RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/007156-26, 16/039864-26 (gev. ttz), 10/093357-25 (vord. tul),
16/015839-25 (vord. tul), 02/181047-24 (vord. tul)
Tegenspraak
Verkort vonnis van de meervoudige kamer van 1 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1997] in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 september 2026. Het onderzoek is gesloten op 1 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
In de zaak met parketnummer 16-007156-26:
Feit 1
op 8 januari 2026 in Leerdam opzettelijk aanwezig heeft gehad: 149,01 gram MDMA, 25,50 gram cocaïne en 41,5 kilogram GHB;
Feit 2
op 8 januari 2026 in Leerdam al dan niet opzettelijk 367,96 gram 2-MMC aanwezig heeft gehad;
Feit 3
op 8 januari 2026 in Leerdam voorbereidingshandelingen heeft gepleegd in verband met GHB, door daarvoor GBL en verpakkingsmateriaal voorhanden te hebben;
Feit 4
op 8 januari 2026 in Leerdam opzettelijk professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad;
Feit 5
op 8 januari 2026 in Utrecht onder invloed van amfetamine en/of GHB een auto heeft bestuurd.
In de zaak met parketnummer 16-039864-26:
Feit 1
op 26 augustus 2025 in Leerdam een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;
Feit 2
op 26 augustus 2025 in Leerdam een jammer aangelegd aanwezig heeft gehad, terwijl hij daarvoor geen vergunning had.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
In de zaak met parketnummer 16-007156-26:
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 4 en 5 heeft gepleegd. Met betrekking tot de 41,5 kilo GHB die onder feit 1 aan de verdachte is ten laste gelegd merkt de officier van justitie op dat dit een bruto gewicht betreft. Op dit bruto gewicht moet volgens de officier van justitie een klein percentage in mindering worden gebracht voor het verpakkingsmateriaal (jerrycans en flessen) waar de GHB zich in bevond. Volgens de officier van justitie kan op basis van de foto’s die zich in het dossier bevinden worden vastgesteld dat het hier om plastic verpakkingsmateriaal gaat en is het een feit van algemene bekendheid dat een plastic jerrycan niet veel meer dan 100 gram weegt.
De officier van justitie vindt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3 omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de GBL voorhanden heeft gehad om er GHB van te maken of om de stof met dat doel te verstrekken aan derden. Hetzelfde geldt volgens de officier van justitie voor het verpakkingsmateriaal.
In de zaak met parketnummer 16-039864-26:
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. Bij feit 2 moet de verdachte volgens de officier van justitie gedeeltelijk worden vrijgesproken van het gebruik van de jammer. Wel kan worden bewezen het zonder vergunning (geheel of gedeeltelijk) aangelegd aanwezig hebben van de jammer.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 16-007156-26:
De advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte onder feit 1 partieel vrij te spreken voor de 41,5 kilogram GHB omdat op basis van het dossier niet duidelijk is wat het gewicht was van de jerrycans en flessen waarin de GHB was verpakt of van welk materiaal deze waren gemaakt. Nu het netto gewicht van de GHB om die reden niet is vast te stellen moet de verdachte partieel worden vrijgesproken voor het aanwezig hebben van de tenlastegelegde hoeveelheid GHB.
De advocaat verzoekt de rechtbank daarnaast om de verdachte vrij te spreken van feit 3 omdat niet kan worden vastgesteld dat de bij de doorzoeking aangetroffen GBL en het verpakkingsmateriaal bestemd waren voor een nog te plegen misdrijf als bedoeld in artikel 10 lid 4 of 5 van de Opiumwet en dat de verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat zij die bestemming hadden.
Voor het onder feit 1 ten laste gelegde aanwezig hebben van 149,01 gram MDMA en 25,5 cocaïne refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Hetzelfde geldt voor feit 4 en feit 5.
In de zaak met parketnummer 16-039864-26:
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Volgens de verdediging had de verdachte geen wetenschap van de aanwezigheid van het stroomstootwapen. Daarom kan het voorhanden hebben hiervan niet bewezen worden verklaard. Ook voor feit 2 verzoekt de verdediging om vrijspraak. De advocaat voert in dit kader aan dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de jammer heeft gebruikt, heeft aangelegd of geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad.
De verweren over het bewijs worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak voor feit 3 in de zaak met parketnummer 16-007156-26
De rechtbank oordeelt dat feit 3 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 8 januari 2026 is 27,48 kilo GBL aangetroffen. GBL kent diverse toepassingen in de chemische industrie en het wordt tevens gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van GHB. Ook kan GBL direct worden ingenomen. In het lichaam wordt deze stof omgezet in GHB. GBL staat niet vermeld op één van de lijsten behorende bij de Opiumwet of de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Het uitsluitend voorhanden hebben van GBL is dan ook niet strafbaar. De verdachte wordt echter verweten GBL voorhanden te hebben gehad ter voorbereiding van de productie van GHB, een feit dat wel strafbaar is gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de GBL en het verpakkingsmateriaal voorhanden heeft gehad voor de bereiding van GHB. De rechtbank weegt hierbij mee dat verdachte te kampen had met een ernstige GHB verslaving. Zij kan dan ook niet uitsluiten dat verdachte de GBL in zijn woning aanwezig had om direct in te nemen. De verdachte zal daarom van feit 3 worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen overige feiten
De rechtbank is van oordeel dat feit 1, 2, 4 en 5 van parketnummer 16-007156-26 en feit 1 en 2 van parketnummer 16-039864-26 bewezen kunnen worden verklaard. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsoverwegingen
Hoeveelheid GHB (feit 1 parketnummer 16-007156-26)
De verdachte is op 8 januari 2026 staande gehouden omdat hij opvallend rijgedrag vertoonde. Tijdens de fouillering van de verdachte die hierop volgde werd een flesje dat volgens verdachte GHB bevat, een zwart kokertje met wit poeder en een Smint doosje met 14 bruine ronde pillen aangetroffen. Ook werden drie telefoons en een bedrag aan contant geld aangetroffen. De verdachte had een Brits (achteraf gebleken vals) rijbewijs bij zich maar gaf aan de politie een geboortedatum op die niet overeenkwam met de geboortedatum op dit document. De verdachte is hierop aangehouden voor handel in verdovende middelen en er heeft een doorzoeking plaats gevonden in de woning waar de verdachte op dat moment stond ingeschreven. Bij deze doorzoeking werden onder andere meerdere flessen en jerrycans met een doorzichtige stroperige vloeistof aangetroffen. Deze vloeistof is getest en bleek GHB te zijn.
Aan de verdachte is het aanwezig hebben van 41,5 kilo GHB ten laste gelegd. Uit het dossier blijkt dat dit een bruto gewicht betreft. Wat het netto gewicht is van de aangetroffen GHB is door de politie niet onderzocht en volgt daarom niet uit het dossier. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de GHB is aangetroffen in 1 grote jerrycan, 3 cola flessen, 2 aloë flessen, 1 flesje vitamine drink, 1 flesje dalphin van 500 ml, een maatbeker van één liter en een plastic kan van 250 ml. Gelet op de afbeeldingen die zich in het dossier bevinden gaat de rechtbank er vanuit dat in ieder geval het merendeel van deze verpakkingsmaterialen van plastic was. De rechtbank schat het lege gewicht van deze plastic flessen op 20 % (8,3 kilo) van het totale brutogewicht van de aangetroffen flessen met inhoud. Daarbij geldt dat een schatting van 20% van het totaal gewicht voor grotendeels licht verpakkingsmateriaal als voordelig voor de verdachte kan worden aangemerkt. Dat betekent dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte op 8 januari 2026 netto 33,2 kilo GHB (41,5 min 8,3 kg) voorhanden heeft gehad.
Voorhanden hebben van een stroomstootwapen (feit 1 parketnummer 16-039864-26)
Op 26 augustus 2025 treft de politie de verdachte aan na een melding dat er een onwel geworden persoon op straat zou liggen. De verdachte heeft een heuptasje bij zich met daarin een zaklamp die de verbalisant herkent als een stroomstootwapen. Deze zaklamp had aan de onderkant een aan- en uitknop, een schuifknop aan de ene zijkant en een drukknop aan de andere zijkant. Aan de voorzijde van de zaklamp zat een soort ijzerdraad. De verbalisant heeft de zaklamp ter plaatse onderzocht. Bij het inschakelen van de zaklamp, het verschuiven van de schuifschakelaar en het indrukken van de drukknop ziet de verbalisant een stroomstoot uit de voorzijde van de lamp komen en hoort hij het knetterende geluid van een stroomstootwapen. De verdachte verklaart aan de verbalisant ter plaatse dat dit een zaklamp is en geen stroomstootwapen en dat de zaklamp niet van hem is. Tijdens de zitting heeft de verdachte herhaald dat hij dacht dat het een zaklamp was. Op verdere vragen over dit feit heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie onder andere is vereist dat bij verdachte een meer of mindere mate van bewustheid bestond ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat de zaklamp een stroomstootwapen was vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een soort ijzerdraad zichtbaar was aan de voorzijde van de zaklamp en dat er bij het verschuiven van de schuifschakelaar en het indrukken van de drukknop een stroomstoot uit het wapen kwam en een knetterend geluid te horen was. Op afbeeldingen in het dossier is bovendien te zien dat op de zijkant van de zaklamp de tekst “Police 50000 kv” staat gedrukt. Daarbij komt dat het niet mogelijk is om op legale wijze aan een dergelijke zaklamp te komen en verdachte niet heeft willen vertellen hoe hij eraan kwam. Onder die omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte wist dat dit een stroomstootwapen was, dat hij dus bewust voorhanden heeft gehad. Dit stroomstootwapen is een wapen als bedoeld in Categorie II onder 5⁰ van de Wet wapens en munitie.
Aangelegd aanwezig hebben van een jammer (feit 2 parketnummer 16-039864-26)
Op 26 augustus 2026 treft de politie bij de fouillering van de verdachte in zijn rugzak ook een jammer aan. De jammer is door de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onderzocht en uit dit onderzoek blijkt dat de jammer gebouwd en ontworpen was om doelgericht frequenties die door andere toepassingen worden gebruikt te verstoren. Daarom is volgens de inspecteur uitgesloten dat voor deze jammer een vergunning is verleend op grond van de Telecommunicatiewet. Verder blijkt uit het onderzoek dat de jammer zijn voedingsspanning van een interne batterij of voedingsadapter krijgt. Om de jammer te kunnen onderzoeken, heeft de inspecteur deze moeten aansluiten op netvoeding.
Aan de verdachte wordt verweten dat hij een jammer heeft aangelegd, gebruikt of geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend.
Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank het eens dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de jammer op 26 augustus 2026 heeft gebruikt. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook partieel vrijspreken. Dit is echter anders voor het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben van de jammer. Uit de memorie van toelichting bij artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet blijkt dat ‘aangelegd aanwezig hebben’ ruim kan worden geïnterpreteerd. Daarbij moet gedacht worden aan de situatie waarbij in de omgeving van het apparaat een geschikte antenne aanwezig is of andere hulpmiddelen die noodzakelijk zijn om het apparaat met een betrekkelijk simpele handeling in gebruik te nemen. De intentie van de houder is er dan op gericht om het apparaat te gebruiken. Er kan alleen dan geen sprake zijn van ‘aangelegd aanwezig hebben’ als het apparaat bijvoorbeeld verpakt is of uit andere omstandigheden blijkt dat de intentie van het gebruik niet aanwezig is.
Uit het dossier blijkt dat de jammer – in ieder geval – na aansluiting op het stroomnet, klaar was voor gebruik. De jammer beschikte daarnaast over een ingebouwde batterij. Van overige omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte niet de intentie had om het apparaat te gebruiken, is niet gebleken. Het enkele feit dat op basis van het dossier niet is vast te stellen of de batterij van de jammer op 26 augustus 2026 opgeladen was, zoals door de verdediging is aangevoerd, is hiervoor in ieder geval onvoldoende. De jammer bevond zich binnen handbereik van de verdachte, in zijn rugzak, en was niet op andere wijze verpakt. Voor zover de batterij al niet opgeladen zou zijn geweest, bevond de verdachte zich bovendien in de nabijheid van zijn woning. Hij was dus in de buurt van eventuele andere hulpmiddelen – zoals bijvoorbeeld het stroomnet – om de jammer met een betrekkelijk simpele handeling in gebruik te nemen. Op basis hiervan lijkt de intentie van de verdachte er wel degelijk op gericht te zijn geweest om het apparaat te gebruiken. Dat de verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld omdat hij geen wetenschap had van de concrete technische werking, de frequentiebanden die het apparaat kon verstoren of de omstandigheid dat het een vergunningsplichtig radiozendapparaat betrof, zoals door de verdediging aangevoerd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Een jammer gebouwd en ontworpen om doelgericht frequenties te verstoren is niet op legale wijze verkrijgbaar. De aanwezigheid van een dergelijke jammer in de rugzak van de verdachte schreeuwt daarom om een verklaring. De verdachte heeft zich echter ook met betrekking tot vragen over de jammer tijdens de zitting op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte de jammer strafbaar geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft had.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
In de zaak met parketnummer 16-007156-26:
1
op 8 januari 2026 te Leerdam
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 149,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA en/of
- ongeveer 25,50 gram, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van
een materiaal bevattende GHB
zijnde MDMA en/of cocaïne en/of GHB
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
op 8 januari 2026 te Leerdam
al dan niet opzettelijk
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 367,96 gram
2-MMC, aanwezig heeft gehad;
4
op 8 januari 2026 te Leerdam
opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten:
- 1 stuk, type banger (Greta Thunder),
- 13 stuks, althans één of meer stuks, type banger (Crazy Robots),
- 2 stuks, althans één of meer stuks, type banger (Vitamin - F50),
- 15 stuks, althans één of meer stuks, type banger (Dumbum 2g+) en/of
- 0,25 kg, althans één of meer stuks, type banger (PISTOL SHRIMP)
voorhanden heeft gehad;
5
op 8 januari 2026 te Utrecht
een voertuig, te weten een personenauto met kenteken [kenteken] , heeft bestuurd
na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of GHB,
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen, 490 microgram amfetamine per liter bloed en/of 37 milligram GHB per liter bloed, bedroeg, telkens zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
In de zaak met parketnummer 16-039864-26:
1
op 26 augustus 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden
een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te
weten een stroomstootwapen,
zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen
weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht
voorhanden heeft gehad;
2
op 26 augustus 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden,
al dan niet opzettelijk,
een jammer,
geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad
terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die
radioapparaten geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was
verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
In de zaak met parketnummer 16-007156-26:
Feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 2a, eerste lid, onder C/D van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 4
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit);
Feit 5
Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
In de zaak met parketnummer 16-039864-26:
Feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Feit 2
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot
- een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte 20 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd een meldplicht, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname, dagbesteding en beheersing van zijn middelengebruik.
Standpunt van de verdediging
Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 (opzettelijk aanwezig hebben MDMA, cocaïne en GHB) en feit 2 (opzettelijk aanwezig hebben 2MMC) onder het eerste parketnummer komt, verzoekt de advocaat om bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat enkel het aanwezig hebben van deze drugs bewezen kan worden en dat handel in drugs niet is ten laste gelegd. Hierbij verzoekt de verdediging de hardnekkige GHB verslaving van de verdachte te bezien in het licht van een hulpvraag en het bezit van de GHB mede in die context te zien. Als de rechtbank tot een bewezenverklaring van het rijden onder invloed (feit 5 eerste parketnummer) komt vraagt de verdediging daarnaast rekening te houden met het feit dat het rijbewijs van de verdachte al ongeldig is in verband met een tweede strafpunt en de verdachte een rijgeschiktheidsonderzoek zal moeten ondergaan bij het CBR voordat hij opnieuw rijexamen kan gaan doen.
Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 onder het tweede parketnummer komt (het voorhanden hebben van een stroomstootwapen) verzoekt de verdediging bij strafoplegging mee te wegen dat het wapen niet is gebruikt of getoond en dat geen sprake was van een bedreigende situatie. Bij een eventuele strafoplegging voor feit 2 van dit parketnummer (overtreding van de Telecommunicatiewet) bepleit de verdediging mee te wegen dat geen feitelijke verstoring is geconstateerd, geen benadeelde of ontwrichte telecommunicatieverbinding is vastgesteld, de jammer niet was geïnstalleerd en het bereik van de jammer volgens het technische rapport beperkt was tot naar schatting vijftien meter.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Het zwaartepunt ligt in deze zaak bij het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid harddrugs (149,01 gram MDMA, 25,5 gram cocaïne, 33,2 kilo GHB en 367,96 gram 2-MMC). Deze drugs lagen verspreid door de woning waar verdachte (alleen) verbleef en waren deels in ponypacks en deels in grotere gripzakjes verpakt. Ook zijn in deze woning meerdere telefoons, verschillende soorten verpakkingsmateriaal en een weegschaal aangetroffen.
Hoewel enkel het aanwezig hebben van harddrugs aan verdachte ten laste is gelegd, ziet de rechtbank sterke aanwijzingen dat de harddrugs bedoeld waren voor de handel, gelet op de grote hoeveelheid – die een gebruikershoeveelheid ver overstijgt – en de aangetroffen gripzakjes, weegschaal en telefoons. Het is algemeen bekend dat harddrugs, eenmaal onder het bereik van gebruikers, een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Achter de drugshandel gaat bovendien een hele wereld schuil, die draait op een eigen illegale economie en waarin geweld niet wordt geschuwd. Door een handelshoeveelheid harddrugs aanwezig te hebben is verdachte hierin een onmisbare schakel geweest.
Ook had verdachte verboden vuurwerk in de woning opgeslagen. Het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk in een woning is extreem gevaarzettend, vanwege de brandgevaarlijkheid en het ontploffingsgevaar. Ook brengt het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk risico’s mee, niet slechts voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor eventuele omstanders.
Naast het aanwezig hebben van harddrugs in zijn woning heeft de verdachte ook onder invloed van harddrugs (GHB en amfetamine) een auto bestuurd. Verdachte is, terwijl hij onder invloed was van meer dan 19 keer de toegestane hoeveelheid amfetamine en meer dan 7 keer de toegestane hoeveelheid GHB, in de auto gestapt en gaan rijden. De verdachte viel agenten op omdat hij inhaalde over een dubbel doorgetrokken streep. Door dusdanig onder invloed met zijn auto aan het verkeer deel te nemen heeft de verdachte enorme risico’s genomen en hij mag van geluk spreken dat zijn gedrag niet tot een ongeval heeft geleid.
Tot slot heeft verdachte op 26 augustus 2025 een stroomstootwapen en een jammer voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en kan een gevoel van onveiligheid in de samenleving veroorzaken. De jammer was bestemd om frequenties te verstoren. Dat verstoren kan tot gevaarlijke situaties leiden, bijvoorbeeld omdat de communicatie van en naar de hulpdiensten door het gebruik van jammers verstoord kan raken. Ook is algemeen bekend dat dergelijke jammers vaak gebruikt worden bij criminele activiteiten.
De rechtbank rekent de verdachte deze feiten aan. Verdachte heeft ter terechtzitting geen openheid van zaken gegeven, hetgeen erop duidt dat hij geen inzicht toont in het laakbare van zijn handelen of in de schadelijke gevolgen daarvan. Dat verdachte is gestopt met het plegen van de feiten is ook niet aan verdachte te danken, maar enkel en alleen aan ingrijpen van de politie.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad (de justitiële documentatie) van verdachte van 23 juli 2026 blijkt dat verdachte al meermaals eerder is veroordeeld voor de Opiumwet. Hetzelfde geldt voor rijden onder invloed. Hij liep bovendien in drie proeftijden vanwege eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, destijds opgelegd voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad van verdachte daarom in strafverzwarende zin mee. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van Verslavingsreclassering GGZ van 2 juli 2026. De reclassering ziet risico's ten aanzien van middelengebruik, dagbesteding, houding en mogelijk de financiën van de verdachte. De verdachte is sinds drie jaar werkloos, waardoor het hem ontbreekt aan zinvolle dagbesteding. Sindsdien is ook zijn middelengebruik toegenomen. Er is sprake van schuldenproblematiek. Over zijn houding merkt de reclassering op dat de verdachte weinig lijkt na te denken over risico's en consequenties en dat hij het niet zo nauw neemt met wet- en regelgeving. Sinds juli 2025 staat verdachte voor een andere zaak onder toezicht bij de verslavingsreclassering van Inforsa en was hij aangemeld voor ambulante behandeling bij Forensische Ambulante Zorg Inforsa. Zijn behandeltraject was nog in een opstartende fase op het moment van zijn aanhouding en er waren toen twijfels over de slagingskans gezien de ernst van zijn verslaving. Door de detentie in deze zaak is de verdachte inmiddels ruim vijf maanden abstinent van middelen en beter gemotiveerd om dit vol te houden. Daarom adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname als bijzondere voorwaarde. Dit naast een meldplicht, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, dagbesteding en beheersing van het middelengebruik van de verdachte.
Strafkader
Gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten en de hoeveelheid van de aangetroffen verdovende middelen (met name de grote hoeveelheid GHB) kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het opzettelijk voorhanden hebben van harddrugs is afhankelijk van de hoeveelheid drugs die iemand voor handen heeft. Zoals eerder uiteengezet gaat de rechtbank er in het geval van verdachte vanuit dat hij (netto, na aftrek van het gewicht van de verpakking) 33,2 kilo GHB voorhanden heeft gehad. De rechtbank bepaalt de strafwaardigheid van GHB-bezit echter niet aan de hand van het aantal kilogram, maar aan de hand van het aantal milliliters. Het is een feit van algemene bekendheid dat 33,2 kilo water gelijk staat aan 33200 milliliter. De rechtbank gaat daar voor GHB ook vanuit. De LOVS-oriëntatiepunten geven als uitgangspunt dat, op het gebied van de strafmaat, 5 milliliter harddrugs wordt gelijkgesteld aan 0,5 gram harddrugs. Dit betekent in het kader van de strafmaat dat de GHB wordt meegerekend als het voorhanden hebben van 3320 gram harddrugs. Gelet op het aantal gram harddrugs dat verdachte naast GHB voorhanden heeft gehad (542,47 gram) zoekt de rechtbank dan ook aansluiting bij het LOVS-oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van circa 3862,47 gram harddrugs. Dit is bij een gewicht tussen de 3000 en 4000 gram een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank neemt deze gevangenisstraf dan ook als uitgangspunt voor de straf voor feit 1 en 2 van het eerste parketnummer. Voor het rijden onder invloed van drugs geldt bij meervoudige recidive bij gecombineerd middelengebruik een taakstraf van 40 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging (OBM) van 15 maanden als uitgangspunt en voor het voorhanden hebben van een stroomstootwapen een geldboete. Voor het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk en een jammer bestaan geen oriëntatiepunten.
De rechtbank ziet de eerdere veroordelingen van de verdachte als strafverzwarend. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte in drie proeftijden liep, wat hem er kennelijk niet van heeft weerhouden weer strafbare feiten te plegen. Het baart de rechtbank vanuit het oogpunt van recidive verder zorgen dat de verdachte ook ter zitting op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door zich op zijn zwijgrecht te beroepen. De verdachte lijkt weinig inzicht te tonen in de ernst van zijn handelen. Dit neemt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Daarnaast ziet de rechtbank daarin reden om aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, als stevige waarschuwing voor de toekomst. Gelet op de hardnekkigheid van de verslaving van verdachte zal de rechtbank hier een iets langere proeftijd aan verbinden, namelijk van drie jaar.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 460 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op. De rechtbank zal verdachte geen OBM opleggen. Het rijbewijs van de verdachte is reeds van rechtswege ongeldig en verdachte zal eerst een rijgeschiktheidsonderzoek moeten ondergaan en mogelijk opnieuw rijexamen moeten doen voordat hij een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Gezien deze bestuursrechtelijke sanctie, ziet de rechtbank geen noodzaak om daarbovenop een strafrechtelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de officier van justitie er voor de strafwaardigheid van het GHB bezit vanuit gaat dat 5 milliliter GHB gelijk staat aan 1 gram harddrugs.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf.
6. In beslag genomen voorwerpen
Onder de verdachte zijn volgens de beslaglijst de volgende goederen inbeslaggenomen:
In de zaak met parketnummer 16-007156-26
In de zaak met parketnummer 16-039864-26
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank:
zal gelasten dat de telefoon (Iphone 17, goednummer: G3646889) wordt teruggegeven aan de verdachte;
het geld (208,25 Euro, goednummer: G3646919) verbeurd zal verklaren. Gelet op de omstandigheden waaronder dit geld is aangetroffen is volgens de officier van justitie aannemelijk dat dit geld profijt is van de strafbare feiten.
Met betrekking tot de overige goederen op de beslaglijst heeft de officier van justitie geen standpunt in genomen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft met betrekking tot het geld bepleit dat de enkele aanwezigheid van een relatief beperkt contant geldbedrag zonder nadere onderbouwing geen voldoende verband met een strafbaar feit oplevert. Zij verzoekt daarom om teruggave van het geld aan de verdachte. Voorts wordt teruggave verzocht van zijn telefoon. Ook de advocaat heeft over de overige goederen op de beslaglijst geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
In de zaak met parketnummer 16-007156-26
De rechtbank zal teruggave gelasten van de inbeslaggenomen telefoon (goednummer: G3646889), de waterpomptang (goednummer: G3646915) en de elektronica (goednummer: G3647004).
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het geldbedrag van EUR 208,25 (goednummer: G3646919) verbeurd moet worden verklaard. Gelet op de omstandigheden waaronder dit bedrag is aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte, acht de rechtbank aannemelijk dat dit geldbedrag door middel van of uit de baten van de strafbare feiten (feit 1 en 2 onder parketnummer 16-007156-26) is verkregen. De rechtbank weegt hierbij mee dat verdachte geen alternatieve verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van het geld. Ook de in beslaggenomen jerrycans (goednummer: G3647064) zal de rechtbank verbeurd verklaren omdat het strafbare feit met behulp van deze jerrycans is begaan.
De rechtbank zal de in beslag genomen verdovende middelen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 onder parketnummer 16-007156-26 begaan.
Ook het in beslag genomen mes (goednummer: G3646916), de ploertendoder (goednummer: G3647023), het zwaailicht (goednummer: G3647084), de bivakmutsen (goednummer: 3647078) en de stalen pijp (goednummer G3647025, op basis van het dossier omwikkeld met zwart tape en een griphandvat) zal de rechtbank onttrekken aan het verkeer. Deze goederen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
In de zaak met parketnummer 16-039864-26
De rechtbank zal de in beslag genomen jammer (goednummer: PL0900-2025288823-3578839) en het stroomstootwapen (goednummer: PL0900-2025288758-3578811) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.
7. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straffen
De politierechter in Zeeland-West-Brabant heeft aan de verdachte in de zaak met
parketnummer 02-181047-24 op 4 juli 2024 een gevangenisstraf van 43 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft de politierechter in Rotterdam aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-093357-25 op 23 september 2025 een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. Tot slot is door de politierechter in Midden-Nederland aan de verdachte in de zaak met
parketnummer 16-015839-25 op 11 juni 2025 een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. Verder is in dit vonnis aan verdachte een OBM opgelegd voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vorderingen toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straffen ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. Voor wat betreft de voorwaardelijke OBM die is opgelegd in de zaak met parketnummer 16-015839-25 verzoekt de officier van justitie om de vordering voor dit deel af te wijzen. De officier van justitie acht het niet opportuun om de verdachte een OBM op te leggen nu zijn rijbewijs reeds van rechtswege ongeldig is.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat volledige tenuitvoerlegging van alle drie de voorwaardelijk opgelegde straffen niet proportioneel is. Dit zou volgens de advocaat een aanzienlijke cumulatieve vrijheidsbenemende consequentie hebben naast een eventuele straf in de hoofdzaak. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom de vorderingen geheel of gedeeltelijk af te wijzen of te kiezen voor een minder ingrijpende wijze van afdoening.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straffen daarom alsnog ten uitvoer gelegd moeten worden. Voor zover de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16-015839-25 ziet op de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde OBM zal de rechtbank deze afwijzen. Omdat het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig is en de verdachte eerst een rijgeschiktheidsonderzoek moet ondergaan en mogelijk opnieuw rijexamen moet doen voordat hij een nieuw rijbewijs kan aanvragen vindt de rechtbank het niet passend om de voorwaardelijk opgelegde OBM ten uitvoer te leggen.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en beslissing op het beslag is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 3 van parketnummer 16-007156-26 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1, 2, 4 en 5 van parketnummer 16-007156-26 en feit 1 en 2 van parketnummer 16-039864-26 bewezenverklaarde;
straf
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
* zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan zal melden bij Inforsa Reclassering op het adres Wittevrouwenkade 6 in Utrecht en zal meewerken aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig vindt;
* binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa1 van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
* zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensische Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
* zich inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
* gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit
urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag in de zaak met parketnummer 16-007156-26
- gelast teruggave aan de verdachte van:
* de inbeslaggenomen telefoon (1 STK Telefoontoestel, goednummer: G3646889);
* de waterpomptang (1 STK Tang, goednummer: G3646915);
* de elektronica (1 STK Elektronica, goednummer: G3647004);
- verklaart verbeurd:
* het geldbedrag van EUR 208,25 (goednummer: G3646919);
* beslaggenomen jerrycans (14 STK Jerrycan, goednummer: G3647064);
- verklaart onttrokken aan het verkeer:
* verdovende middelen: 90 STK (goednummer: G3647027), 77 STK (goednummer: G3647031), 9 STK (goednummer: G3647035), 4 STK (goednummer: G3647039), 3 STK (goednummer: G3647042), 1 STK (goednummer: G3647043, 1 STK (goednummer: G3647050), 2 STK (goednummer: G3647052), 29 STK (goednummer: G3647056), 10 STK (goednummer: G3647059), 25 STK (goednummer: G3647073), 14 STK (goednummer: G3646917), 1 STK (goednummer: G3646967), 1 STK (goednummer: G3646970), 1 STK (goednummer: G3647311), 2 STK (goednummer: G3647314), 5 STK (goednummer: G3647315), 1 STK (goednummer: G3647317), 2 STK (goednummer: G3647320), 92 STK (goednummer: G3647323), 1 STK (goednummer: G3647324), 3 STK (goednummer: G3647327), 29 STK (goednummer: G3647329), 1 STK (goednummer: G3647330), 3 SKT (goednummer: G3647331), 1 STK (goednummer: G3647332), 1 STK (goednummer: G3647334), 1 STK (goednummer: G3647335), 1 STK (goednummer: G3647336), 1 STK (goednummer: G3647339);
* het mes (1 STK Mes, goednummer: G3646916);
* de ploertendoder (1 STK Ploertendoder, goednummer: G3647023);
* het zwaailicht (1 STK Zwaailamp, goednummer: G3647084);
* de bivakmutsen (2 STK Kleding, goednummer: 3647078);
* de stalen pijp (1 STK Pijp, goednummer G3647025);
beslag in de zaak met parketnummer 16-039864-26
- verklaart onttrokken aan het verkeer:
* de jammer (1 STK Zender, goednummer: PL0900-2025288823-3578839);
* het stroomstootwapen (1 STK Wapen, goednummer: PL0900-2025288758-3578811);
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf – parketnummer 02-181047-24
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf – parketnummer 10-093357-25
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf – parketnummer 16-015839-25
voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. L.M. Reijnierse en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 16-007156-26:
1
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Utrecht en/of Leerdam, althans in Nederland,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 149,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA en/of
- ongeveer 25,50 gram, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 41,50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal bevattende GHB
zijnde MDMA en/of cocaïne en/of GHB
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Utrecht en/of Leerdam, althans in Nederland,
al dan niet opzettelijk
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 367,96 gram
2-MMC, aanwezig heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Leerdam, althans in Nederland,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten
het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken,
vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van GHB, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel vermeld op de bij de
Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- ongeveer 27,48 kilogram GBL, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
GBL, zijnde GBL en/of
- verpakkingsmateriaal
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden,
dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
4
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Leerdam, althans in Nederland,
opzettelijk, geïmproviseerd, althans professioneel vuurwerk, te weten:
- 1 stuk, type banger (Greta Thunder),
- 13 stuks, althans één of meer stuks, type banger (Crazy Robots),
- 2 stuks, althans één of meer stuks, type banger (Vitamin - F50),
- 15 stuks, althans één of meer stuks, type banger (Dumbum 2g+) en/of
- 0,25 kg, althans één of meer stuks, type banger (PISTOL SHRIMP)
voorhanden heeft gehad;
5
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Utrecht, althans in Nederland,
een voertuig, te weten een personenauto met kenteken [kenteken] , heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen,
na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of GHB,
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen, 490 microgram amfetamine per liter bloed en/of 37 milligram GHB per liter bloed, bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
In de zaak met parketnummer 16-039864-26:
1
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden
een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te
weten een stroomstootwapen,
zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen
weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht
voorhanden heeft gehad
2
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden,
al dan niet opzettelijk,
een of meer radioapparaten, te weten een jammer,
heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of heeft
gebruikt,
terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die
radioapparaten geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was
verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet