een cobra 6 op een balkon heeft gegooid, die is ontploft;
feit 2
hij in de periode van 29 januari 2023 tot en met 27 mei 2025 in [woonplaats] meermalen [slachtoffer 1] (zijn levensgezel) heeft mishandeld;
feit 3
hij in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 november 2025 in [woonplaats] meermalen [slachtoffer 2] (zijn levensgezel) heeft mishandeld;
feit 4
hij op 13 november 2025 in [woonplaats] professioneel vuurwerk, namelijk vier shells en een stuk knalvuurwerk, voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vier aan hem tenlastegelegde feiten, met uitzondering van de onder feit 3 tenlastegelegde gedraging ‘een brandende sigaret (uit) te drukken/te duwen in/op het oog’. De officier van justitie verzoekt om de verdachte hiervan vrij te spreken.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 3 en van feit 4. Voor wat betreft feit 1 refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 stelt de advocaat dat niet bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tegen het hoofd schoppen van aangeefster [slachtoffer 1] . Ook moet zodanig getwijfeld worden aan wat aangeefster [slachtoffer 1] over het incident op 5 juni 2023 heeft verklaard, dat de rechtbank dit niet bij haar oordeel kan betrekken.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 4 – voorhanden hebben professioneel vuurwerk
De rechtbank oordeelt dat feit 4, het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk is nodig dat de verdachte het vuurwerk bewust aanwezig heeft gehad en dat de verdachte daarover feitelijke macht heeft kunnen uitoefenen, in die zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte wist dat in de kast van zijn bedrijfspand een tas met professioneel vuurwerk stond. Want zowel de kamer als de kast in die kamer was voor iedereen in het bedrijfspand vrij toegankelijk. Het is dus goed mogelijk dat, zoals de verdachte heeft verklaard, de tas door een derde in de kast is gelegd zonder dat de verdachte dat wist. De rechtbank zal de verdachte bij gebrek aan bewijs dan ook vrijspreken van het onder feit 4 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring feit 1 – Cobra 6
De verdachte bekent dat hij op 2 juni 2025 in [woonplaats] een cobra 6 tot ontploffing heeft gebracht op een auto en dat hij een cobra 6 heeft gegooid naar het balkon van een woning, zoals dit hieronder bewezen zal worden verklaard. De advocaat heeft niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 16 september 2026;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 2 juni 2025, met proces-verbaalnummer 250602-110-975, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1] , mede namens [bedrijf] .
Bewezenverklaring feit 2 – mishandeling [slachtoffer 1]
De verdachte bekent dat hij in de periode tussen 29 januari 2023 tot en met 27 mei 2025 in [woonplaats] meermalen [slachtoffer 1] (zijn levensgezel) heeft mishandeld, zoals dit hieronder bewezen zal worden verklaard. De advocaat heeft niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de zitting van
16 september 2026;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aangifte van 17 juni 2025, met proces-verbaalnummer PL0900-2025007671-6, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1] ;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 7 juli 2025, met proces-verbaalnummer PL0900-2025007671-12, inhoudende de verklaring van [getuige 1] .
De advocaat heeft om vrijspraak gevraagd van het onderdeel: schoppen tegen het hoofd. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte [slachtoffer 1] tegen het hoofd heeft geschopt. Zij zal de verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.
Bewezenverklaring feit 3 – mishandeling [slachtoffer 2]
De rechtbank oordeelt dat het feit 3, mishandeling van [slachtoffer 2] in de periode van 1 juni 2021 tot en met 13 november 2025, is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De advocaat heeft om vrijspraak voor dit feit gevraagd, omdat [slachtoffer 2] (op 19 maart 2026 bij de politie en op 20 mei 2026 bij de rechter-commissaris) heeft verklaard dat zij heeft gelogen toen ze aangifte deed van mishandeling.
De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat de aangeefster zou hebben verzonnen dat de verdachte haar jarenlang heeft mishandeld. De aangeefster heeft over die mishandelingen namelijk meerdere malen uitgebreid, gedetailleerd en consistent verklaard. Dit wordt bevestigd door getuigen, die hebben aangegeven dat zij hier al langere tijd van op de hoogte zijn en ook letsel bij de aangeefster hebben gezien. Bovendien bevat het dossier medische stukken over en foto’s van letsel dat past bij de verklaringen van de aangeefster. De rechtbank neemt daarom de aangifte en de aanvullende verklaringen als uitgangspunt voor de bewezenverklaring en schuift de latere verklaring van de aangeefster terzijde.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 2 juni 2025 te [woonplaats] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
- een cobra 6 op een auto met het kenteken [kenteken] te leggen en vervolgens aan te steken
- ten gevolge waarvan deze cobra 6 tot ontploffing is gekomen en voornoemde auto heeft beschadigd en
- vervolgens een tweede cobra 6 aan te steken en
- vervolgens te gooien in de richting van het balkon van de woning aan de [adres] en
- waarna de tweede cobra 6 tot ontploffing is gekomen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde auto en het balkon en het gebouw te duchten was;
feit 2
in de periode van 29 januari 2023 tot en met 27 mei 2025 te [woonplaats] , telkens [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen,
- te slaan met een tot vuist gebalde hand en met een platte hand op de ogen en in het gezicht, en
- te slaan met een tot vuist gebalde hand en met een platte hand tegen het lichaam en
- hard te trekken aan de haren en
- te bijten in de wang en de arm en
- te krassen in de nek en de hals,
- met zijn hand de keel en nek en de hals vast te pakken en te wurgen en
- te schoppen tegen het lichaam en
- te duwen tegen het lichaam en het lichaam vast te pakken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
feit 3
in de periode van 1 juni 2021 tot en met 13 november 2025 te [woonplaats] , meermalen, telkens [slachtoffer 2] heeft mishandeld
door die [slachtoffer 2] ,
- te duwen en
- aan de haren te trekken en
- te slaan in het gezicht en tegen het lichaam met een tot vuist gebalde hand en met een platte hand en met een telefoon, en
- te schoppen en
- te wurgen, en
- te slaan met een stofzuigerstang tegen de benen en de voeten en de heupen,
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;
feit 2
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
feit 3
mishandeling, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering, opneming in een zorginstelling, een verblijf in begeleid wonen, een contact- en locatieverbod en beheersing middelengebruik.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
- een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet.
De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat het primair de wens van de verdachte is om ambulant behandeld te worden, zodat hij op die manier de structuur die zijn eigen bedrijf hem biedt kan vasthouden. Als de rechtbank besluit om een klinische behandeling als voorwaarde op te nemen, dan is de verdachte bereid om daaraan mee te werken. De advocaat verzoekt om bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf deze op te leggen voor een kortere duur dan door de officier van justitie is geëist, deels voorwaardelijk en zonder de klinische opname als voorwaarde. Verder vraagt de advocaat om geen locatieverbod op te leggen, omdat de verdachte hierdoor wordt beperkt bij het vinden van een woning. Daarnaast verzoekt de advocaat om een eventueel contact- en/of locatieverbod op te leggen als bijzondere voorwaarde en niet in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling op de zitting naar voren zijn gekomen.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft over een periode van meer dan 30 maanden zijn partner [slachtoffer 1] meermalen ernstig mishandeld. De verdachte heeft haar in die periode geslagen en geschopt tegen het lichaam en haar gewurgd. Op foto’s in het dossier is te zien welk letsel het slachtoffer bij die mishandelingen heeft opgelopen. Ook uit de getuigenverklaringen blijkt dat zij het slachtoffer vaak met blauwe ogen hebben gezien. De verdachte heeft met zijn handelen op zeer ernstige en grove wijze inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de door het slachtoffer ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring komt duidelijk naar voren hoe beschadigend en pijnlijk dit voor haar geweest is en hoeveel moeite het haar heeft gekost om los te komen uit de greep van de verdachte.
Nadat de aangeefster definitief de relatie had verbroken met de verdachte en zij het aandurfde om aangifte tegen hem te doen, heeft hij eerst haar auto vernield met een cobra 6. Direct daarna heeft de verdachte een cobra 6 gegooid richting het balkon waar de aangeefster op dat moment stond. Ook die cobra 6 is ontploft. Het is niet aan de verdachte te danken dat het gebleven is bij materiële schade, want het is algemeen bekend dat het zeer gevaarlijk en krachtig vuurwerk is, zodat de schade velen malen erger had kunnen zijn
Tot slot heeft de verdachte over een periode van meer dan vier jaar [slachtoffer 2] mishandeld. De verdachte heeft haar geslagen en geschopt tegen het gezicht en het lichaam, heeft haar gewurgd en heeft haar met een stofzuigerstang tegen de benen geslagen. Ook hier zitten in het dossier foto’s waarop het letsel van het slachtoffer zichtbaar is. Dit zijn schokkende foto’s, die duidelijk maken met welk grof geweld het slachtoffer te maken heeft gehad.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 januari 2026. Daaruit blijkt dat hij vaker veroordeeld is voor mishandeling van zijn partner. De rechtbank heeft dit in strafverzwarende zin laten meewegen bij het bepalen van de straf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 15 juni 2026, dat is opgesteld door drs. T.W. van de Kant (klinisch psycholoog, supervisor), en drs. N. Wortel (GZ-psycholoog, supervisant).
Volgens de deskundigen functioneert de verdachte op een zwakbegaafd niveau en is bij de verdachte sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, trekken van borderline persoonlijkheidsstoornis, een posttraumatische stress-stoornis en een stoornis in cannabisgebruik.
Dit alles heeft een bepalende rol gespeeld in de totstandkoming van de tenlastegelegde ontploffingen en de mishandelingen van zijn ex-partner [slachtoffer 1] . De deskundigen adviseren om deze feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Omdat de verdachte de tenlastegelegde mishandelingen van [slachtoffer 2] ontkent, is het voor de deskundigen niet mogelijk geweest een precies delictscenario te reconstrueren. Het is echter voorstelbaar dat bij een bewezenverklaring dezelfde dynamiek en onderliggende problematiek een rol gespeeld hebben tijdens dit feit en ook hebben doorgewerkt.
Het risico op recidive in gewelddadig gedrag wordt geschat op matig, waarbij dit op langere termijn kan oplopen tot hoog. Op dit moment heeft de verdachte geen partnerrelatie, maar de inschatting is dat hij al snel weer in contact komt met vrouwen, waarbij eenzelfde soort dynamiek zal ontstaan. Ondanks meerdere hulpverleningstrajecten en intensieve begeleiding lukt het de verdachte namelijk niet hiervan los te komen. In de huidige situatie zijn meerdere beschermende factoren aanwezig die hebben geleid tot stabiliteit op meerdere leefgebieden en een afname van antisociaal gedrag, maar deze zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico ten aanzien van partnergeweld te beteugelen.
Behandeling is dan ook noodzakelijk. Aangezien eerdere ambulante behandeltrajecten onvoldoende geslaagd zijn, wordt geadviseerd de behandeling in de eerste plaatst klinisch vorm te geven, waarna deze ambulant voortgezet kan worden. Naast behandeling is de verdachte gebaat bij externe structuur, begeleiding en toezicht. Zoals uit het verleden al is gebleken, is de inschatting dat begeleiding gedurende zijn leven in meer of mindere mate aanwezig moet blijven om hiervan te kunnen profiteren. De behandeling en begeleiding dienen dan ook langdurig te zijn. De behandeling vindt bij voorkeur plaats binnen een strafrechtelijk kader, zodat toezicht gehouden kan worden op het verloop hiervan. Geadviseerd wordt de behandeling vorm te geven in het kader van bijzondere voorwaarden, met een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur om zich te houden aan de voorwaarden en behandelafspraken.
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over de mate van toerekenbaarheid van de verdachte over. De rechtbank zal bij de straftoemeting rekening houden met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
De reclassering heeft gedurende het verloop van de strafzaak verschillende adviezen over de verdachte uitgebracht. De rechtbank betrekt het meest recente advies bij haar beoordeling: het advies van 3 september 2026 van GGZ Reclassering Inforsa Utrecht. Daarin staat dat de reclassering delictgerelateerde factoren ziet op het gebied van partnerrelatie, psychosociaal functioneren en houding. Vanwege de delictgerelateerde factoren en de uitkomst van het Pro Justitia onderzoek, adviseert de reclassering dat de verdachte vanuit detentie aansluitend klinisch wordt opgenomen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende -kort weergegeven- voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met slachtoffer [slachtoffer 1] , een locatieverbod en beheersing van het middelengebruik. Er zijn geen zwaarwegende negatieve consequenties voor het opleggen van een gevangenisstraf.
Straf
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, is de rechtbank van oordeel dat alleen kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast is het voor de rechtbank duidelijk geworden dat de verdachte intensieve behandeling nodig heeft om de kans op herhaling in de toekomst zo veel als mogelijk te verminderen. Ambulante behandeling, zoals door de verdachte gevraagd, is voor de rechtbank een gepasseerd station. De verdachte is in het verleden al meerdere malen intensief begeleid en behandeld, maar dit heeft kennelijk niet afdoende geleid tot een afname van de kans op herhaling, nu de verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt heeft aan het langdurig mishandelen van twee vrouwen. De rechtbank acht het dan ook van groot belang dat de verdachte dit keer klinisch behandeld gaat worden. Om een en ander mogelijk te maken, maar ook om te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw aan dit soort ernstige feiten schuldig zal maken, zal een fors voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd. Gelet op de naar verwachting lange duur die zal zijn gemoeid met het behandel- en begeleidingstraject stelt de rechtbank de proeftijd vast op drie jaar.
Alles afwegend legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, met daaraan gekoppeld de in het dictum opgenomen bijzondere voorwaarden.
De rechtbank zal bevelen dat deze bijzondere voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Maatregel artikel 38v Sr
Ook legt de rechtbank aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op grond van artikel 38v Sr op, ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel ziet op een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 1] en een locatieverbod van 5 jaar.
Het contactverbod houdt in dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] . Het locatieverbod houdt in dat de verdachte zich niet zal bevinden in de straat waar de moeder van [slachtoffer 1] woont, de straat waar [slachtoffer 1] zelf woont en in de straat waar [slachtoffer 1] werkt.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu gelet op de problematiek en de houding van de verdachte er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen tegenover [slachtoffer 1] .
6. Inbeslaggenomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 50,- aan hem kan worden geretourneerd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft gevraagd om teruggave van de € 50,- aan de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 50,-.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert een schadevergoeding van
€ 6.553,99 voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 553,99 voor vergoeding van materiële schade en € 6.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van haar schade volledig toewijsbaar is.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer tegen de vordering.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 2 bewezenverklaarde feit en wel voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder feit 2 gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 6.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 mei 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 57 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De politierechter in Utrecht heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16.238040.24 op 6 februari 2025 een gevangenisstraf van 60 dagen met aftrek opgelegd, waarvan 56 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
Om die reden zal de door de politierechter opgelegde voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.
9. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 157, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 4 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres Utrechtseweg 11-13 3811 NA in Amersfoort ;
* zich laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
* verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
* meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan dadelijk uitvoerbaar is;
Maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 (vijf) jaren;
- beveelt dat verdachte gedurende 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect -contact zal opnemen met [slachtoffer 1] , geboren op [2003] in [woonplaats] ;
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
Beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp:
50,00 EUR Geld Euro (PL0900-2025388565-3620842);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2)
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
€ 6.553,99 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 57 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf parketnummer: 16.238040.24
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank bij vonnis van 6 februari 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 56 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. S. Ourahma en
mr. C. Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te [woonplaats] tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door
- een cobra 6, in elk geval een stuk (knal)vuurwerk, in elk geval explosief materiaal, op een auto met het kenteken [kenteken] te leggen en/of vervolgens aan te steken en/of tot ontbranding te brengen en/of in aanraking te brengen met open vuur en/of
- ten gevolge waarvan/waarna deze cobra 6, in elk geval het stuk (knal)vuurwerk en/of explosief materiaal tot ontploffing is gekomen en/of voornoemde auto heeft beschadigd en/of
- ( vervolgens) een tweede cobra 6, in elk geval een stuk (knal)vuurwerk en/of explosief materiaal aan te steken en/of tot ontbranding te brengen en/of in aanraking te brengen met open vuur en/of
- ( vervolgens) te gooien naar/in de richting van het balkon van de woning aan de [adres] en/of
- ten gevolge waarvan/waarna de tweede cobra 6, in elk geval een stuk (knal)vuurwerk en/of explosief materiaal tot ontploffing is gekomen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde auto en/of het balkon en/of het gebouw en/of de omliggende gebouw(en) (onder andere gelegen aan de [straat] ) en/of de zich in omliggende gebouwen bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
2
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2023 tot en met 27 mei 2025 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,
- te stompen en/of te slaan met een tot vuist gebalde hand en/of met een platte hand op de ogen en/of in het gezicht, in elk geval tegen het hoofd, en/of
- te stompen en/of te slaan met een tot vuist gebalde hand en/of met een platte hand tegen het lichaam en/of
- hard en/of krachtig te trekken aan de haren en/of
- te bijten in de wangen, althans in het gezicht, en/of in de handen en/of de armen, althans in het lichaam, en/of
- te krassen en/of te krabben in de nek en/of de hals, in elk geval aan het hoofd en/of het lichaam
- met zijn hand(en) de keel en/of nek en/of de hals vast te pakken en/of te wurgen, in elk geval te knijpen en/of
- te schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of
- te duwen tegen en/of vastpakken van het lichaam
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
3
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 november 2025 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [slachtoffer 2] heeft mishandeld
door die [slachtoffer 2] ,
- te duwen en/of
- aan de haren te trekken en/of
- te slaan in het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam met een tot vuist gebalde hand en/of met een platte hand en/of met een telefoon, in elk geval met voorwerpen, en/of
- te schoppen en/of
- te wurgen, althans het met kracht bij de keel/nek/hals vast te pakken en/of
- een brandende sigaret (uit) te drukken / te duwen in/op het oog en/of
- te slaan met een stofzuigerstang tegen de benen en/of de voeten en/of de heupen,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
4
hij op of omstreeks 13 november 2025 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten vier shells/mortierbommen Bomba Kalusta en/of een stuk knalvuurwerk flashbanger Gigant Maroon, in elk geval mortierbommen en/of zwaar knalvuurwerk van categorie F4,
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Feit 3
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 13 november 2025 kregen wij een spoedmelding:
- melder zou een appje van zus krijgen dat ze 112 moest bellen omdat ze niet veilig zou zijn;
- ze zouden bij een kantoorpand zijn aan de [straat] in [woonplaats] ;
- vriend van zus zou [verdachte] heten.
Hierna ben ik samen met collega [verbalisant 1] deze kant op gegaan. Het is mij ambtshalve bekend dat [verdachte] een kantoorpand heeft op de [adres] in [woonplaats] . Ter plaatse herkende ik [slachtoffer 2] . Ik hoorde haar zachtjes fluisteren "help". Ik zag dat ze ter hoogte van haar rechterwenkbrauw pleisters had. Ik zag dat ze bloed vlekken op haar trui had. Ik zag ook op de bank een dildo liggen.
Ik hoorde haar, kort en bondig weergegeven, verklaren dat:
-vanavond een discussie zou zijn ge-escaleerd, voor de zoveelste keer;
-ze nooit eerder melding heeft gemaakt hiervan en nu heel erg angstig was;
-ze nu toen hij even niet naar haar keek haar zusje heeft kunnen WhatsApp, om haar 112 te laten bellen;
- [verdachte] zou haar vanavond hebben gewurgd, geslagen op haar hoofd en in haar buik;
-hij haar al velen malen vaker had mishandeld;
-ze niet durfde aangifte te doen omdat ze heel bang was voor hem.
Zie aangifte voor verdere verklaring van [slachtoffer 2] . Ook zag ik dat [slachtoffer 2] lichte striemen in haar nek had.
Een proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 november 2025 hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam : [slachtoffer 2]
Voornamen : [voornamen]
Geboortedatum : [1999]
Ik doe aangifte van mishandeling door mijn partner [verdachte] . Op 13 november 2025 bevond ik mij in [woonplaats] in het bedrijfspand van mijn partner [verdachte] . Ik ben al 4/5 jaar samen met [verdachte] . Na korte tijd in deze relatie werden ruzies fysiek. Hierbij werd ik regelmatig geslagen, geschopt of met voorwerpen geslagen.
Omdat ik boodschappen had gedaan en ik iets was vergeten werd [verdachte] erg boos op mij. Ik zag dat hij met een gebalde linker vuist een zwaai maakte en met zijn vuist mijn richting op kwam. Ik zag en voelde dat zijn gebalde vuist met grote kracht mij raakte boven mijn rechterwenkbrauw. Ik voelde daarna meteen erge pijn. Ik voelde ook dat er direct vanaf die plek bloed uit de wond stroomde. Hierna ging de ruzie verder. Tijdens deze ruzie heeft [verdachte] mijn keel vastgepakt, voor ongeveer 10 seconden. Ik kreeg hierdoor 10 seconden geen lucht en ik begon te hoesten.
Tijdens deze ruzies is het al vaker voorgekomen dat hij mij heeft mishandeld. Ik heb ook al vaker zwaar letsel gehad bijvoorbeeld een keer dat ik een gat in mijn hoofd had en ik ben eens aan één oog blindgeraakt voor een half jaar. Mijn zus is altijd op de hoogte geweest van de dingen die er hebben gespeeld, ik heb haar altijd alles verteld. Ook ben één keer eerder in behandeling geweest bij het ziekenhuis, naar aanleiding van een mishandeling.
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 november 2025 werd door mij gehoord, de aangever:
Achternaam : [slachtoffer 2]
Voornamen : [voornamen]
Geboortedatum : [1999]
Ik heb [verdachte] leren kennen in 2021. Vrij snel, na een half jaar al begonnen zijn woede uitbarstingen en begon hij fysiek geweld te laten zien. Dit begon met duwen en haren trekken.
Gedurende de jaren dat ik een relatie met [verdachte] heb heeft er altijd fysiek geweld plaats gevonden. Dit gebeurde echt regelmatig. Er is nooit een tijd geweest dat er maandenlang niks gebeurde qua fysiek geweld. Ik durf wel te zeggen dat er iedere week mishandeling heeft plaatsgevonden. Heel vaak gebeurde de mishandelingen in het kantoorpand van [verdachte] .
Dit ging van haren uit mijn hoofd trekken, schoppen slaan. Vooral gericht op gezicht en hoofd. Als hij merkte dat hij de macht verloor met het slaan pakte hij voorwerpen om mee te gooien of te slaan. Ook wurgde hij mij bijna altijd tijdens de mishandelingen.
In dat eerste jaar ben ik ook voor een half jaar lang blind geweest aan mijn linkeroog. [verdachte] heeft mij een trap gegeven met zijn voet. Toen is er wat gespat in mijn oog en werd mijn oog helemaal bebloed van binnen. Ik heb mijn vriendin [getuige 3] gebeld nadat dit was gebeurd. Toen ben ik de volgende dag naar het ziekenhuis gegaan.
In 2024 ben ik ook geslagen met een stofzuigerstang daardoor kon kan ik heel lang niet lopen. Hij heeft mij geslagen op mijn gehele been. Vanaf mijn voet tot aan mijn heup. Ik ben ook geslagen op mijn armen maar hij richtte voornamelijk op mijn been. Hiervan heeft een kennis foto’s. De foto's zijn van 7 en 9 december 2024.
Afgelopen jaar vond dit incident plaats in zijn kantoorpand in [woonplaats] . Toen sloeg hij mij meerdere malen met het hoekje van zijn telefoon. Hierna voelde ik mij licht in mijn hoofd en voelde ik wat stromen. Ik wilde dit wegvegen en toen zag ik aan mijn handen dat het bloed was.
Mijn zusje weet ook veel van de mishandelingen. Zij heeft ook wel eens mijn gezicht bont en blauw gezien. Ook bel ik mijn vriendin [getuige 3] vaak nadat de mishandelingen hebben plaatsgevonden. Op 6 of 7 maart 2025 heb ik hulp gezocht. Ik was in de avond ervoor met [verdachte] en heeft hij mij na weer de zoveelste ruzie twee blauwe ogen geslagen.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik hoorde [slachtoffer 2] het volgende verklaren. Op 14 november 2025 heb ik foto's en filmpjes gedeeld met politie collega [verbalisant 2] van de volgende incidenten:
- schoongemaakte wond boven wenkbrauw;
- mishandeling been met stofzuigerstang.
Mijn pleegouder [getuige 2] heeft in het verleden een melding gemaakt bij de politie. Dit was naar aanleiding van de mishandeling met de stofzuigerstang, gepleegd door [verdachte] . Ik heb haar de foto's van mijn blauwe been toegestuurd. Ik vroeg haar deze te bewaren, mocht ik ze ooit nodig hebben. Mijn pleegmoeder was enigszins op de hoogte van de mishandelingen die hadden plaatsgevonden.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 november 2025 ontving ik een medische verklaring van [slachtoffer 2] . Ik, zag, onder andere, de volgende gegevens op deze medische verklaring staan:
[woonplaats] 17-11-2025
Betreft: medische informatie
[slachtoffer 2]
[adres]
[woonplaats]
Geb.datum: [1999]
Dossier met betrekking tot eerdere mishandeling
Datum:
10-10-2022 Mishandeling
14-10-2022 Oogletsel, oogtrauma OD, grote subretinale bloeding.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag, onder andere, de volgende gegevens op deze medische verklaring staan:
Naam: [slachtoffer 2]
Geboortedatum: [1999]
Adres: [adres] , [woonplaats]
Postcode: [postcode]
Locatie: [woonplaats]
Contactdetails
Locatie: [woonplaats]
Actie: Consult HA
Datum: 14-11-2025 03:20
Subjectief
partner heeft mw mishandeld, ging over boodschappen, klap in gezicht waarbij wenkbrauw is opengespleten, bloedde enorm, daarna gewurgd, heeft zusje kunnen waarschuwen om 112 te bellen en politie heeft mw geholpen, partner is aangehouden en vannacht opgesloten, heeft ook enkele klappen in de buik gehad.
Objectief
helder en alert snijwond 4 cm in wenkbrauw rechts iets doorlopend omhoog, wijkend,
tot op schedel, kan wenkbrauw en ooglid en voorhoofd normaal bewegen, schoongemaakt
met kraanwater, 1 hechting geplaatst.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 22 december 2025 ontving ik een forensisch-medisch letselbeschrijving van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO. Op 15 november 2025 werd er een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van niet-fatale strangulatie bij het slachtoffer [slachtoffer 2] . Ik las in deze letselbeschrijving de volgende bevindingen:
- Hechtpleisters boven de rechter wenkbrauw vanwege een gelijmde wond.
- Een bloeduitstorting van het bovenooglid van het rechteroog.
- Een bloeduitstorting aan de achterzijde van de linker oorlel.
- Een krasletsel aan de rechterzijde van de hals.
Bij het onderzoek van de keelholte is de rechter sinus piriformis, de smalle ruimte aan weerszijden van het strottenhoofd (keelholte), donkerder rood ten opzichte van links. Er is extra vocht gezien rondom het rechteroog.
Een proces-verbaal van verhoor getuige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 november 2025 werd door mij gehoord, de getuige:
Achternaam : [getuige 3]
Voornamen : [voornamen]
Geboortedatum : [2000]
Ik ben [getuige 3] ik ben de beste vriendin van [slachtoffer 2] . Ik ken [slachtoffer 2] nu 7 jaar. Ik facetime dagelijks met [slachtoffer 2] . In 2021 kreeg [slachtoffer 2] een relatie met [verdachte] . [slachtoffer 2] heeft mij vaak over de mishandelingen verteld. Dit waren vooral de forse mishandelingen, waar zij niet omheen kon vanwege het letsel.
Nadat [slachtoffer 2] zo'n 6 maanden een relatie had met [verdachte] belde [slachtoffer 2] mij op en ik hoorde dat zij mij vertelde dat [verdachte] haar geslagen had. Ik vroeg waarom en hoe dat kon. Ik weet dat ik [slachtoffer 2] heel vaak gezien heb na mishandelingen en dat zij altijd blauwe plekken op vooral hoofd had.
Ik denk dat het 2023 was toen ik [slachtoffer 2] mij facetimde. Ik zag dat haar linkeroog onder bloed zat. Ik zag dat het oogwit helemaal bebloed was en dat haar hele oog en ter hoogte van haar slaap rood was. [slachtoffer 2] vertelde mij dat [verdachte] haar mishandeld had.
Op 7 maart 2025 ging [slachtoffer 2] naar het [naam] in [woonplaats] , de crisisopvang, om hulp
te zoeken. Ik wist dat ze twee blauwe ogen had, maar ik schrok toen ik haar in het echt zag. In 2024 was [slachtoffer 2] fors mishandeld. Ze was toen met een stalen buis tegen haar been geslagen. Ik heb [slachtoffer 2] toen gezien en haar hele been was blauw.
[slachtoffer 2] stuurde mij op 13 november 2025 om 23.28 uur via whatsapp: SOS. Reageer nu ik heb politie gebeld voor [verdachte] .
Vannacht 14 november 2025, ging ik om 02.00 uur, naar het politiebureau in [woonplaats] om [slachtoffer 2] op te halen. Ik zag al het letsel in haar gezicht. Ik zag dat er een enorme snee rechterwenkbrauw zat. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] mij vertelde dat [verdachte] haar weer mishandeld had.
Ik heb nu net een aantal momenten benoemd, maar er zijn nog vele anderen. Ik kan mijzelf alleen niet goed de data herinneren wanneer het exact gebeurd is. Er was wekelijks wel iets aan de hand tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] . De ene keer een mishandeling en de andere keer een forse ruzie en/of bedreiging. [slachtoffer 2] stuurde mij regelmatig eenmalige fotoweergaven op whatsapp. Ik kreeg dan een gesprek te zien tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] . [verdachte] vroeg [slachtoffer 2] dan om naar zijn kantoor te komen. Als ik nadien met [slachtoffer 2] ging facetimen zag ik dat zij onder de blauwe plekken zat of een rood gezicht had.
Een proces-verbaal van verhoor getuige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 november 2025 werd door ons gehoord, de getuige:
Achternaam : [getuige 2]
Voornamen : [voornamen]
Geboortedatum : [1963]
V: Kan jij de relatie tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] voor ons omschrijven?
Er hoefde maar 1 ding fout te gaan en dan had ze het gedaan en dan had ze de klappen te pakken.
V: In welke mate is er sprake van fysiek geweld in de relatie?
A: Ik heb vaak zat blauwe plekken bij haar gezien. Ik heb er zelfs een paar op mijn telefoon staan, met een stofzuigerslang.
O: Wij zien dat de getuige de foto's toont, dit zijn dezelfde foto's als die al in het bezit zijn van de politie waarop het been van het slachtoffer te zien is met verkleuringen op het been.
V: Heb jij zelf letsel bij [slachtoffer 2] gezien en zo ja, kan je dit omschrijven?
A: Ja, zelfs het gat in haar hoofd. Toen is ze met de telefoon geslagen. Dit was ergens begin van de zomer. Ik zag een winkelhaak in haar hoofd, gewoon zo'n V-vorm van een verwonding. [slachtoffer 2] zat de afgelopen maanden continu onder de blauwe plekken. Toen ik haar vaker zag, zag ik de blauwe plekken vaker. Ik zag bijvoorbeeld op verschillende momenten dit jaar dat ze een blauw oog had. Dit gaat om meerdere keren, dus het was niet van dezelfde keer. [slachtoffer 2] vertelde mij ook dat ze werd geslagen door [verdachte] . Ze vertelde dat [verdachte] opeens binnen kwam en uit het niet begon met slaan met van alles en nog wat. Ik hoorde van [slachtoffer 2] dat dit uit het niets gebeurde.