[eiser] uit [plaats] (Turkije), eiser
(gemachtigde: mr. M. Heimensem)
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] )
Samenvatting
Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om vergoeding van de werkelijke schade die hij en zijn gezin hebben geleden als gevolg van de toeslagenaffaire. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Het gaat eiser om schade die is ontstaan door de arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote, die volgens hem het gevolg is van het handelen van de Dienst Toeslagen. Met een tussenuitspraak heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld om het verband tussen de arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote en het handelen van de Dienst Toeslagen te onderbouwen. Hierop heeft eiser nadere stukken ingediend. Uit deze stukken blijkt het verband echter niet. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het verzoek van eiser om vergoeding van de werkelijke schade op juiste gronden is afgewezen.
Inleiding
1. Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 9 juni 2026 en voor de van toepassing zijnde wet en regelgeving, verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Commissie Werkelijke Schade (CWS) uit is gegaan van een te beperkte opvatting van het ‘schadeveroorzakende handelen’, door strikt vast te houden aan de datum van de stopbrief die aan eiser en zijn echtgenote is gestuurd. Verweerder heeft zich dan ook niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het advies van de CWS mogen baseren.
3. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het (mogelijk) schadeveroorzakende handelen in geval van eiser en zijn gezin niet slechts de stopbrief van 24 december 2010, maar ook het daaraan voorafgaande onderzoek naar gastouderbureau [naam 1] en haar klanten (waaronder eiser en zijn echtgenote), hetgeen uiteindelijk tot de stopbrief geleid en dat beruste op dezelfde institutionele groepsgewijze vooringenomenheid. Het gaat dus ook om het verhaal van eiser over de gebeurtenissen voorafgaand aan de stopbrief en de gevolgen daarvan. Op deze meeromvattende aanduiding van het schadeveroorzakende handelen had verweerder de werkwijze voor het vaststellen van het causale verband zoals voorgeschreven in het nieuwe schadekader, moeten toepassen. In de tussenuitspraak concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd.
4. Omdat op de zitting naar voren kwam dat eiser nog aanvullende (medische) stukken zou hebben waaruit zou kunnen blijken dat het handelen van de Dienst Toeslagen inderdaad heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van de echtgenote van eiseres, heeft de rechtbank eiser in de tussenuitspraak eerst in de gelegenheid gesteld om stukken te overleggen.
5. Op 15 juli 2026 heeft eiser de volgende stukken, voorzien van een toelichting, overgelegd:
een brief van de orthopedisch chirurg van het [ziekenhuis] van 20 december 2010 aangaande zijn echtgenote;
een huisartsenjournaal over de periode van 22 april 2010 tot en met 5 oktober 2011 aangaande zijn echtgenote;
een brief van de bedrijfsarts van Achmea Vitale van 7 april 2011 aangaande zijn echtgenote;
een foto van de envelop die zij op 6 december 2010 van [naam 1] ontvingen met daarin hun dossier en alle uren aan opvang die zij bij het gastouderbureau hadden afgenomen;
een verklaring van [naam 2] van 19 juni 2026, de bevriende relatie die hen enkele weken eerder had geïnformeerd over de stopbrief die zij had ontvangen;
een brief van de GZ-psycholoog van [praktijk] van 28 september 2017 aangaande zijn dochter;
een verwijsbrief van de huisarts naar [praktijk] van 3 juli 2017 aangaande zijn dochter.
6. Op 23 juli 2026 heeft verweerder gereageerd. Volgens verweerder blijkt uit deze stukken niet van een causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de echtgenote van eiser en het handelen van de Dienst Toeslagen. Eiser is het hier niet mee eens en heeft op 10 augustus 2026 een nadere reactie gestuurd. Verweerder heeft vervolgens nog op 25 augustus 2026 gereageerd.
7. De rechtbank heeft het onderzoek op 22 september 2026 gesloten.
Overwegingen
8. De rechtbank is, met verweerder, niet gebleken van een causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de echtgenote van eiser en het handelen van de Dienst Toeslagen. Zij overweegt daartoe als volgt.
9. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen, is het uitgangspunt dat de Dienst Toeslagen ruimhartig te werk gaat bij het beoordelen van de feiten en omstandigheden. Dat betekent bijvoorbeeld dat hij bij het ontbreken van gegevens kan afgaan op de door de ouder verstrekte informatie. Dit uitgangspunt houdt echter geen opdracht aan de Dienst Toeslagen in om zonder meer een causaal verband aan te nemen tussen de door de ouder gestelde schade en het handelen van de Dienst Toeslagen, als het causaal verband niet aannemelijk is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier het geval.
10. Uit de stukken die zijn ingediend blijkt dat de echtgenote van eiser aanvankelijk kampte met fysieke klachten en dat daar eind 2010 of begin 2011 psychische klachten bij zijn gekomen. Waar deze psychische klachten echter aan kunnen worden gerelateerd, volgt niet uit de stukken. Dat de klachten (ongeveer) gelijktijdig met de problemen van het gezin rondom de kinderopvangtoeslag zijn ontstaan, is onvoldoende voor het aannemen van een causaal verband tussen beide. Eiser heeft gewezen op het huisartsenjournaal waarin staat dat zijn echtgenote op 7 februari 2011 last had van flauwvallen bij boosheid en onmacht, maar ook daaruit blijkt niet van een verband met het handelen van de Dienst Toeslagen. De aanleiding of oorzaak van deze klachten wordt niet genoemd, zodat hier ook andere factoren een rol bij kunnen hebben gespeeld. Ook aan de hand van de overige stukken kan niet worden bepaald in hoeverre er een causaal verband bestaat tussen de psychische problematiek van de echtgenote van eiser en het handelen van de Dienst Toeslagen.
11. Tot slot is er een discussie ontstaan tussen partijen over de specifieke data waarop de echtgenote van eiser zou zijn doorverwezen naar Stichting [naam 3] , Interculturele Geestelijke Gezondheidszorg en aldaar een intake heeft plaatsgevonden (was dit nu vóór of ná de stopbrief van 24 december 2010). De rechtbank wijst er echter op dat dit haar oordeel in deze zaak niet anders zou maken. Zoals zij in de tussenuitspraak al heeft overwogen, zou het schadeveroorzakende handelen in dit geval immers niet slechts door de stopbrief, maar door het (meeromvattende) vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen ten aanzien van eiser en zijn gezin bij het onderzoek naar gastouderbureau [naam 1] . Hieronder vallen dus ook de gebeurtenissen voorafgaand aan de stopbrief en gevolgen daarvan. Maar het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de klachten waarvoor zijn echtgenote naar Stichting [naam 3] is verwezen veroorzaakt zijn door het handelen van de Dienst Toeslagen. Daar is eiser niet in geslaagd.
Conclusie
12. Omdat niet is gebleken van een causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de echtgenote van eiser en het handelen van de Dienst Toeslagen, is het verzoek van eiser op juiste gronden afgewezen.
13. Vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit, moet het beroep van eiser echter gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Verweerder heeft in beroep alsnog voldoende gemotiveerd waarom niet is gebleken van een causaal verband, ook als moet worden uitgegaan van de door de rechtbank gegeven (meeromvattende) aanduiding van het schadeveroorzakende handelen. Daarmee is dit gebrek hersteld, zodat de rechtbank de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand laat.
14. Concreet betekent dit dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt in de zaak. De afwijzing van eisers verzoek om vergoeding van de werkelijke schade blijft in stand.
15. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten die eiser in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt de kosten van eiser voor de beroepsmatige rechtsbijstand van zijn gemachtigde vast op € 2.335,-- (1 punt voor het indienen van het beroep, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 934,--, onder een wegingsfactor 1). Dit tarief staat in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
16. Tot slot moet verweerder het griffierecht van € 53,-- dat eiser voor zijn beroep heeft betaald aan hem vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 2.335,--;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 53,-- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is op 2 oktober 2026 in het openbaar gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer-de Bruin, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan diegene de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.