RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
vonnis
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer / rolnummer: C/16/614687 / KG ZA 26-442
Vonnis in kort geding van 13 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [plaats 1] ,
eiser,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. H.C.D. Bos,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde,
hierna: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.N. Ziekman-Meijerink.
1. De procedure
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
de dagvaarding van 21 juli 2026 met producties 1 tot en met 9;
de brief van [eiser] van 28 juli 2026 met producties 10 tot en met 18;
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10, ontvangen op 28 juli 2026;
de brief van [eiser] van 29 juli 2026 met productie 19.
Op 30 juli 2026 vond de zitting plaats. Daarbij waren aanwezig:
[eiser] en mr. K.C.G. Wijers, waarnemend voor mr. Bos;
[gedaagde] en mr. L.C. Griffioen-Wennekers, waarnemend voor mr. Ziekman-Meijerink.
Tijdens de zitting hebben de advocaten pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Vervolgens is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. Korte feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij woonden samen in [plaats 1] .
Zij hebben samen een kind: de eenjarige [minderjarige] (geboren op [2025] ) over wie partijen samen het gezag hebben.
Op 4 mei 2026 is [gedaagde] samen met [minderjarige (voornaam)] uit de echtelijke woning vertrokken. Zij heeft eerst samen met hem in een vakantiewoning gewoond en verblijft sinds 10 juli van dit jaar in een huurwoning in [plaats 2] . [minderjarige (voornaam)] is op haar adres ingeschreven.
[eiser] woont nog steeds in de woning in [plaats 1] .
Voor de verhuizing van [minderjarige (voornaam)] naar [plaats 2] heeft [eiser] geen toestemming gegeven.
3. Het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd:
1. primair
[gedaagde] gebiedt binnen veertien dagen na betekening van het vonnis met [minderjarige (voornaam)] terug verhuist naar de gemeente [.] en hem aldaar in te schrijven, althans naar een woning binnen de gemeente [.] , en daarbij de volgende zorgregeling op te leggen:
o week 1:
[minderjarige (voornaam)] verblijft van maandag 8.30 uur tot woensdag 8.30 uur bij [gedaagde] ;
[minderjarige (voornaam)] verblijft van woensdag 8.30 uur tot vrijdag 8.30 uur bij hem;
[minderjarige (voornaam)] verblijft van vrijdag 8.30 uur tot maandagochtend 8.30 uur bij [gedaagde] ;
o week 2:
[minderjarige (voornaam)] verblijft van maandag 17.00 uur tot dinsdag 17.00 uur bij [gedaagde] ;
[minderjarige (voornaam)] verblijft van dinsdag 17.00 uur tot donderdag 17.00 uur bij hem;
[minderjarige (voornaam)] verblijft van donderdag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur verblijft [minderjarige (voornaam)] bij [gedaagde] ;
[minderjarige (voornaam)] verblijft van vrijdag 17.00 uur tot maandag 17.00 uur bij hem;
De wissels vinden plaats om 8.30 uur of 17.00 uur, afhankelijk van beschreven zorgregeling;
o iedere maandag verblijft [minderjarige (voornaam)] op kinderopvang [kinderopvang] in [plaats 1] . De ouder bij wie [minderjarige (voornaam)] op maandagochtend verblijft, brengt hem naar de kinderopvang;
o dan wel een zorgregeling die de voorzieningenrechter in goede justitie redelijk acht;
2. subsidiair
o bepaalt dat [minderjarige (voornaam)] voorlopig aan hem wordt toevertrouwd, met bevel tot afgifte van [minderjarige (voornaam)] aan hem;
o [gedaagde] verplicht haar medewerking te verlenen aan de inschrijving van [minderjarige (voornaam)] op [eiser(-s)] adres;
o een voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige (voornaam)] en [gedaagde] vast te stellen op grond waarvan [minderjarige (voornaam)] volgens voornoemde regeling bij partijen verblijft;
3. meer subsidiair
o bepaalt dat, als voornoemde vorderingen worden afgewezen, hij een voorlopige zorgregeling heeft met [minderjarige (voornaam)] voor de duur van de bodemprocedure, uitgaande van genoemde tweewekelijkse structuur;
4. [gedaagde] verbiedt [minderjarige (voornaam)] in te schrijven op een kinderopvang of school buiten de gemeente [.] ;
5. bepaalt dat, zolang [gedaagde] niet is terugverhuisd naar [plaats 1] , verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige (voornaam)] van en naar hem conform de zorgverdeling;
6. [gedaagde] veroordeelt aan hem een dwangsom te betalen van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft te voldoen aan het onder 1., 2., 3. of 4. uitgesproken vonnis, met een maximum van € 25.000;
7. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, althans [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding (de formulering van dit onderdeel wekt bij de voorzieningenrechter enige verbazing).
[gedaagde] vraagt de vorderingen van [eiser] af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als [eiser] deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft voldaan, alsmede met de nakosten ten bedrage van € 178 althans van € 304, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten als hij deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving heeft voldaan.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover deze relevant zijn, nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
Geen spoedeisend belang
Voor het treffen van een gevorderde voorziening is het nodig dat [eiser] daarbij voldoende spoedeisend belang heeft. Dat is het geval als hij aannemelijk maakt dat hij de uitkomst van een bodemprocedure niet kan afwachten en nu een oordeel van de voorzieningenrechter nodig heeft. Bij de beoordeling van de vraag of [eiser] een dergelijk spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft, moet onderscheiden worden tussen de vordering tot het terug verhuizen en de vordering over de zorgregeling. De vorderingen in zijn petitum sub 4. tot en met 6. vloeien daaruit voort, zodat het spoedeisend belang bij die vorderingen niet afzonderlijk beoordeeld hoeft te worden.
Wat betreft het terug verhuizen is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang ontbreekt. Volgens [eiser] kan van hem niet gevergd worden een bodemprocedure te starten, omdat die zo lang duurt dat [minderjarige (voornaam)] in [plaats 2] geworteld zal zijn. De bodemrechter zal diens verhuizing daarom niet terugdraaien, aldus [eiser] . Bovendien bestaat de kans dat [gedaagde] [minderjarige (voornaam)] op een kinderopvang in [plaats 2] zal inschrijven, waardoor hij daar nog meer geworteld zal worden.
[gedaagde] betwist het bestaan van een spoedeisend belang. Daartoe voert zij onder meer aan dat zij voor een zodanige inschrijving [eiser(-s)] toestemming nodig heeft.
De voorzieningenrechter begrijpt [eiser(-s)] vrees, maar die is op zichzelf onvoldoende om een spoedeisend belang op te leveren. Uit niets blijkt dat het met [minderjarige (voornaam)] niet goed gaat in [plaats 2] . Verder is het – anders dan [eiser] veronderstelt – niet gezegd dat de bodemrechter na afweging van alle betrokken belangen tot het oordeel zal komen dat de verhuizing naar [plaats 2] in stand blijft. Een kind van deze leeftijd is namelijk nog niet geworteld en bovendien plegen mensen (dus ook kinderen) wel vaker – al millennia zelfs – te verhuizen; zeker ook op latere leeftijd. Dat [eiser] een rechtens te respecteren belang heeft zich te verzetten tegen deze verhuizing, betekent daarom nog niet dat hij daarbij ook een spoedeisend belang heeft.
Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter best begrijpt dat [eiser] zich gepasseerd voelt. Voor de verhuizing heeft [gedaagde] [eiser(-s)] toestemming nodig. Die heeft zij niet. Door desondanks met kind en al te verhuizen, heeft zij inbreuk gemaakt op [eiser(-s)] rechten als gezaghebbende ouder en in beginsel onrechtmatig jegens hem gehandeld. Uit dat wat partijen hebben gezegd, blijkt dat [gedaagde] op 18 juni 2026 heeft laten weten naar [plaats 2] te willen verhuizen, waar [eiser] het niet mee eens was. Desondanks heeft zij de verhuizing (kennelijk heimelijk) doorgezet en op 29 juni 2026 tijdens een gesprek bij de mediator meegedeeld toch te zullen verhuizen. In dit licht moet [gedaagde(-s)] verweer dat zij [eiser(-s)] toestemming nodig heeft voor inschrijving op een kinderopvang met een korrel zout genomen worden. Immers heeft zij voor de verhuizing naar [plaats 2] ook geen toestemming gevraagd, althans zeker niet gekregen.
Wat betreft de gevorderde zorgregeling overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vast staat dat partijen een regeling overeen zijn gekomen. Tussen partijen staat ook vast dat die regeling wordt nagekomen.
Wat [eiser] feitelijk van de voorzieningenrechter vraagt, is de overeengekomen regeling uit te breiden. Daarvoor is de rekestprocedure dwingend voorgeschreven. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, die de conclusie rechtvaardigen dat onmiddellijk ingrijpen door de voorzieningenrechter desondanks nodig is. Voor wijziging van de zorgregeling zal [eiser] zich dus tot de bodemrechter moeten wenden.
Dat deze regeling onder druk tot stand is gekomen, zoals [eiser] zegt, en hij akkoord is gegaan uit vrees zijn zoon überhaupt niet meer te zien, moge – indien al juist – zo zijn, maar maakt voornoemd oordeel niet anders.
Op grond van al het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen afwijzen.
Proceskosten
In afwijking van de hoofdregel van artikel 237 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bestaat in familierechtelijke zaken het gebruik de proceskosten te compenseren. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding van dit gebruik af te wijken.
Tot slot
Met het oog op de procedure(s) die naar verwachting tussen partijen zullen plaatsvinden, en indachtig het beginsel dat een advocaat dominus litis is, doet de voorzieningenrechter een dringend beroep op de bij de zaak betrokken advocaten hun cliënten in het vervolg in toom te houden en in elk geval te onderscheiden tussen – mild uitgedrukt – hoofd- en bijzaken. Tijdens deze procedure ontspon zich namelijk tussen partijen (en tijdens de zitting zelfs tussen de advocaten) de even bedenkelijke als vruchteloze discussie over de vraag of [eiser] moedermelk vindt stinken. De voorzieningenrechter begrijpt werkelijk niet hoe ’s mans geurvoorkeuren van enige relevantie kunnen zijn voor de beoordeling van diens vorderingen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af,
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, voorzieningenrechter, in samenwerking met mr. M.J.W. Rietveld als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op
13 augustus 2026.