Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 607107 HA RK 26-22
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 26 februari 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 17 februari 2026 per e-mail mr. G. Konings gewraakt. Mr. G. Konings (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer C/16/606336 / FT RK 26/58 (hierna: de hoofdzaak). Verzoekster heeft verzocht om te worden gehoord op zitting over het ingediende wrakingsverzoek. Op 19 februari 2026 heeft verzoekster per e-mail het verzoek nader toegelicht.
In de hoofdzaak wordt het verzoekschrift behandeld dat strekt tot faillietverklaring van [verzoekster] B.V..
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoekster heeft het wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Stukken met betrekking tot steunvorderingen hebben verzoekster pas bereikt op de dag van de behandeling van de zaak, namelijk op 17 februari 2026. Verzoekster heeft vóór de behandeling geen kennis kunnen nemen van deze ingediende stukken. Ook de rechter had geen stukken ontvangen en zou dit na de zitting controleren. Hierdoor heeft verzoekster onvoldoende kunnen reageren op de zitting, omdat er slechts bedragen en namen werden genoemd, die niets met [verzoekster] B.V. te maken hadden.
3. De beoordeling
De hoofdzaak is op 17 februari 2026 op zitting behandeld, waarbij een gemachtigde van verzoekster en een adviseur van verzoekster aanwezig waren. De rechter heeft aan het eind van de zitting de behandeling gesloten en heeft toen aangegeven even te zullen nadenken over de zaak. De rechter heeft partijen laten weten dat zij de griffie op 17 februari 2026 om 14:00 uur konden bellen om de beslissing te vernemen. De rechter heeft niet aangegeven hoe laat de uitspraak zou zijn.
Verzoekster heeft na de zitting, op 17 februari 2026 om 11:39 uur, de afdeling Insolventie gemaild met het verzoek om de rechter te wraken.
De uitspraak in de hoofdzaak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 om 12:00 uur. Op dat moment was de rechter niet bekend met het ingediende wrakingsverzoek. De administratie van de afdeling Insolventie heeft namelijk pas kennis genomen van de e-mail met het wrakingsverzoek ná 12:00 uur, heeft kort daarna de rechter bericht en heeft om 12:36 uur de e-mail doorgestuurd naar het secretariaat van de wrakingskamer.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Een wrakingsverzoek kan worden ingediend totdat de behandelend rechter einduitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Na een einduitspraak eindigt de procedure namelijk en is er dus geen “behandelend rechter” meer zoals wordt bedoeld in artikel 36 Rv. Een voorafgaand aan de uitspraak maar na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan als het bij het gerecht is ingekomen op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis konden nemen. Hoewel verzoekster het wrakingsverzoek heeft ingediend vóór de einduitspraak, heeft de rechter hiervan redelijkerwijs geen kennis van kunnen nemen, omdat het verzoek 21 minuten voor de einduitspraak is ingediend.
Door deze gang van zaken stelt de wrakingskamer vast dat de zaak met een einduitspraak is geëindigd. Daarmee is de hoofdzaak afgedaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat de einduitspraak is gedaan. Daarom is verzoekster niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek. Voor een behandeling van het wrakingsverzoek op een zitting bestaat geen reden, omdat het recht op een mondelinge behandeling door de wetgever is bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het voorgaande niet toegekomen.
De conclusie is dat verzoekster niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. B.F. Hammerle als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S. Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.