ECLI:NL:RBMNE:2026:6743

ECLI:NL:RBMNE:2026:6743

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 16/161215-25 en 16/330710-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Veroordeling voor pogingen zware mishandeling van zijn (toenmalige) echtgenoot, poging zware mishandeling van zijn kind (baby), bedreiging van een verbalisant en het dragen van een mes.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/161215-25; 16/330710-25 (t.t.z. gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] (Syrië),

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 september 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

16/161215-25

Feit 1

primair: op 21 mei 2025 in Utrecht heeft geprobeerd om zijn echtgenoot [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar meermalen (met kracht) tegen haar oor of hoofd te slaan;

subsidiair: is dit ten laste gelegd als mishandeling.

Feit 2

primair: op 22 mei 2025 in Utrecht heeft geprobeerd om zijn echtgenoot [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar meermalen (met kracht) tegen haar hoofd en/of de incisie van haar keizersnede en/of haar lichaam te slaan;

subsidiair: ten laste gelegd als mishandeling.

Feit 3: op 22 mei 2025 in Utrecht heeft geprobeerd om zijn kind, [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar meermalen (met kracht) vast te pakken en heen en weer en/of op en neer te schudden, terwijl hij haar hoofdje niet (voldoende) had ondersteund.

16/330710-25

Feit 1: op 4 december 2025 in Utrecht verbalisant [aangever] heeft bedreigd door hem een (uitgeklapt) mes te tonen en met dat mes en een glazen flesje in zijn richting te rennen;

Feit 2 : op 4 december 2025 in Utrecht een mes heeft gedragen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het mes bestemd was om letsel toe te brengen en/of te dreigen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat de verdachte alle (primaire) feiten heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

16/161215-25

De advocaat voert geen verweer over het bewijs van de feiten en refereert zich voor wat betreft een bewezenverklaring van die feiten aan het oordeel van de rechtbank.

16/330710-25

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van beide feiten. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs en deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat onder parketnummer 16/161215-25 feit 1 primair (poging tot zware mishandeling van zijn echtgenoot op 21 mei 2025), feit 2 primair (poging tot zware mishandeling van zijn echtgenoot op 22 mei 2025) en feit 3 (poging tot zware mishandeling van zijn kind) zijn bewezen en dat onder parketnummer 16/330710-25 feit 1 (het bedreigen van een verbalisant met een mes en een glazen flesje) en feit 2 (het dragen van een mes) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

16/161215-25

Ten aanzien van feit 1 primair en 2 primair (pogingen tot zware mishandeling van echtgenoot)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 21 mei 2025 meermalen met vlakke hand tegen het oor van [slachtoffer 1] , zijn (toenmalige) echtgenoot, heeft geslagen en dat daardoor haar trommelvlies is gescheurd. Uit het feit dat het trommelvlies is gescheurd concludeert de rechtbank dat de verdachte met behoorlijke kracht heeft geslagen. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte zijn echtgenoot op 22 mei 2025 hard met zijn vuisten op haar arm, heup, rug, gezicht en de incisie van haar keizersnede heeft geslagen. Uit de medische verklaring blijkt dat er hematomen op de linkerschouder, bovenarm en flank zijn aangetroffen. De verdachte heeft bekend dat hij dit alles heeft gedaan.

Door zo te handelen bestond naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar letsel zou oplopen. Het oor is immers een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam en bovendien bevindt het oor zich vlakbij andere kwetsbare delen van het gezicht, zoals de slaap (feit 1). Datzelfde geldt voor de incisie van de keizersnede (feit 2). [slachtoffer 1] was slechts 3 weken daarvoor bevallen. Door (met vuisten) te slaan op de incisie van de keizersnede kan de wond/hechting weer openscheuren of kan dit leiden tot inwendige bloedingen.

De verdachte heeft door met kracht op deze kwetsbare plekken te slaan, gelet ook op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, die aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar letsel zou oplopen, welbewust aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] op 21 mei 2025 (feit 1) en 22 mei 2025 (feit 2).

Ten aanzien van feit 3 (poging zware mishandeling van zijn kind)

Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte op 22 mei 2025 zijn drie weken oude dochtertje, [slachtoffer 2] , vast heeft gepakt onder haar armen en haar gedurende een aantal seconden met korte, harde bewegingen naar voor en achteren heeft geschud, waardoor haar hoofdje ook hard van voor naar achteren bewoog omdat de verdachte het hoofdje niet ondersteunde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door zo te handelen op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat (pasgeboren) baby’s, en met name babyhoofdjes, zeer kwetsbaar zijn en dat door het heen en weer schudden van een baby(hoofdje), op de manier zoals de verdachte dat heeft gedaan, op zijn minst een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestaat en zelfs kan leiden tot dodelijk letsel.

Het desondanks hard naar voor en naar achteren schudden van een baby van nog maar net drie weken oud kan naar uiterlijke verschijningsvorm dan ook niet anders worden geïnterpreteerd dan dat de verdachte op dat moment willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de baby zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Er is dus sprake van voorwaardelijk opzet en de rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling van zijn dochtertje (feit 3).

16/330710-25

Ten aanzien van feit 1 (bedreiging verbalisant)

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de handelingen van de verdachte niet dreigend zijn geweest en dat de verdachte ook geen (voorwaardelijk) opzet had op de bedreiging van de verbalisant. De rechtbank verwerpt deze verweren en legt hierna uit waarom.

Verbalisant [aangever] (hierna: aangever) kwam ter plaatse na een melding van een dronken persoon die een bierflesje stuk had geslagen en in een auto zat. Uit de bewijsmiddelen volgt dat toen aangever ter plaatse kwam, de verdachte plotseling met opengesperde ogen en een opengeklapt mes en bierflesje in zijn handen, luid schreeuwend op aangever af kwam rennen. Op enig moment stopt de verdachte met rennen maar loopt hij verder in een versnelde pas richting aangever. Ondertussen bleef de verdachte ook steeds kijken en schreeuwen richting aangever.

De rechtbank is van oordeel dat met deze gedragingen bij aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de verdachte het mes tegen hem zou gebruiken. Zelfs toen aangever zijn stroomstootwapen pakte en zei dat de verdachte het mes moest laten vallen, luisterde de verdachte niet meteen. Daar komt bij dat deze situatie extra bedreigend was doordat aangever in eerste instantie op een motor zat waardoor hij zich niet makkelijk kon bewegen of verplaatsen. Daarnaast bevonden zowel de aangever als de verdachte zich in een (voor verkeer) doodlopende straat. Dat de aangever volgens de verdediging niet echt in gevaar zou zijn geweest, omdat hij een dik motorpak, een helm en een stroomstootwapen droeg doet aan dit alles niet af.

Uit de verklaringen van de verdachte kan niet worden afgeleid dat hij aangever willens en wetens heeft bedreigd. Voor het bewijs van opzet is echter voldoende dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat een ander zich door zijn gedragingen bedreigd zou voelen en deze kans ook heeft aanvaard. De rechtbank vindt het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de bedreiging bewezen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het vasthouden en tonen van een mes door anderen als bedreigend kan worden ervaren. In dit geval komt daar nog bij dat de verdachte het mes en bierflesje niet alleen opengeklapt in zijn handen had, maar dat hij daarmee ook op aangever is afgerend terwijl hij ondertussen richting aangever schreeuwde. Al deze gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het bedreigen van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken.

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte verbalisant [aangever] heeft bedreigd met zware mishandeling en/of met de dood.

Ten aanzien van feit 2 (het dragen van het mes)

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het mes dat de verdachte heeft gebruikt bij de bedreiging onder feit 1, onder artikel 2, categorie IV onder 7° WWM valt en de rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 2. Voor de kwalificatie als wapen in de zin van categorie IV, onder 7° WWM is niet doorslaggevend waarvoor het mes oorspronkelijk is bedoeld of waarvoor het doorgaans wordt gebruikt. Bepalend zijn de aard van het voorwerp en de omstandigheden waaronder het is aangetroffen. Het mes is, gelet op zijn snijdende werking, geschikt om personen lichamelijk letsel toe te brengen of daarmee te dreigen. Dat geldt ook als het - zoals de verdediging stelt - ‘slechts’ een stanleymes is. Daarbij komt dat de verdachte het mes niet alleen voorhanden heeft gehad, maar dat hij dit mes opengeklapt in zijn handen heeft gehad en daarmee al schreeuwend op aangever is afgerend. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat gelet op deze omstandigheden waaronder het mes is aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het mes bestemd was om letsel aan personen toe te brengen dan wel daar mee te dreigen. Het betrof daarmee een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV, onder 7° WWM.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

16/161215-25

Feit 1 primair: op 21 mei 2025 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenoot, [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - meermalen, (met kracht) op/tegen het oor, heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 2 primair: op 22 mei 2025 Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenoot, [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - meermalen met kracht op/tegen het hoofd en de incisie van de keizersnede op de buik en het lichaam heeft geslagen/gestompt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3: op 22 mei 2025 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] meermalen, met kracht heeft vastgepakt en vervolgens (heftig) heen en weer heeft geschud/bewogen, terwijl hij, verdachte, het hoofdje niet heeft ondersteund terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

16/330710-25

Feit 1 :

op 4 december 2025 te Utrecht, [aangever] (dienstdoende als brigadier bij de Nationale Politie, eenheid Midden-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een uitgeklapt mes te tonen en met dat uitgeklapte mes en een glazen flesje in de richting van die [aangever] te rennen, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [aangever] in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;

Feit 2: op 4 december 2025 te Utrecht, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een opvouwbaar uitschuifmes van het merk Werkmann, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werdaangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

16/161215-25

T.a.v. feit 1 primair en feit 2 primair :

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot;

Feit 3:

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind;

16/330710-25

Feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, terwijl deze wordt gepleegd tegen een ambtenaar van de politie;

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 564 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd:

- een contactverbod met zijn ex-echtgenoot als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van drie jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet en met als uitzondering het contact dat plaatsvindt door middel van de instanties die betrokken zijn bij het toezicht op de kinderen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat inzake 16/161215-25 verzoekt de rechtbank om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen conform het aantal dagen dat de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten, en om daarnaast eventueel nog een (klein) deel voorwaardelijk op te leggen zodat de bijzondere voorwaarden opgelegd kunnen worden.

De advocaat inzake 16/330710-25 voert als aanvulling daarop aan dat artikel 67a lid 3 Sv aan de orde is en aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer opgelegd kan worden. Wat betreft de bijzondere voorwaarden bij een eventueel voorwaardelijk strafdeel refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de advocaat verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen bij einduitspraak.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling van zijn (toenmalige) echtgenoot en aan een poging tot zware mishandeling van zijn drie weken oude dochtertje. Aanleiding voor het eerste incident op 21 mei 2025, drie weken na de bevalling, zou zijn gelegen in het feit dat hun andere, 6-jarige dochter niet meteen was opgestaan uit bed, waarna de verdachte een glas water in haar gezicht had gegooid. Zijn echtgenoot sprak hem daar op aan, waarna de verdachte haar meermalen met kracht tegen haar oor sloeg, waardoor haar trommelvlies was gescheurd.

Bij het tweede incident was zijn echtgenoot de luier van hun pasgeboren baby aan het verschonen die aan het huilen was. De verdachte heeft vervolgens de pas net drie weken oude baby onder de armen gepakt en hard naar voor en naar achteren geschud zonder het hoofdje te ondersteunen, waardoor haar hoofdje ook van voor naar achteren ging. Toen de echtgenoot ingreep om haar baby te beschermen, heeft de verdachte haar met vuisten geslagen op onder andere de incisie van haar keizersnede op de buik. Waar de echtgenoot van de verdachte haar kinderen probeerde te beschermen en daarom verdachte aansprak op zijn handelen, moest zij dat dus twee keer bekopen met geweld.

De verdachte heeft een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn (ex-)echtgenoot en moeder van zijn kinderen en hij heeft de gezondheid van zijn pasgeboren dochtertje in gevaar gebracht, terwijl hij haar als vader zorg, geborgenheid en bescherming had moeten bieden. Dit alles heeft zich in hun woning afgespeeld, waar zij zich juist veilig zouden moeten voelen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Het is niet aan de verdachte te danken dat de hiervoor genoemde gedragingen uiteindelijk niet hebben geleid tot zwaar lichamelijk letsel.

Hoewel zijn echtgenoot uiteindelijk geen aangifte heeft willen doen, blijkt uit haar verklaring die in het dossier zit dat zij ook heel bang was voor de verdachte. Zij is momenteel met de kinderen ondergedoken.

De verdachte heeft op zitting met betrekking tot deze feiten verklaard dat hij er spijt van heeft, maar uit het dossier komen zorgelijke signalen naar voren. Zo heeft de verdachte tijdens eerdere verhoren onder andere verklaard dat hij zijn echtgenoot heeft mishandeld omdat zij hem niet zou respecteren, dat het een fout van haar is of dat een eerkwestie was. Ten aanzien van het schudden van de baby verklaarde hij dat hij vrij is om dat met zijn kind te doen en dat het “in zijn land” niet gevaarlijk is om kinderen heen en weer te schudden. De rechtbank vraagt zich gelet op deze uitlatingen af of de verdachte zich daadwerkelijk bewust is van de ernst van zijn gedragingen.

Terwijl de voorlopige hechtenis van de verdachte was geschorst, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van een verbalisant door met een uitgeklapt mes en een bierflesje al schreeuwend op de verbalisant af te rennen. Uit de aangifte en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de verbalisant dit incident met de verdachte als zeer angstaanjagend heeft ervaren.

De rechtbank vindt het kwalijk en zorgelijk dat de verdachte zich, schijnbaar uit het niets, in het openbaar dreigend uit tegen een verbalisant die gewoon zijn werk deed. De verbalisant kwam juist ter plaatse om te helpen, nadat er een zorgelijke melding over de verdachte was binnengekomen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 19 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van meerdere ten behoeve van de verdachte opgemaakte rapporten, namelijk:

Een pro-justitia rapportage van 7 en 8 juli 2026, opgemaakt door O.M. Guddat, psychiater en M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog (hierna: de deskundigen);

een reclasseringsrapportage van 15 september 2026.

Advies van de psycholoog en psychiater

De conclusies van de deskundigen luiden, samengevat, dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een stoornis in het gebruik van alcohol en van een ongespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Volgens de psychiater is daarnaast ook nog sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte. De deskundigen adviseren daarom de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Vanwege de licht verstandelijke beperking heeft de verdachte moeite met overzicht, probleemanalyse, impulscontrole, het overzien van gevolgen en het hanteren van complexe relationele en sociale spanningen. Onder spanning, krenking of gevoelens van afwijzing raakt hij sneller ontregeld en beschikt hij over beperkte copingvaardigheden. Het middelengebruik van de verdachte moet in dit verband worden gezien als een inadequate poging om spanning te dempen. Alcohol werkte echter juist ontremmend, het verminderde zijn gedragscontrole en vergrootte de kans op boosheid en agressief handelen.

Uit de rapportage van de psychiater volgt ten aanzien van het recidiverisico het volgende.

Zonder behandeling en toezicht wordt het risico op recidive door de psychiater als hoog ingeschat, met name bij hernieuwd middelengebruik, relationele spanningen, financiële stress en onvoldoende naleving van voorwaarden. De risicofactoren beïnvloeden elkaar wederzijds. Stress, financiële problemen en relationele conflicten vergroten de kans op middelengebruik. Middelengebruik vermindert vervolgens de emotieregulatie en impulscontrole, waardoor de kans op agressieve escalatie toeneemt. Beperkte cognitieve draagkracht maakt het voor de verdachte moeilijker om tijdig hulp te zoeken, afspraken te overzien en voorwaarden consequent na te leven.

Uit de rapportage van de psycholoog volgt ten aanzien van het recidiverisico het volgende.

Terugval in alcoholgebruik wordt als een belangrijke risicofactor gezien voor terugval in strafbaar gedrag. Onder invloed van alcoholgebruik raakt de impuls- en agressieregulatie verstoord. De verdachte is sinds zijn verblijf in detentie abstinent van middelen, maar het lijkt volgens de psycholoog weinig aannemelijk dat de verdachte zonder hulp abstinent kan blijven. Daarbij verwijst de psycholoog ook naar het beloop van de schorsing en de ernst van de alcoholproblematiek. De kans dat de verdachte in de komende periode tot gewelddadig handelen zal komen wordt ingeschat als matig, gezien de indicatoren binnen de historische en klinische domeinen, de risicohantering en de matige aanwezigheid van beschermende factoren. Het feit dat zijn echtgenoot en kinderen inmiddels ergens anders wonen kunnen voor spanning en stress zorgen, naast dat de traumaklachten op zichzelf ook al voor blijvende spanning en stress zorgen. Als gevolg van de lage intelligentie verliest de verdachte makkelijk het overzicht en kan hij overspoeld raken. Bij oplopende spanning en stress en overspoeling kan de realiteitstoetsing kortdurend verzwakt raken. Probleemoplossende vaardigheden van de verdachte zijn zwak, en in combinatie met de alcoholproblematiek wordt verwacht dat de verdachte snel in het gebruik van alcohol zal terugvallen. Voor de verdachte is van belang om langere tijd in een omgeving te verblijven waar middelenabstinentie kan worden gecontroleerd en ondersteund. De beste route lijkt die van een klinische opnamen.

Door beide deskundigen wordt gelet op dit alles een klinisch forensisch behandeltraject geadviseerd die gericht is op abstinentie van alcohol en cannabis, middelencontrole, psycho-educatie, emotieregulatie, agressieregulatie, copingvaardigheden en praktische stabilisatie. Tijdens de opname kan ook de ondersteuning bij verschillende leefgebieden worden opgezet, zoals het relationeel functioneren, stabiliseren financiën en zinvolle dagbesteding. De deskundigen vinden opname in een kliniek met beveiligingsniveau 2 passend. De behandeling kan worden uitgevoerd binnen de bijzondere voorwaarden van een (deels) voorwaardelijke veroordeling, met reclasseringstoezicht. Na voldoende stabilisatie kan behandeling ambulant worden voortgezet binnen een forensisch ambulant kader, met voortzetting van reclasseringstoezicht.

De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies inzichtelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en zal de verdachte daarom ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar verklaren en zal daarmee in strafmatigende zin rekening houden bij de strafoplegging.

Uit het reclasseringsadvies van 15 september 2026 volgt dat de reclassering zich kan vinden in het advies van de deskundigen en heeft de verdachte via IFZ aangemeld voor een indicatiestelling voor klinische opname. Het is vooralsnog niet bekend in welke kliniek de verdachte geplaatst zal worden, mocht de bijzondere voorwaarde tot klinische opname worden opgelegd. De reclassering schrijft dat een klinische plaatsing aansluitend vanuit detentie als noodzakelijk wordt gezien om toe te werken naar blijvende stabilisatie en re-integratie. Gelet op het risicoprofiel, de eerdere schending van voorwaarden en de beperkte praktische en cognitieve draagkracht, wordt een uitsluitend ambulant kader onvoldoende en ontoereikend geacht als startpunt van het traject. De reclassering schat de kans op terugval in middelengebruik en daaruit voortkomend delictgedrag hoog in wanneer de verdachte in een ambulant kader terechtkomt in afwachting, of ter overbrugging van een klinisch traject.

De reclassering adviseert bij een voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarden de meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, beheersing middelengebruik en een contactverbod.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor zware mishandeling, waarbij het letsel wordt toegebracht zonder gebruik te maken van een wapen, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, waarbij van belang is dat het in deze zaak telkens om een poging gaat. Voor bedreiging door het tonen van een steekwapen of een als zodanig aan te merken voorwerp geldt doorgaans als uitgangspunt een taakstraf van 120 uur.

Bij de aard en de ernst van de gepleegde feiten past een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Zoals eerder overwogen houdt de rekening in strafverminderende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat er sprake is van huiselijk geweld waarbij bovendien telkens jonge kinderen aanwezig of betrokken waren bij de geweldshandelingen. Dat de verdachte tijdens de eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis wederom in de fout is gegaan en dat de bedreiging heeft plaatsgevonden tegen iemand met een publieke taak, weegt de rechtbank ook strafverzwarend mee.

Gelet op de adviezen van de deskundigen en de reclassering ziet de rechtbank een groot recidiverisico als de verdachte niet de juiste behandeling en begeleiding ontvangt. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf opleggen, zodat de geadviseerde bijzondere voorwaarden opgelegd kunnen worden. De verdachte heeft op de zitting ook aangegeven deze hulp te willen.

Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van 474 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank vindt een voorwaardelijk strafdeel van belang om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, maar ook om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden te koppelen die worden geadviseerd door de reclassering en die nader staan omschreven in de beslissing (punt 9 van dit vonnis).

De rechtbank ziet net als de deskundigen en de reclassering het belang dat de verdachte vanuit detentie in een kliniek wordt opgenomen. Tegelijkertijd ziet de rechtbank zich geconfronteerd met het feit dat de verdachte al dusdanig lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dat zij weinig ruimte meer ziet om nog een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf (of een groter voorwaardelijk strafdeel) op te leggen tot er een plek is in een kliniek. De rechtbank hoopt dat op korte termijn een geschikte kliniek voor de verdachte gevonden wordt, zodat hij aansluitend aan de detentie klinisch kan worden opgenomen.

Geen 38v-maatregel

De vordering van de officier van justitie tot oplegging van een maatregel in de zin van artikel 38v Sr wordt afgewezen. De maatregel kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. De officier van justitie heeft niet (voldoende) toegelicht waarom een contactverbod op grond van deze maatregel noodzakelijk is. Daarbij komt dat door de officier van justitie ook al een contactverbod heeft gevorderd als onderdeel van de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Nu een contactverbod al wordt toegewezen als onderdeel van de op te leggen bijzondere voorwaarden, zie hierna, valt zonder verdere toelichting niet in te zien waarom een dergelijk contactverbod ook nog in de vorm van een maatregel ex 38v Sr zou moeten worden opgelegd.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank ziet, gelet op de bewezenverklaring, de overige inhoud van het vonnis en dat wat door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel eerder op te heffen dan het moment waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

6. In beslag genomen voorwerpen

Het dossier bevat in de zaak met parketnummer 16/330710-25 een beslaglijst waarop het mes staat dat onder de verdachte in beslag is genomen. De officier van justitie en de verdediging hebben op de zitting hierover geen standpunt ingenomen.

De rechtbank zal het in beslag genomen mes (G3630103) verbeurd verklaren. Met behulp van dit voorwerp zijn de bewezen verklaarde feiten onder parketnummer 16/330710-25 begaan.

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[aangever] heeft zich onder parketnummer 16/330710-25 gesteld als benadeelde partij en vordert een schadevergoeding van € 600,- voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair dat de hoogte van de vergoeding gematigd moet worden.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Beoordeling

Uit de rechtspraak volgt dat geestelijk letsel concreet moet worden onderbouwd. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op de strikte rechtspraak van de Hoge Raad.

Dat het strafbare feit gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij is goed voorstelbaar, maar het leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure als de benadeelde partij de gelegenheid krijgt om de vordering nu alsnog verder te onderbouwen. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

9. De beslissing

meldplicht
klinische opname in een zorginstelling
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
Contactverbod
16/330710-25

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 474 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaar vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:

- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte tijdens de proeftijd:

 zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

 zich zo lang of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader geïndiceerde forensische kliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door NIFP_IFZ. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

 zich laat behandelen door forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Als er sprake is van een terugval in overmatig middelengebruik of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie of stabilisatie of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

Beheersing middelengebruik

 meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik of het gebruik te leren beheersen van alcohol en cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

 op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , (ex-echtgenoot) geboren op [geboortedatum] 2001, zonder dat betrokken instanties daarvan op de hoogte zijn of daarin bemiddelen;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

beslag (16/330710-25, feit 1 en feit 2)

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

 mes (G3630103);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] (16/330710-25, feit 1)

voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. M.H. Erich en mr. E. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.

Mr. E. Post en mr. G.S.M. van Duinkerken zijn buiten staat om dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

16/161215-25

1hij op of omstreeks 21 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenoot, [slachtoffer 1] , (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het oor, althans het hoofd, heeft geslagen/gestomptterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het oor, althans het hoofd, heeft geslagen/gestompt;

2hij op of omstreeks 22 mei 2025 Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenoot, [slachtoffer 1] , (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het hoofd en/of de incisie van de keizersnede op de buik en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het hoofd en/of de incisie van de keizersnede op de buik en/of het lichaam te slaan/stompen;

3hij op of omstreeks 22 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) (heftig) heen en weer en/of op en neer heeft geschud/bewogen, terwijl hij, verdachte, het hoofdje niet of niet voldoende heeft ondersteund terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1

hij op of omstreeks 4 december 2025 te Utrecht, althans Nederland, [aangever] (dienstdoende als brigadier bij de Nationale Politie, eenheid Midden-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (uitgeklapt) mes te tonen en/of met dat (uitgeklapte) mes en/of een glazen flesje in de richting van die [aangever] te rennen, althans te lopen, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [aangever] in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;

2hij op of omstreeks 4 december 2025 te Utrecht, althans in Nederland, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (opvouwbaar uitschuif)mes van het merk Werkmann, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Ten aanzien van 16/161215-25

De verdachte bekent dat hij de feiten onder parketnummer 16/161215-25, namelijk de pogingen tot zware mishandeling van zijn echtgenoot (feit 1 primair en feit 2 primair) en de poging tot zware mishandeling van zijn kind (feit 3) heeft gepleegd, zoals deze in paragraaf 3.4 bewezen zijn verklaard. Door hem en namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

- een medische verklaring van het letsel van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van 16/330710-25

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

De verklaring van de verdachte op de zitting van 17 september 2026, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 4 december 2025 in Utrecht een opengeklapt mes en een bierflesje in mijn handen had en dat het toen uit de hand is gelopen.

Een proces-verbaal van aangifte van verbalisant [aangever] , voor zover inhoudende:

4 december 2024 zag ik een persoon met een uitgeklapt mes in zijn hand. Ik zag hoe hij met versnelde pas mijn richting op rende. Voor bevindingen rondom de bedreiging verwijs ik naar mijn separaat opgemaakte proces-verbaal van bevindingen.

Een proces-verbaal van bevindingen, PL0900-2025413279-5, voor zover inhoudende:

Ik zag dat de man mijn kant op keek en vervolgens plotseling mijn kant op kwam gerend. Ik zag dat de man zeer wijd open gesperde ogen had, in zijn linkerhand een bierflesje vasthield en in zijn rechterhand een opengeklapt mes vasthield. Ik zag dat hij luid schreeuwend op mij af kwam rennen, terwijl hij dus dit mes ter hoogte van zijn rechterheup vasthield. Ik zag zat hij mijn kant op bleef rennen, terwijl hij bleef schreeuwen en mij strak aankeek. Ik zag dat hij vervolgens stopte met rennen en in versnelde pas mijn kant op liep. Ik zag en hoorde dat hij nog steeds luidkeels aan het schreeuwen was en dat hij nog steeds een opengeklapt mes vasthield in zijn hand.

Dit proces-verbaal is opgemaakt door [aangever] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland.

Een proces-verbaal van de bodycambeelden, voor zover inhoudende:

Op de beelden zag ik:

dat verdachte [verdachte] richting [aangever] kwam rennen en dat hij richting [aangever] aan het schreeuwen was.

dat verdachte [verdachte] met versnelde pas richting [aangever] rende. Ik zag dat verdachte [verdachte] in beide handen een voorwerp vast hield.

dat [aangever] van zijn motor afstapte en dat verdachte [verdachte] nog steeds richting collega [aangever] rende.

Een kennisgeving van inbeslagneming van het mes, voor zover inhoudende:

Datum: 4 december 2025

Beslagene: [verdachte]

Goednummer: 3630103

Object: steekwapen, merk Werckmann.

Een proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek aan het mes, voor zover inhoudende:

Ik onderzocht het inbeslaggenomen goed met goednummer 3630103.

Ik zag dat het voorwerp in ingevouwen stand circa 12 centimeter lang was. Ik zag dat het goed in opengevouwen toestand een lengte had van circa 19 centimeter

Ik kon op basis van de bovenstaande bevindingen stellen dat dit goed een mes betrof. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals genoemd in de proces-verbaal van bevindingen in PL0900-2025413279-5 is er sprake van een strafbaar voorwerp, te weten een gelegenheidswapen, zoals genoemd in artikel 2, categorie 4 onder 7 van de Wet Wapens en Munitie.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand