RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/258592-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 september 2026 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [1976] te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1. Zitting
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. J.J. Bloembergen en van hetgeen mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.
2. Vordering
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen voor een bedrag van € 752.325,80. Zij gaat ervan uit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepplantage € 3.009.303,20 bedraagt. Dat bedrag moet worden gedeeld door vier omdat de veroordeelde met drie anderen samenwerkte.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de veroordeelde geen voordeel heeft verkregen uit de hennepkwekerij. De veroordeelde heeft enkel huurpenningen ontvangen van in totaal maximaal € 5.000,-. Indien een betalingsverplichting wordt opgelegd, is een pondspondsgewijze verdeling aangewezen.
3. Beoordeling van de vordering
Grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 30 september 2026 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
in de periode tussen 1 november 2017 en 6 oktober 2022 te Hilversum tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van ongeveer 743 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
Voornoemd feit is gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2, Wetboek van Strafrecht).
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank tot uitgangspunt wat is opgenomen in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (hierna: het rapport). Dit rapport heeft gebruik gemaakt van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnen teelt onder kunstlicht' van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016, waarin standaardberekeningen en normen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnen teelt onder kunstlicht zijn vermeld.
Ontnemingsperiode en aantal oogsten
Op 6 oktober 2022 werd onder de vloer van het pand aan de [adres] in [plaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, verdeeld over twee kweekruimtes. Beide kweekruimtes hadden ongeveer een oppervlakte van 60 m².
In het vonnis in de strafzaak van 30 september 2026 is vastgesteld dat de veroordeelde in de periode van 1 november 2017 tot en met 6 oktober 2022 hennepplanten aanwezig heeft gehad. De rechtbank gaat daarom uit van deze periode voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gezien de professionaliteit en de investeringen die nodig zijn geweest voor het opzetten van de hennepkwekerij, acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat er in de genoemde periode op momenten – behoudens oogstperiodes – geen hennepplanten aanwezig zijn geweest. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de hennepkwekerij gedurende de gehele periode in werking is geweest. Dit betreft 257 weken. Uitgaande van een kweekcyclus van 8 weken, omdat er met CO2-toevoeging werd gekweekt, komt dit neer op 32 gerealiseerde oogsten.
Omvang en opbrengst
In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend. In de kweekruimte B stonden 743 hennepplanten. Gezien de lege plantenpotten die in kweekruimte A aangetroffen werden is aannemelijk dat deze 743 planten verdeeld zouden gaan worden over de 2 kweekruimtes A en B. Per kweekruimte zouden er dan circa 371 en 372 planten tegelijkertijd worden opgekweekt. Aannemelijk is dat in deze kweekruimtes altijd in dezelfde opstelling is gekweekt.
Bruto-opbrengst per oogst kweekruimte A
De oppervlakte van de beplanting in de kweekruimte was 60 m². Per m² stonden er 13 hennepplanten en er hingen 28 assimilatielampen aan het plafond. Volgens de standaardberekening in het hiervoor genoemd rapport van het Functioneel Parket van 1 juni 2016 is de opbrengst dan 29,1 gram per plant.
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bij de toepassing van CO2 bedraagt: 371 planten x 29,1 gram = 10,796 kilogram + 2,159 kilogram (20% meeropbrengst) = 12,955 kilogram.
Volgens de standaardberekening bedraagt de bruto kilo prijs € 4.070,00.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt: 12,955 kilogram x € 4.070,00 = € 52.726,85.
Bruto-opbrengst per oogst kweekruimte B
De oppervlakte van de beplanting in de kweekruimte was 60 m². Per m² stonden er 13 hennepplanten en er hingen 28 assimilatielampen aan het plafond. Volgens de standaardberekening in het hiervoor genoemd rapport van het Functioneel Parket van 1 juni 2016 is de opbrengst dan 29,1 gram per plant.
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bij de toepassing van CO2 bedraagt: 372 planten x 29,1 gram = 10,825 kilogram + 2,165 kilogram (20% meeropbrengst) = 12,99 kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt: 12,99 kilogram x € 4.070,00 (bruto kilo prijs) = € 52.869,30.
Totale opbrengst kweekruimte A en B
De totale bruto-opbrengst voor kweekruimte A en B per oogst bedraagt: € 52.726,85 + € 52.869,30 = € 105.596,15.
Op de bruto-opbrengst is een aantal kosten in mindering gebracht. Dit betreffen afschrijvingskosten, hennepstekken, variabele kosten en kosten knippers.
Afschrijvingskosten: € 500,00 (per kweekruimte vaste kosten á € 250)
Hennepstekken: € 2.830,83 (EUR 3,81 per stek/plant)
Variabele kosten: € 2.886,72 (EUR 3,88 per stek/plant)
Kosten knippers: € 1.486,00 (Bedrag per oogst/ruimte)Totaal aan kosten € 7.703,55
De totale opbrengst voor kweekruimte A en B per oogst bedraagt: € 105.596,15 - € 7.703,55
= € 97.892,60.
Overeenkomstig het rapport gaat de rechtbank ervan uit dat er kosten zijn gemaakt voor huisvesting. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de veroordeelde door de kantonrechter is veroordeeld tot betaling van achterstallige huur. De kosten van de huisvesting worden daarom afgetrokken van de totale opbrengst: 59 maanden x € 2.100 maandelijkse huurkosten = € 123.900,00.
Gelet op het voorgaande bedraagt de totale opbrengst (32 oogsten x € 97.892,60 - € 123.900,00 =) € 3.008.663,20.
Toerekening van het voordeel
De veroordeelde is veroordeeld ter zake van medeplegen. De rechtbank verwerpt het verweer dat er geen voordeel is genoten, omdat dit niet aannemelijk is geworden, en gaat er dus van uit dat de veroordeelde volledig heeft meegedeeld in de opbrengst.
Naast de veroordeelde zijn voor zover bekend nog drie anderen betrokken geweest bij de hennepteelt. De rechtbank zal de totale netto-opbrengst daarom pondspondsgewijs verdelen over deze vier personen. Concreet betekent dit dat iedere verdachte een voordeel heeft genoten van (€ 3.008.663,20/ 4) = € 752.165,80.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 752.165,80.
Betalingsverplichting
De rechtbank ziet geen reden voor enige verdere aftrek of matiging en stelt daarom het bedrag dat door de veroordeelde moet worden betaald aan de staat vast op € 752.165,80.
4. Toegepast wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. Beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 752.165,80;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 752.165,80 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 250 (tweehonderdvijftig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. M. Wolfrat en mr. O. Böhmer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 september 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.