RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/258592-22
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1976] in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 16 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:
feit 1
in de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 in Hilversum met anderen opzettelijk 743 hennepplanten heeft geteeld en aanwezig heeft gehad;
subsidiair:
in die periode in Hilversum medeplichtig is geweest aan het voorgaande door daarvoor een pand ter beschikking te stellen.
feit 2
in de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 in Hilversum met anderen door middel van verbreking elektriciteit en water van Liander N.V en Vitens N.V. heeft weggenomen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair (medeplegen van aanwezig hebben van hennepplanten) en 2 (medeplegen van diefstal van elektriciteit en water) heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. Er is geen sprake van medeplegen, dan wel medeplichtigheid. De verdachte is enkel meegegaan in een voorstel van een derde om tegen betaling het door haar gehuurde bedrijfspand ter beschikking te stellen voor de exploitatie van een hennepkwekerij. Zij is verder niet betrokken geweest bij inrichting, onderhoud of exploitatie ervan. Ten aanzien van feit 2 voert de advocaat aan dat de verdachte geen substantiële, intellectuele dan wel materiële bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de stroom en het water.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 primair en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverweging feit 1 primair
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank overweegt dat uit het procesdossier volgt dat de verdachte vanaf 16 september 2016 de bedrijfsruimte aan de [adres] huurde. Onder de bedrijfsruimte zat bij aanvang van de huur geen kelder. De verhuurder heeft verklaard dat kort na het ondertekenen van het contract, er een houten bouwwerk aan de voorzijde van het pand stond opgesteld waardoor gedeeltelijk het zicht in het pand werd ontnomen. De hennepkwekerij is op 6 oktober 2022 ondergronds, onder de bedrijfsruimte, aangetroffen. Uit onderzoek door de gemeente Hilversum is gebleken dat het aantal starts van de pomp van het gemaal in de periode tussen 16 oktober 2016 en 7 oktober 2022 tussen de 80 en 120 stuks betrof. In de periode vóór 16 oktober 2016 en de periode na 7 oktober 2022 was het aantal starts tussen de 0 en 20 stuks. De extra starts van deze pomp waren nodig om grondwater af te pompen, dat continue vrijkwam omdat de kwekerij onder het pand dieper dan het grondwaterniveau was uitgegraven. In de kwekerij is een dompelpomp aangetroffen voor de afvoer van grondwater.
Dat betekent dat kort nadat de verdachte het huurcontract heeft getekend, de opbouw van de ondergrondse hennepkwekerij is gestart.
De verdachte wist van de hennepkwekerij, was wekelijks in het pand aanwezig en leverde een actieve bijdrage door het pand ter beschikking te stellen. Bovendien heeft zij een bijdrage geleverd door haar bedrijf als dekmantel te laten dienen. Dit blijkt uit het feit dat in het pand stellingen met dozen stonden, die bijna allemaal leeg bleken te zijn. Daarnaast heeft de verdachte geprofiteerd van de hennepkwekerij door huurpenningen te ontvangen. Het geld dat zij daartoe (contant) ontving, stortte de verdachte op rekeningnummers van anderen, waarna zij die personen betalingen liet doen.
Voornoemd handelen van de verdachte is van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking voor het aanwezig hebben van de hennepkwekerij. De rechtbank acht feit 1 primair van de beschuldiging daarom wettig en overtuigend bewezen. Niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft meegewerkt aan het telen of verkopen van de hennep(planten). De rechtbank zal de verdachte van die onderdelen van de beschuldiging vrijspreken.
Bewijsoverweging feit 2
De verdachte was in de tenlastegelegde periode de huurder van [adres] in [plaats] . Zij wist dat zich een hennepkwekerij onder het pand bevond en had inzage in het energie- en waterverbruik. Zij wist dus ook dat het energie- en waterverbruik waarvoor zij facturen ontving niet overeenkwamen met het werkelijke verbruik van de hennepkwekerij in het pand. Bovendien is de verdachte al eerder veroordeeld voor het aanwezig hebben van een hennepkwekerij en diefstal van elektriciteit, dus wist zij hoe er bij het exploiteren van hennepkwekerijen in de praktijk gebruik wordt gemaakt van illegale aansluitingen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen zich wederrechtelijk elektriciteit en water heeft toegeëigend.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1 primair
in de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 te Hilversum meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van ongeveer 743 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
in de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 te Hilversum tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid elektriciteit en een hoeveelheid water die aan Liander N.V. of Vitens N.V., toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededaders dat/die weg te nemen water en elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1. primair medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
2 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
Strafbaarheid feiten en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 1 maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
een taakstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 90 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de verdachte een alleenstaande moeder is, waardoor het onwenselijk is dat zij wordt gedetineerd. Bovendien verzoekt de advocaat rekening te houden met het feit dat het een oude zaak betreft.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hennepkwekerij onder een door haar gehuurd bedrijfspand. De verdachte heeft bovendien illegaal elektriciteit en water verbruikt ten behoeve van de hennepkwekerij. In het pand zelf heeft de verdachte als dekmantel een magazijn nagebootst van een groothandel die zij zou runnen. Vanuit het oogpunt van de volksgezondheid is hennepteelt ongewenst. Daarnaast is hennepteelt ongewenst omdat de handel in hennep allerlei andere vormen van (ook zware) criminaliteit in de hand werkt. Het manipuleren van elektriciteits- en wateraansluitingen brengt bovendien risico met zich mee in de vorm van brandgevaar en wateroverlast. De verdachte heeft zich om de mogelijke gevolgen niet bekommerd en kennelijk enkel oog gehad voor haar eigen belang.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De verdachte verblijft niet meer in Nederland, maar woont momenteel in België met haar twee minderjarige kinderen. Uit het strafblad van de verdachte van 13 oktober 2025 blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld. De in onderhavige zaak bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd in de proeftijd van een in 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Destijds is ook een taakstraf opgelegd, die de verdachte inmiddels heeft uitgevoerd. Om die reden houdt de rechtbank rekening met het taakstrafverbod.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In deze zaak is dat 6 maart 2023. Toen werd de verdachte bij de politie gehoord als verdachte.
De behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en haar raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De behandeling op zitting en het wijzen van het vonnis hebben in deze zaak ruim drieënhalf jaren op zich laten wachten. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan anderhalf jaar.
Echter, deze zaak heeft sinds oktober 2024 meermalen op zitting gestaan. Mede door het indienen van onderzoekswensen en aanhoudingsverzoeken van de verdediging kon de zaak in de tussenliggende periode niet inhoudelijk worden behandeld. De overschrijding van de redelijke termijn leidt daarom niet tot strafvermindering. Wel houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening met het tijdsverloop.
Strafoplegging
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het aanwezig hebben van 500-1000 hennepplanten in verband met hennepteelt is 180 uren taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Strafverzwarend is dat er sprake is geweest van meerdere oogsten en de hennepkwekerij gepaard ging met diefstal van elektriciteit en water. Daarnaast geldt het taakstrafverbod. Een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom passend en geboden.
De rechtbank acht het aangewezen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, om zo een stok achter de deur te geven zodat de verdachte niet nogmaals strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal de hoogte van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk stellen aan het voorarrest. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 30 dagen op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 180 uren op.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] B.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij. Er is eerder een civiele zaak geweest tegen de verdachte en destijds heeft de kantonrechter een (schade)vordering toegewezen tot een bedrag van € 144.755,96 wegens onder meer achterstallige betaling van huur van de bedrijfsruimte aan de [adres] te Hilversum en herstelkosten van het gehuurde. De benadeelde partij verzoekt in het strafproces de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van het voornoemde bedrag op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is, aangezien de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de kantonrechter al eerder de vordering heeft toegewezen. Om die reden kan de vordering niet nogmaals in het strafproces worden toegewezen.
Oordeel van de rechtbank
Een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd in het geval de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk is voor de toegebrachte schade. Verdachte is jegens [benadeelde] B.V. aansprakelijk gesteld voor onder meer schade die rechtstreeks door het bewezenverklaarde is gewezen. De vordering benadeelde partij is alleen getekend door [A] terwijl niet uit de stukken blijkt dat [A] vertegenwoordigingsbevoegd is om namens de benadeelde partij [benadeelde] B.V. op te treden. Daarom kan de benadeelde partij niet in zijn verzoek worden ontvangen om de schadevergoedingsmaatregel toe te passen. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
8. Beslissing
taakstraf
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde;
straffen
gevangenisstraf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 27 (zevenentwintig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] B.V.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. M. Wolfrat en mr. O. Böhmer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
zij in of omstreeks de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 te Hilversummeermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van ongeveer 743, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 te Hilversum meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (telkens) een hoeveelheid van ongeveer 743, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 te Hilversum, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaften/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken en/of het daar aanwezig hebben van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2
zij in of omstreeks de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 te Hilversum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 1.269.976 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit en/of 20.710,01 m3, althans een water, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Liander N.V. en/of Vitens N.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen water en/of elektriciteit onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
De verdachte heeft onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik huurde het pand in [plaats] . Van twee personen kreeg ik regelmatig de huur betaald van het pand. Die personen zijn de hennepkwekerij begonnen. Ik moest daar elke woensdag zijn.
In een proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op 6 oktober 2022 deed de gemeente Hilversum een integrale controle op het bedrijventerrein [adres] te [plaats] . De huurster van het pand bleek genaamd: [verdachte] . Uit dit onderzoek bleek dat ongeveer 95 procent van deze dozen leeg waren. In enkele dozen die zich voornamelijk aan de onderzijde van de stellingen bevonden werden cosmetische goederen aangetroffen. Kennelijk moesten deze lege dozen de toeschouwer de indruk geven dat het hier een in werking zijnde magazijn betrof.
Onder een luik in de vloer bevond zich een ondergrondse ruimte. Ik, verbalisant, rook toen gelijk de mij ambtshalve bekende geur van hennepplanten uit de ruimte onder het luik komen. Ik zag en telde in deze kweekruimte in totaal 743 hennepplanten.
Uit het onderzoek van de fraude inspecteur bleek dat de hennepkwekers vanaf kweekruimte B onder de vloeren van gebouwen [adres] een gang gegraven moeten hebben naar de kabel die binnenkomt bij [adres] . Via deze ondergrondse gang is een illegale aansluiting op de hoofdkabel van de stroomvoorziening voor de meter aangebracht. Op deze wijze heeft er diefstal van stroom ten behoeve van de hennepkwekerij plaatsgevonden. Tijdens het onderzoek van de fraude inspecteur bleek ook dat er een illegale aansluiting op de hoofdwaterleiding door de hennepkwekers was aangebracht. Deze illegale aansluiting liep onder de grond via dezelfde gang naar de hennepkwekerij om deze van schoon water te voorzien.
In een proces-verbaal van aangifte heeft [aangever 1] , namens Liander N.V., onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op de huisaansluitkabel van [adres] was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Hij zag dat deze illegale aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep en onder de vloer door naar [adres] was gelegd. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat minimaal 1269976 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage. Uit het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode van 30 maart 2017 tot 6 oktober 2022.
In een proces-verbaal van aangifte heeft [aangever 2] , namens Vitens, onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 werd er water voor de meter van perceel [adres] weggenomen. Ongeveer ter hoogte van perceel [adres] , had men onder de grond een illegale koppeling op de hoofdwaterleiding aangebracht. De contractant op dit adres heeft dus op deze wijze het werkelijke waterverbruik in het pand weten te maskeren. Totale M3 waterdiefstal is 20710,01 M3.
In een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen:
Het is aannemelijk dat de hennepkwekerij rond de datum 1 november 2017 in gereedheid was gebracht en de hennepkweek een aanvang nam. De ontnemingsperiode is onzes inziens vanaf 1 november 2017 tot 6 oktober 2022.